Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ferdinand Borger

Ont-framen in de Achterhoek

29 augustus 2016 | Door | Geen reacties

Na een stevig ontbijt, Kaffee, Schinken, Ei, nochmal Kaffee Möchten Sie noch etwas? Nein Danke, es war sehr gut!… verlaat ik Emmerich. De bedoeling is Montferland in te rijden, maar mijn fietstomtom beslist anders. Ook goed. Al na één dag ben ik slaaf van mijn tomtom. Ik rijd oostwaarts het stadje uit, maak een bocht en nader na een kilometer of zes de grens. Aan de andere kant, verscholen net achter de grens  ligt Netterden, een lommerrijk dorp met een kerk in het midden, verscholen in het land zoals ik mij de hele Achterhoek voorstel. Glooiende akkers, landgoederen, hier en daar een bos. Maar niets is minder waar. Zodra ik het dorp uitga ontvouwt zich een lange strook kaarsrecht asfalt die het land in tweeën deelt. Aan beide kanten frisgroen grasland gelijk een polder. Het gaat van hieruit 3,5 kilometer rechtdoor meldt mijn tomtom. Ergens aan de horizon gloren wat bomen, een huis, een boerderij. En verder is er tegenwind. Geen forse, wel een vervelende. Het landschap ergert me. Dit is niet wat ik had verwacht. Een troost: de 3,5 kilometer geven mij de ruimte om mijn verwachtingen bij te stellen. Had ik niet ooit ergens gelezen dat grote delen van de Achterhoek pas laat – tot in de twintigste eeuw – in ontginning waren gebracht? En was het dan niet logisch dat in die tijd toen de schaalvergroting de landbouw al zijn greep kreeg, dit een strak en planmatig, meer industrieel landschap opleverde? Door dat land fietste ik nu. Het deerde dit landschap niet of ik het mooi of lelijk vond. De kennis van de geschiedenis leerde mij het wel anders waarderen. Al bleef de wind vervelend.

De zelfreflectie zou die dag niet meer van mij wijken. En ik besefte dat tijd de voorwaarde was om met de werkelijkheid van het land om te gaan. Die werd mij met het fietsen voldoende gegeven. Al trappend kreeg ik in de rust van het nabije maar voorbijglijdende landschap de ruimte om van een vooroordeel tot een oordeel te komen. En binnen die ruimte kreeg het vertrouwen een plaats dat mijn oordeel grond onder de voeten kon geven. Dat vertrouwen werd mij niet door het landschap aangereikt – het landschap is niet te vertrouwen – ik was er mee op de fiets gestapt. Ik had het meegekregen van thuis, ik had het geleerd in de kerk, waar het al oude papieren bleek te hebben. De kerk was ook de plaats waar ik het probeerde te onderhouden. Ik had er ooit voor gekozen om ermee te leven. En in principe iedereen te vertrouwen die op mijn pad kwam. Dat gold ook voor de uitspraken die tegen mij werden gedaan. Over dat wat de mensen over zichzelf en over de werkelijkheid waarin zij leven kunnen melden. Zo voerde ik ooit een intensief gesprek met een gastenpater in een klooster in de Spaanse Pyreneeën die mij anders naar de voor mij godverlaten omgeving leerde kijken. Zijn uitspraken over het landschap gaven aan het landschap waarde en leerde mij het landschap begrijpen.

Pas dagen later hoorde ik dat ver weg van de Achterhoek een debat werd gevoerd. Een vrouw in een boerkini werd op een strand in Zuid-Frankrijk gedwongen zich van haar kleding te ontdoen. In het kader van het recente terroristische geweld werd haar kleding begrepen als een te weinig neutrale.  De seculiere normen gebaseerd op vrijheid en neutraliteit schrijven bijna naakt voor, de neutrale staat volgt klaarblijkelijk de laatste mode. Het bizarre van het voorval was dat de mededeling die de vrouw over zichzelf deed geen enkel doel trof. Ze bedekte zich uit geloofsovertuiging en die had niets met jihadisme te maken, laat staan met aanslagen, zei ze. Ze was Francaise en hield van haar land. Ze werd niet geloofd. Met de opgedane inzichten van mijn fietstocht: het was hier niet van een vooroordeel tot een oordeel gekomen. De vrouw had er de tijd niet voor gekregen en de ordehandhavers hadden er de tijd niet voor genomen. De uitspraak die de vrouw over zichzelf deed werd niet voor waar gehouden.

Angst vernietigt in eerste instantie onze tijd en baart vervolgens een frame dat op zijn beurt weer tot vernietiging leidt. De vrouw kon niet anders meer worden gezien dan als een tegenstander van de Franse staat. Zij was met haar kledingkeuze niet langer loyaal aan de waarden van gelijkheid, vrijheid en broederschap. En met haar werden alle vrouwen die zich in een boerkini op het strand durfden te vertonen gediskwalificeerd.

Nu kan een dergelijk frame alleen worden vernietigd als er tijd en ruimte worden gevonden om tot een zinnig en weloverwogen debat te komen. Daarvoor kan worden gekozen. Het lijkt me bij uitstek de taak van de staat deze tijd en ruimte te organiseren. Voor het ontbreken van het vertrouwen ligt dat anders. Het hervinden daarvan moet ergens anders vandaan komen. In tegenstelling tot de algemene beschouwingen die je tegenwoordig over religie kunt vinden is mijn stelling nog steeds dat religie één van de grootste bronnen en leveranciers van dit vertrouwen is. Het zijn juist de gestolde verhalen van de religieuze tradities waarin ten diepste alle diepmenselijke aspecten als haat, vrede, oorlog en verzoening en liefde te sprake worden gebracht. Tegelijkertijd ligt in de stolling van deze verhalen ook het grootste probleem waarmee religies op dit moment te kampen hebben: de verhalen moeten worden onderzocht, ze vragen om een omgang die van een-dimensionaliteit niet wil weten, ze zijn wars van kretologie, ze zijn niet terug te brengen tot one-liners, ze zijn geen leveranciers van instant-vertrouwen. Ze vragen kortom om tijd en ruimte, ze hebben bijvoorbeeld een eredienst nodig en een uur op zondagmorgen.

Religieuze tradities zijn uiterst kwetsbaar. Het is verontrustend om te zien dat een kleine groep mensen in staat is om religie door terreur als synoniem voor haat en geweld te framen. Even verontrustend is het dat een veel grotere groep mensen er voor pleit om vanwege deze terreur om ons van alle religieuze bronnen af te sluiten. Het wordt zelfs als een grote stap voorwaarts gezien. Het is dus mede door het terrorisme zelf dat het frame in leven wordt geroepen en het is de seculiere maatschappij die dit frame omarmt en weigert te onderzoeken.

Nu zou ik hier tot het oordeel kunnen komen dat zowel terreur als secularisme tot vernietiging leidt. De eerste eist mensenlevens, de tweede scheidt ons van onze religieuze bronnen en daarmee van een groot deel van ons cultureel erfgoed. Maar dit oordeel is te makkelijk. Religieuze tradities zijn hier zelf ook in het spel ook al liggen ze onder vuur. En erkend moet worden dat – hoe bizar ook – er mensen vanuit religieuze motieven haat en verderf zaaien met een ongekende opofferingsgezindheid die ons doet huiveren. Het frame religie=geweld wordt dan ook constant van voedsel voorzien.

Maar er is nog iets anders. De doelloze vernietigingen in de oorlog in Syrië ontmenselijken het bestaan tot vormen die aan de absurditeit voorbij gaan. Ze spiegelen de diepste zinloosheid. Wij verdragen deze zinloosheid niet. En merkwaardig genoeg is deze absurditeit weer een voedingsbodem voor een frame, waarbij op een perverse manier zin wordt gegeven aan wat geen zin heeft. Zinloosheid voedt zo complottheorieën. De vluchtelingenstroom naar Europa is een poging om de Islam te verspreiden en Europa te onderwerpen hoorde ik onlangs. Hoewel ik die gedachte direct wilde weerleggen begreep ik bij navraag dat de theorie niets anders was dan een poging een antwoord en zin te geven aan iets wat geen zin heeft. Het bestaan kan niet zo absurd zijn dat wij elkaar massaal vernietigen. Dat gaat er bij ons niet in. Daar moet een hoger doel achter zitten, want het past niet bij het beeld dat wij van onszelf hebben. Wij zijn tolerante positieve en vrijdenkende mensen die in vooruitgang geloven. We worden ons steeds betere zelf. Blijkbaar vergeten we, nog maar 70 jaar na de grootste vernietiging die de mensheid zichzelf heeft aangedaan, waartoe mensen in staat zijn. We kunnen het bestaan van elke zin beroven.

Het geweld en de vernietiging onder ogen zien is het moeilijkste wat ons te doen staat. Ze behoren tot de mogelijkheden van de menselijke soort en kennen angst als één van de rijkste voedingsbodems. Het is de angst die de tijd en de ruimte vernietigt om het spel van vooroordelen en oordelen een kans te geven. En het zijn de religieuze bronnen waaruit wij ons vertrouwen kunnen putten. Mits we de tijd nemen. En niet lui zijn, noch laf.

Emmerich

25 augustus 2016 | Door | Geen reacties

Vooropgesteld: ik had er helemaal niet willen zijn, in Emmerich. Het lag ook helemaal niet in de bedoeling om daar te overnachten. En al helemaal niet in een Fremdenzimmer boven Balkanrestaurant ‘Rheinblick’, hoewel de kamer proper genoemd kon worden met een keurig losse douchecabine in de hoek, twee lage houten bedden met nachtlampjes, witte Duitse dekbedden en een televisie met zenders waarvan ik de meeste in Nederland niet kan ontvangen. De enige smet vormde een paar vlekken in de vloerbedekking die bij inspectie niet stonken noch bleken af te geven. Ook over het uitzicht had ik niet te klagen toen de dikke lucht van de keuken beneden mij het ruime balkon opdreef en ik met eigen ogen kon zien hoe ieder schip zijn eigen route op de rivier koos, al naar gelang de diepgang. Onlangs had mijn vriend mij uitgelegd welke signalen de schipper ter beschikking staan wanneer hij een voorkeur voor de binnenbocht aan wil geven en zijn tegenligger links wil passeren. Ik meende het zelfs allemaal even te begrijpen deze nautische omgang hier op de Rijn, die hier zo vlak voor de grens zo stoer en breed stroomt en van afscheidingen en splitsingen nog niet wil weten. Die zijn voor Nederland.

Maar ik had hier niet willen zijn op deze plek waar een verwoestend spoor van bommen in de nadagen van de oorlog het stadje grotendeels in de as legde en de herrezen bouw met de kenmerken van jaren vijftig en zestig paradoxaal genoeg het geslagen gat blijvend zichtbaar maakt. Ik had in Keeken willen blijven, deze zelfde middag nog. Keeken, een dorp vlak over de grens bij Nijmegen tegenover Lobith en Spijk zo ongeveer. Van Keeken had ik nog nooit gehoord, maar mijn pas aangeschafte fietstomtom voerde mij erdoor, op weg naar een bestemming ver achter Emmerich. Keeken is nauwelijks een dorp te noemen. Maar op zoek naar een rustpunt en meer nog: naar eten en drinken nam ik elke huis van het gehucht waar. En opeens was het er: Gaststätte Schmidtshausen. Ik stapte af, zette mijn fiets tegen de gevel, ontwaarde het bordje Fremdenzimmer en wist: hier moet ik blijven. De deur stond open en ik liep naar binnen. In het café stonden lange gedekte tafels met grote ronde taarten. ‘Sie haben geöffnet?’ vroeg ik de vrouw die uit de keuken naar de bar kwam. Ze ontkende. Nee,  ik ontvang vanmiddag een groep gasten. Wat wenst u? Kaffee und Kuchen vielleicht? Dat kan wel voor één persoon, gaat u maar even buiten zitten en kiest u vooral taart. Wat wilt u? Kersen of kruisbessen? Ik nam plaats op het terras met dunne Parijse stoelen. Niet veel later was ik niet meer alleen. Een grote groep Duitse senioren zette de mij omringende ruimte vol met hun pas aangeschafte elektrische fietsen. Gazelle was populair in Duitsland zo te zien. En Union ook. Toen de koffie met taart werd gebracht wist ik helemaal dat ik niet meer weg wilde. Hoe idioot het idee, om honderden kilometers door Nederland te gaan fietsen, het lijf te vermoeien ten einde het hoofd leeg en stil te krijgen. Niets fietstocht, niets elke dag 70 tot 90 kilometer zwoegen. Ik blijf hier, betrek een Fremdenzimmer, zorg dat ik een laptop krijg en reis niet verder. En dan ga ik elke dag een stuk lezen. En schrijven. Leuke vakantie gehad? Ja, ik ben ik Keeken geweest. Waar? Keeken. Zegt je dat niets? Ik ga je niet vertellen waar het ligt. Het is mijn geheim. Het is zo klein dat het bijna niet bestaat. Het is ook niet belangrijk, geschiedenisgewijs gesproken, maar de mensen zijn er gastvrij. Ik dronk de koffie, at het gebak met smaak en rekende binnen af. Ik vroeg niet meer naar de Fremdenzimmer, maar nam afscheid en bevrijdde mijn fiets uit het woud van elektrische soortgenoten. Ik had niet de moed om te blijven. Ik wist niet waarom. Moesten er doelen gehaald worden deze vakantie? Zoals in het hele jaar? Moest ik mijzelf bewijzen? Maar voor wie? ik wilde er niet over nadenken. Ik wilde fietsen! Afzien! Niet denken!

Ik reed weg en vond het pad langs de Rijn stroomopwaarts. Een tiental kilometer later brak plotseling het zadel van mijn fiets. Er bleek een schroef kapot. Nog zeven kilometer naar Emmerich. Ik besloot te gaan lopen. In Emmerich repareerde een chagrijnige fietsenmaker nog net voor sluitingstijd mijn fiets voor vijf euro. Ik betrok de laatste vrije kamer van het stadje boven Balkanrestaurant Rheinblick, at een matige maaltijd bij één van hun buren  op de Rheinpromenade en maakte een korte wandeling over de kade. De brug bleek rood verlicht inmiddels. Ik keerde terug naar mijn kamer. De deur van het balkon zette ik open. De keukenlucht werd nu voorgoed verdreven. Ik ging op het bed liggen. De schepen stampten zachtjes de Rijn over. Soms hoorde ik het sonore ploppende geluid van de kleinere exemplaren. Ik lig weer in het kamertje boven in het huis bij mijn opa en oma aan de Gouwe in Boskoop. Er passeert een schip. En nog een. En nog een. Ik word steeds kleiner. De wereld wordt overzichtelijk als Keeken. Ik ben vijf jaar. En val in slaap.

Orlando

14 juni 2016 | Door | Geen reacties

De sociale media brengen me het bericht: De Keizersgrachtkerk in Amsterdam is vanavond open. Om de slachtoffers van Orlando te gedenken. Ik heb geen zin om te gaan. Ik ga. In de metro op weg naar het centrum bedenk ik dat ik andere plannen voor deze avond had. Werk. Op de bank zitten. Mij opwinden over het NPO-fenomeen Sportzomer. Of gewoon in ledigheid de tijd voorbij laten gaan. Maar ik ga. Onderweg onderzoek ik mijn weerstand. Ik heb niets met het massale rouwbetoon  na de aanslagen die het Westen de laatste jaren treffen. Leuzen als: We are Charlie, Pray for Paris, het is allemaal niet aan mij besteed. Hoe eensluidender de schreeuw van de massa, des te groter wordt mijn wantrouwen. Wij kunnen ons niet wapenen tegen gekken die het geweer oppakken en beginnen te schieten. Een schreeuwende massa roept de illusie op dat er verzet mogelijk is. Maar dat kan niet. We bedriegen onszelf. Het protest drijft ons slechts tot een tijdelijke eensgezindheid. Veroorzaakt door de dader. Maar we zijn niet eensgezind. Dat is niet erg. Een vrije samenleving kan een grote verscheidenheid aan. Zelfs wanneer die verscheidenheid schuurt. We zijn vrij. En we zijn kwetsbaar. En we zijn kwetsbaar omdat we vrij zijn. Die vrijheid heeft een prijs. We kunnen hooguit roepen dat we die prijs niet willen betalen. Maar we weten: er is geen alternatief. En dan nog iets: Is het rouwbeklag en het verzet niet uiterst selectief? Het is telkens weer indrukwekkend: monumenten overal ter wereld in bleu-blanc-rouge of in de kleuren van de Belgische vlag. Maar de verdronkenen in de Middellandse Zee valt een dergelijke eer niet ten deel. We hanteren verschillende standaarden ten aanzien van de zinloze doden. Niet iedereen is het herdenken waard.

Onderweg in de metro ontwaar ik de laatste haard van mijn weerzin. Het is de moordenaar zelf die mij nu in beweging zet. En hij heeft dat geweten. Hij heeft geweten dat de reikwijdte van zijn daad veruit het lokale zou overtreffen. Hij heeft met het neermaaien van zijn slachtoffers beseft dat de gruwelijkheid van zijn daad in zijn vermenigvuldiging zou uitgroeien tot een groot en wreed symbool. Een zoveelste merkpaal in de geschiedenis van zijn land waar hij zich toch geen deel van voelde. Een land dat ervan uitgaat dat de vrijheid alleen gewaarborgd wordt als zoveel mogelijk inwoners in staat zijn die vrijheid buitenproportioneel te schenden. En dat is gebeurd.

Ondertussen vragen we ons af wat de man heeft bezield. Maar waarom zouden we dat willen weten? Zijn vader meldde dat hij zich kwaad had gemaakt om twee zoenende mannen. Sinds wanneer is dat een reden voor massamoord? Andere media melden dat hij bekend was in de bar waar hij zijn gruweldaad uitvoerde. Misschien had hij moeite met zijn geaardheid. En voldeed hij niet aan de verwachtingen van zijn vader. Nog een reden: Hij zat klem tussen twee culturen. Hij liet zich inspireren door Islamitische Staat. Misschien allemaal waar. Maar geen enkele reden om het leven van onschuldigen weg te nemen. Ik wil helemaal niet weten wat de man heeft bezield. De geschiedenis leert ons de trieste wetenschap dat er een land bestaat waar een mens gewetenloos kan moorden. Het is een land waarin de destructie wordt omarmd en waar de mens zijn wil tot vernietiging kan uitleven. Ik wil de ingang van dat land niet kennen. En goddank bemoeilijken de meeste westerse landen ons ook de toegang tot een dergelijke land. Dat heet beschaving. En die beschaving houdt de vrijheid in stand. Zo goed en zo kwaad als dat gaat.

Er staat een bord bij de kerk op de Keizersgracht: Orlando gedenken, steek een kaarsje aan in de kerk. Ik loop de trap op en ga naar binnen. Er ligt een boek waarin geschreven kan worden. Er klinkt zachte muziek. Op de tafel voor in de kerk ligt een regenboogvlag. Daarvoor staan op een spiegel kaarsjes, aangestoken door mijn voorgangers. Ik loop naar voren, pak een kaarsje en steek het aan bij de kaarsen die al branden. Een daad van niets. Een volkomen machteloos gebaar, tegenover ieder mens die meent met een wapen zijn waarheid te moeten opleggen. Tegelijk besef ik het dat dit het dus is. De andere kant van vrijheid heet kwetsbaarheid. Ze zijn onlosmakelijk verbonden. Waar de kwetsbaarheid verdwijnt is de vrijheid in het geding. Waar stemmen de overhand krijgen dat we ons meer moeten beschermen en bewapenen wint het wantrouwen en de angst. De enige remedie hiertegen is onze kwetsbaarheid oefenen. Zinloze kaarsen opsteken. Onbekenden groeten op straat. Ons niet gek laten maken in de spiraal van wantrouwen en schelden. Gastvrijheid blijven oefenen. Niet meegaan in de verharding. Cynisme geen kans geven. Dat soort zinloze dingen. Ik loop de kerk uit. En weet weer waarom ik hier zondags ook wel eens zit.

Dit blog is ook gepubliceerd op de site van nieuwwij.nl

Vijfenzestig jaar getrouwd

22 mei 2016 | Door | 4 reacties

Vijfenzestig jaar getrouwd waren ze. Mijn ouders. Op zondag 22 mei. Dat gaan we in de kerk vieren zeiden ze. In de Lebuïnuskerk in Deventer. En bij de koffie trakteren we. Petit-fourtjes. En aldus geschiedde. En toen gebeurde het mooie. De kinderen werden tijdens de dienst door predikant Ingrid de Zwart naar voren geroepen. Ze vroeg de kinderen wie de wind wel eens heeft gezien. Niemand. Voelen, ja dat wel, de wind voel je. En je ziet de wind. Aan de bladeren van de bomen. Zoals de wind is, is de liefde vertelde ze. En twee mensen in de kerk hebben die liefde al vijfenzestig jaar gedeeld. Ze vroeg mijn ouders op te staan. Twee mensen temidden van al die anderen. Daar stonden ze. Breekbaarder dan vijfenzestigjaar geleden. Niet met een grote toekomst nog voor zich. Maar wel: met een leven vol verhalen en herinneringen. Met de grote momenten van geboorte en sterven. Met de geschiedenis van Tweede Wereldoorlog en politionele acties in Indonesië. Met de wetenschap dat het leven niet volgens de lijnen van berekening en wetmatigheid verloopt.  Daarna kwam de preek. Net als elke zondag. En toch net weer anders. Je luistert met andere oren als er iets te vieren valt. De cantorij, waar mijn zus Fenny in zingt, had speciaal een aantal liederen voor mijn ouders ingestudeerd. Tekst en muziek die hun geloof verklankt hebben door de jaren heen. In het gebed werd er naast al die andere gebeden gedankt voor de 65 jaar. En toen kwam er een zelfgemaakt cadeau van de kinderen. Na de zegen vroeg Ingrid mijn ouders naar voren te komen. Het lang-zal-ze leven werd ingezet begeleid door het kerkorgel. En tot slot was er de lange rij felicitaties, omhelzingen, zoenen. Natuurlijk is zo’n moment voor kinderen van vijfenzestig jaar getrouwde ouders een gevoelig en emotioneel moment. En dat wat ik nu ga schrijven tapt behoorlijk uit de bron van de emotie. Maar wat kan ik iedereen op zondagmorgen een kerk als deze toewensen. En wat gaat er veel verloren als we rücksichtos met al dat kostbare in zo’n gemeenschap zouden omspringen. Of erger nog: God bij het oud vuil zetten.  Hier wordt gevierd. De liturgie is niet de vlucht naar het ideale leven, noch de standaard voor het goede en het schone. Hier wordt gezongen, gebeden, gesproken om dat wat het leven is. Geestkracht heeft hier een plek. Gaandeweg toets je hier je leven, win je aan inzicht en tref je op zondag je mede reisgenoten. Voor sommige mensen is dat een lange weg samen. Anderen gaan die weg alleen, of leven in andere verbanden. En al dat vieren doe je met een groep mensen die je niet als je vrienden hebt uitgekozen. Ik kan geen andere plek bedenken waar dit zo kan. Hier wordt de lange vijfenzestig jaar in een veel groter verband geplaatst. Het oude gebouw doet je de eeuwigheid vermoeden.  Niet de prestatie staat voorop, maar het doodgewone gegeven dat wij  er zijn, dat het leven verdomd mooi is om geleefd te worden. En dat we de bereidheid hebben om dat leven van elkaar te dragen en te verdragen. Voor mij is dit de kerk op zijn best voegde ik Ingrid toe na de dienst.  Ik zag mijn ouders stralen. We deelden koffie en petit-fourtjes. Het leek op brood en wijn.

DSC_7941

 

Waterloo

22 maart 2016 | Door | 1 reactie

In de metro in Amsterdam onderweg naar het centrum. Voor een afspraak. Op mijn smartphone rolt een liveblog van de NOS met de eerste beelden van de aanslagen in Brussel. Schichtige schetsen van rennende mensen, in de vaart van de vlucht genomen. Is het moedig om, het vege lijf reddend, de vernietiging om je heen vast te leggen, of is het niet anders dan een paniekreactie?

De ramen van de vertrekhal liggen eruit, het plafond is naar beneden gekomen. Daartussen de berichten met schattingen van doden. Bij het Waterlooplein aangekomen verlaat ik de metro voor een korte afspraak en bij terugkeer voeren de roltrappen mij niet zonder zorgen naar beneden. Het is half twaalf. Ik schat de risico’s van een aanslag in. Dit moet een veilig uur zijn, zo buiten de spits. Jezelf nu opblazen lijkt me de moeite van de dood niet waard, in termen van rendement zelfs zonde. Al weet je het natuurlijk nooit.
Mijn smartphone rijgt de berichten inmiddels verder. Nog een aanslag in de metro. Explosie in de Wetstraat, het treinverkeer naar België is inmiddels stilgelegd, het vliegverkeer omgeleid. Bewoners van Brussel moeten binnen blijven. Mijn metro rijdt voor en ik stap in. Ik kijk om me heen en schat mijn overlevingskans in. Hoe absurd. Dit is dus wat zij willen. Zij met hun kalasjnikovs en bomgordels, met hun doodsdrift en hun wereld-hatende god.

Inmiddels schreeuwt Wilders dat de grenzen gesloten moeten worden tegen deze terreur. Hoe naïef. Een geesteshouding kent geen grenzen. Rutte verzekert ons dat we voor dit geweld niet moeten wijken. Wij zijn met meer, stelt hij gerust, doelend op het splinterachtige karakter van deze kleine terroristische minderheid. Maar het gaat niet om het getal. Alleen al een kleine groep mensen is in staat is om het zaad van het wantrouwen te laten ontkiemen. Onze vrijheid bestaat uit niets anders dan een overschot aan vertrouwen. Dit vertrouwen zegt mij dat de ander mij geen kwaad zal doen, mij in mijn waarde zal laten, mij hopelijk vriendelijk zal bejegenen. Dit overschot kent niet altijd een empirische grond. Het is er omdat we in het goede van de mens willen geloven, in zijn scheppende kracht, in zijn vermogen tot solidariteit en naastenliefde. Maar wanneer met grof geweld het tegendeel zich toont, laat het vertrouwen zich makkelijk verjagen. En vindt de diepe angst voor al het vreemde en andere een voedingsbodem. Vertrouwen komt nu eenmaal te voet en gaat te paard. Alleen met beschaving is de angst in toom te houden. En met cultuur. En met religie, mits van de goede soort. En alleen met geweld is deze beschaving te vernietigen.

Dus: wat bezielt jullie met jullie bomgordels en geweren? Kunnen jullie de vrijheid niet aan? Op grond waarvan vervloeken jullie onze openheid en kwetsbaarheid? Wat is er fout aan deze samenleving dat onschuldigen de dood moeten worden ingejaagd? Ik vraag het me af. Waarom haten jullie de vrijheid? Misschien hebben we jullie de geschiedenis van de oorlog niet meer geleerd. Misschien kennen jullie de historie niet van het land waar je nu met geweld huishoudt. Ga de stad uit, zou ik zeggen, zoek de met bloed doordrenkte aarde even ten zuiden van Brussel.
Europa draagt als geen andere continent de sporen van de ontsporing van onze humaniteit. Er is een diep ingesleten weten dat er niets kwetsbaarder is dan onze vrijheid. En niets kostbaarders dan dat. Die vrijheid laat zich niet terugbrengen tot een leus. Het is een geleefde werkelijkheid, waardoor we zonder voorbehoud en zonder angst in de metro kunnen plaatsnemen. Vrijheid is de werkelijkheid waarin een samenleving in al zijn diversiteit tot bloei kan komen. Als je die vrijheid niet wilt, als je die diversiteit niet wilt of als jaloezie je tot doden aanzet, ga hier dan weg. Wij willen namelijk de wapens niet opvatten. Noch willen wij belegerde straten. Dat komt omdat onze vrijheid maar één wapen heeft. En dat is het woord. En dat willen we zo houden.

Dit blog is op 22 maart ook gepubliceerd op de site van nieuwwij.nl

Theater das Dich umhaut: Schiff der Träume

26 februari 2016 | Door | Geen reacties

Auf dem Mittelmeer fährt ein Kreuzfahrtschiff. An Bord ist eine Musikgesellschaft gerade dabei, den letzten Willen ihres verstorbenen Dirigenten auszuführen: noch einmal sein Musikstück Human Rights IV aufzuführen und dabei seine Asche in das ägäische Meer auszustreuen. Diese Handlung ist der Ausgangspunkt des Bühnenstücks “Schiff der Träume” des Deutschen Schauspielhauses aus Hamburg. Theaterregisseurin Karin Beier ließ sich von Fellinis Schiff der Träume (Originaltitel: E la nave va) leiten und zeichnet dadurch auf beschwingte Weise den tragischen Werdegang der Kunstelite in die Handlung ein. Denn gemütlich wird es nicht gerade auf dem Schiff! Konfrontiert mit dem Thema Tod und räumlich begrenzt durch die Reling des Schiffes, erweist sich das Leben als sinnlos und schwer zu ertragen. Nun der musikalische Leiter verschieden ist, kommen Zweifel auf. Gibt es überhaupt jemanden, den er wirklich geschätzt hat? Oder waren alle Menschen für ihn nur ein Musikinstrument, nur Material, das er in den Händen hielt? Glücklicherweise gibt es auch noch Frau Klein, Schiffsbesatzungsmitglied, die sich stotternd und unbeholfen durch ihre Arbeit schlägt. Sie plappert die philosophischen Binsenwahrheiten der Gäste nach, und deren schlechten Gewohnheiten und Wünsche aus, mit denen sie sich moralisch verwerflich machen. Wir, die Zuschauer dieses Bühnenwerkes, werden auf diese Weise in die schicksalhaften Begebenheiten auf dem Schiff mit einbezogen.

Dann kommen plötzlich fünf Afrikaner auf die Bühne gelaufen. Der Versorgungsoffizier an Bord erklärt, es sei ein Boot mit Flüchtlingen gerettet worden. Man hat sie auf dem Unterdeck einquartiert, sie werden niemanden stören. Das entwickelt sich aber anders. Die geretteten Passagiere lassen sich nicht aufs Neue auf das Unterdeck schicken. Im Theatersaal wird das Licht angemacht und wir, das Publikum, werden durch die neuen Passagiere behelligt. Fröhlich erklären sie uns, warum sie nach Europa gekommen sind. Wir sind zu Euch gekommen, um Euch zu helfen! All die Jahre habt Ihr uns geholfen, jetzt kommen wir zu Euch. Schaut doch mal, wie schwermütig Ihr geworden seid! Ihr schluckt wahrscheinlich Pillen, um besser schlafen zu können?! Wisst Ihr, dass Ihr gerade dabei seid, auszusterben?! Es werden ja pro Familie nur noch 0,8 bis 1,3 Kinder geboren. Wir sind da viel produktiver!Dann wird ein Quiz mit dem Publikum veranstaltet. Die Afrikaner mischen sich bedrohlich unter das Publikum. Der Saal, in dem sich vor allem die weiße Oberschicht aus Amsterdam aufhält, reagiert aufmüpfig! Die Tragik, wie sie sich gewöhnlich in einem Bühnenstück entwickelt, nämlich so, dass man sie als Publikum sicher und aus Abstand betrachten kann, ändert abrupt ihre Richtung. In gewöhnlichen Bühnenstücken braucht man als Zuschauer auch den

Niedergang des Helden nicht selbst zu erleben, sondern kann ihn aus sicherem Abstand beobachten. Selbst dieser Umstand, den das Publikum als Trost erfährt, ist nicht mehr gewährleistet. Und auch die Angst, in die man im Theater normalerweise ungefährlich und hemmungslos untertauchen kann, ist hier auf einmal gar nicht mehr so harmlos. Die Aufnahme der Flüchtlinge auf dem Schiff macht die Entdeckung und Entwicklung ganz neuer Beziehungsverhältnisse notwendig. Und in diesem Fall: auch ganz neue Kommunikationsverhältnisse im Theater! An der Vorstellung weißt sich aus, dass diese neuen Verhältnisse nicht einfach so vorhanden sind. Kurz vor der Pause haben die Flüchtlinge die Kontrolle über das Schiff übernommen. Nach der Pause fangen Sie mit einer quasi-intellektuellen Darstellung über die deutsche Kultur an. Als uns, dem Publikum, gerade auf witzige Weise ein Spiegel vorgehalten wird, fängt eines der Mitglieder der Musikgesellschaft das Oberdeck des Schiffes für sich zu beanspruchen. “Wir haben es gemietet, damit gehört es uns. ” Versuche, eine Brücke zu den Flüchtlingen zu schlagen, erreichen fast ihren Höhepunkt durch das Organisieren eines geselligen, multikulturellen Festes! Aber auch dabei handelt es sich nur um puren Schein. Denn sobald mitgeteilt wird, dass die Afrikaner in ein anderes Boot umsteigen müssen, lässt die Musikgesellschaft sie mit stillem Protest ziehen, der sich nur in ganz leisen Tönen gestaltet. Die Gesellschaft zieht sich in ihren eigenen Kreis zurück und taucht im eigenen Kreise ab in tiefgründige philosophische Gedankengänge über Solidarität und Nächstenliebe im Rahmen der eigenen Ohnmacht.

In diesem Teil der Aufführung wird schmerzhaft deutlich,   wie sehr eine intellektuelle Elite sich auf ihren eigenen Diskurs zurückziehen kann und in der Auseinandersetzung mit dem Fremden versuchen wird, diesen Diskurs nicht nur zu initiieren, sondern auch zu erhalten. Die deutsche Geschichte und Philosophie bietet genügend Anknüpfungspunkte, Humanität zu reflektieren und zuzusagen. Aber der Vollzug dieses Diskurses an sich wird den Flüchtlingen nicht helfen. Philosophie ist in erster Linie ein Kraftstoff, mit dem die Elite sich selbst erhält. Es geht ihr um sich selbst. Der einzige – schmerzhafte und unerträgliche – Gedanke, mit dem die Musikgesellschaft ihren Platz auf dem Schiff einfordert, wird daher auch nicht aus der Philosophie genährt, sondern durch das Argument, dass man das Schiff ja gemietet habe und dass es darum „unser Schiff“ ist. Aber die Logik und Legitimität dieses Arguments sind nicht stichhaltig. Einen Raum „mieten“ ist ja etwas anderes als einen Raum „besitzen“. In einem etwas breiteren Rahmen stellt die Theatervorstellung damit die Frage, was Europa eigentlich zu Europa macht. Inwieweit handelt es sich bei unserem europäischen Kontinent um mehr als nur eine Wirtschaftsgemeinschaft? Und warum will es uns einfach nicht gelingen, Europa von gemeinsamen Werten und der gemeinschaftlichen Geschichte her zu definieren und zu deuten.

Der Musikgesellschaft an Bord des Schiffes fällt keine andere Lösung ein als die Komposition Human Rights IV noch einmal neu aufzuführen. Sie sind ja auch Künstler, und nicht Politiker. Damit ist den Flüchtlingen aber nicht geholfen. Danach äußert Frau Klein in einem letzten Monolog noch einmal ihren Unmut, wie abscheulich sie doch die Kunstelite auf dem Schiff und uns als Publikum im Saal findet, während der Zustand des Schiffes sich langsam verschlechtert und es bald seinem sicherem Untergang entgegen gehe. Ganz zuletzt tritt sie ganz aus Ihrer Rolle heraus und sagt: „So. Dies war‘s. Nächste Woche ist der Nahe Osten an der Reihe. Das wird bestimmt auch eine Herausforderung. Aber ‚wir schaffen das‘“.

Übersetzung: Georg Naber

Ontregelend theater: Schiff der Träume

26 februari 2016 | Door | Geen reacties

Een cruiseschip vaart de Middellandse Zee op. Aan boord een muziekgezelschap dat de laatste wil van hun overleden dirigent gaat uitvoeren: nog één maal zijn compositie Human Rights IV ten gehore brengen en dan zijn as verstrooien op de Egeïsche zee. Het is de basis van het verhaal van de voorstelling ‘Schiff der Traüme’ van het Deutsches Schauspielhaus uit Hamburg. Regisseuse Karin Beier heeft zich laten leiden door de film E la nave va van Fellini en zet daarmee met lichte toon de tragische Werdegang  van de kunstelite neer. Want gezellig wordt het niet op het schip. In het licht van de dood en binnen de beperkte ruimte van de reling wordt het leven zinloos, zwaar en nauwelijks te dragen. Nu hun leider is gestorven slaan de twijfels toe. Wie is er eigenlijk echt door hem gezien? Zijn zij meer geweest dan een instrument in zijn handen? Gelukkig is daar Frau Klein, crewmember, die zich stotterend en onhandig door haar werk slaat. Ze echoot het filosofische geneuzel van de gasten, hun onhebbelijkheden en onmogelijke wensen. Als toeschouwer word  je meegenomen in de tragische gang van het gezelschap.

Totdat er plotseling vijf Afrikanen het toneel oplopen. De purser komt het uitleggen. Er is een boot met vluchtelingen gered. Ze hebben plaats gekregen op het benedendek. Men zal er verder geen last van hebben. Dat pakt anders uit. De geredde opvarenden laten zich niet meer naar beneden sturen. Het zaallicht gaat aan. Het publiek wordt aangesproken. Vrolijk krijgen we te horen waarom ze naar Europa zijn gekomen. Wij komen jullie helpen! Jarenlang hebben jullie ons geholpen, nu komen we naar jullie toe.  Zie eens hoe depressief jullie geworden zijn! Er worden hier pillen geslikt om in slaap te komen! Jullie zijn bezig uit te sterven! Er wordt per gezin nog maar 0.8 tot 1.3 kind geboren. Wij zijn productief!  Dan wordt er een kwis met de zaal ingezet. De Afrikanen komen het publiek in. De zaal – witte Amsterdamse elite schat ik zo in – reageert met ongemak. De tragische lijn van de voorstelling wordt abrupt onderbroken. De troost die je kunt putten uit het kijken naar het verval van de held wordt niet langer gevoed. De veilige angst waarin je je kunt wentelen heeft even geen plek meer. De entree van de vluchtelingen vraagt om het vinden van nieuwe verhoudingen. (en in dit geval: ook om nieuwe toneelverhoudingen) En die blijken er niet zomaar te zijn. Vlak voor de pauze hebben de vluchtelingen de macht overgenomen op het schip. Na de onderbreking starten ze met een quasi intellectuele verhandeling over de Duitse cultuur. Er wordt ons een hilarische spiegel voorgehouden, totdat één van de leden van het muziekgezelschap het dek komt opeisen. ‘Wij hebben het gehuurd, dus het is van ons’. Pogingen om een brug te slaan naar de vluchtelingen lijken even uit te monden in een gezellig multicultureel feest maar dat is maar schijn. Zodra de mededeling komt dat de Afrikanen in een andere boot moeten overstappen laat het muziekgezelschap hen gaan met een fluwelen protest; het keert in zichzelf terug en wentelt zich met diepgaande filosofische beschouwingen over solidariteit en naastenliefde in eigen onmacht.

In dit gedeelte van de voorstelling wordt pijnlijk duidelijk hoezeer de intellectuele elite zich terugtrekt in zijn eigen discours en in confrontatie met de vreemdeling tracht om dit vooral op orde te houden. De Duitse geschiedenis en filosofie levert genoeg materiaal om de humaniteit te doordenken en te waarborgen. Maar het voeren van dit discours an sich helpt de vluchtelingen niet. Filosofie is vooral de brandstof om de elite in stand te houden. Om zichzelf. Het enige pijnlijke en ongemakkelijke argument waarmee het gezelschap zijn plek opeist wordt dan ook niet gevoed door zijn filosofie maar door het argument dat ze het schip gehuurd hebben. Het is van ons. Maar de logica en de legitimiteit van dit argument heeft geen enkele grond. Er is een verschil tussen te leen hebben en bezitten. In bredere zin stelt de voorstelling daarmee de vraag wat Europa tot Europa maakt. In hoeverre is dit werelddeel meer dan een economische gemeenschap? En waarom lukt het niet om Europa in termen van gedeelde waarden en geschiedenis te definiëren en uit te leggen? Het muziekgezelschap kan niet tot een andere oplossing komen dan het stuk Human Rights IV nog maar een keer op te voeren. Ze zijn tenslotte kunstenaars en geen politici. Het zal de vluchtelingen niet baten. Frau Klein stort tenslotte in een laatste monoloog stort haar walging uit over kunstelite en publiek, terwijl het schip averij oploopt en zijn vernietiging tegemoet gaat. Op het laatste moment stapt ze uit haar rol ‘Zo dit was het. Volgende week doen we het Midden Oosten. Dat zal nog een uitdaging worden. Aber wir schaffen das’.

Laten we ophouden met die zelfbeschuldiging

26 januari 2016 | Door | Geen reacties

Nederland is geliefd bij de inwoners die er wonen. Maar zelden hoor je hier van trots. Dat hoort niet. We verwerpen het patriottisme van de Amerikanen en het chauvinisme van de Fransen. Wij zijn een land met een blik op de wereld. Wij zijn van binnen de dijken en we denken buiten de grenzen. Zeggen we. Als je je in dit land vestigt vertellen we je niet van de regels. Maar we houden de gordijnen ’s avonds wel open. Zodat je een beetje kan meekijken. Om zes uur eten we. Aardappelen. Niet aanbellen dan! Probeer het eens bij de koffie. We geven je ook nauwelijks de kans om Nederlands te leren. Nee, we komen je met Engels tegemoet. Dat is praktischer. Wij geven graag onze eigen cultuur op. Zeggen we. Wij zijn niet zo belangrijk. Maar pas je wel aan alsjeblieft. Doe vooral zoals wij.

Ik heb ooit een jaar in Frankrijk gewoond. Sindsdien vind ik Nederland een beetje raar land. Er kijkt altijd een buitenlander met mij mee. Toch ben ik blij dat ik hier geboren ben. Je zult in Rusland leven nu. Of in Saoedi Arabië. Brrr. We kennen hier democratie en een scheiding van machten. Je kunt hier vrij je mening uiten. Je bent hier veilig op straat. Er is weinig corruptie. Dat zoveel vluchtelingen nu onze kant opkomen kunnen we als een compliment zien. Rust, reinheid, regelmaat, vrede en veiligheid zijn kostbare goederen. Verontrustend is het dat het wereldwijd schaarse goederen worden. Maar even verontrustend vind ik onze geringe behoefte ze te beschermen. En mensen het verhaal te vertellen hoe we zover zijn gekomen in dit land. Hoe de geschiedenis van de verzuiling er toe heeft bijgedragen dat mensen maatschappelijk bewust werden en politiek actief. Hoe er tussen ideologieën en religieuze denominaties gestreden werd, maar het bestaan in de polder altijd een gezamenlijk doel had: te overleven en te leven.  Die geschiedenis maakt deze cultuur tot wat hij is. Het is geen ideale staat, noch een superieure cultuur. Maar wat ik bij de komst van de vele vluchtelingen maar niet wil begrijpen is dat wij in confrontatie met de andere culturele gewoonten en gebruiken onze imperfecties spiegelen. Manuela Kalsky doet dit ook weer in het theologisch elftal in reactie op de gebeurtenissen in Keulen. De aanrandingen daar worden in verband gebracht met onze white male supremacy. Onze eigen heteromannen zijn ook geen lieverdjes. Kijk naar Strauss-Kahn! Zo erg is het gesteld met ons. Vanwaar deze behoefte tot zelfbeschuldiging? Wij verkrachten niet in dit land. Net zoals we niet inbreken. En niet moorden. Punt. Dat is de norm. Voor de handhaving van de normen hebben we wetten geschreven. Voor het geval dat.

Het feit dat wij onszelf vaak tegenvallen – er wordt toch gemoord –  is geen reden om dit moorden en verkrachten te gaan begrijpen. Noch het in een andere religieuze of culturele context te vergoelijken. Dat haalt onze eigen culturele waarden onderuit. En dat is misschien juist wel het probleem waardoor het voor vluchtelingen lastig is in dit land. Wij zeggen niet wie wij zijn. We geven onszelf niet bloot. We komen hen tegemoet in een gelijke mate van schuld en imperfectie: Heus, wij zijn ook geen ideale maatschappij! Maar tegelijkertijd verkwanselen we ons tegoed: de openheid en de tolerantie, de vrijheid en kansen die je als individu hier hebt. Het zijn juist de waarden die mensen naar dit land doet verlangen. Ze zijn niet zomaar ontstaan. Ze kennen een lange geschiedenis. Er is vaak voor gestreden. Aan ons ze te vertellen. En ons te ontdoen van zelfbeschuldiging.

Gepubliceerd op de opiniepagina van Trouw, 26 januari 2016

 

Tijd wordt naakte schoonheid bij Finkers

3 januari 2016 | Door | 1 reactie

De aankondiging dat Herman Finkers de Oudejaarsconference zou gaan doen het afgelopen jaar deed mijn wenkbrauwen fronsen. Zou dit het genre zijn waaraan hij zich moest wagen? Het was de vraag die de cabaretier zichzelf ook stelde. Hij kon zich er op voorhand geen voorstelling van maken, dus begon hij er maar aan. Gelukkig maar. Op de drempel van 2016 hield hij de kijker een subtiele spiegel voor door de tijd stil te zetten en ons te laten kijken naar naakte schoonheid. En gaf ons lucht in een hijgerig bestaan.

Het was een verademing naar een cabaretier te kijken die geen deel uitmaakt van de grachtengordel, maar ook niet de pretentie heeft er boven te staan. En ook erg fijn: het ontbreken van scheldkanonnades die op het podium heel normaal schijnen te zijn, maar in gemeentehuizen bij de demonstraties tegen de komst van AZC’s weer niet mogen. In de conference van Finkers kwam de tijd langzaam tot stilstand. De stapels kranten op het podium, de zichtbare invulling van de tijd, kon aan het eind van het jaar worden weggegooid in de shredder van Van Miltenburg.

In de langzaam stilvallende tijd verbaasde Finkers zich over het gebrek aan diepgang in het publieke debat en de discussies die daar tot grote hoogte oplopen. Het zijn voor hem onbegrepen stormen, gespeend vaak van enige kennis, opgejaagd door de sociale media, gesprekstof voor de grachtengordel. Fijntjes vertelt hij tussen neus en lippen door de oorsprong van de Sinterklaasmythe, die in de Pietendiscussie nergens meer aan de orde komt. Het is symptomatisch voor onze tijd die hijgerig opinies najaagt, waarbij redelijkheid zonder diepgang de norm lijkt te worden.  Die redelijkheid wantrouwt Finkers. Het denken en daarmee de redelijke overtuiging hebben bij Finkers nooit het laatste woord. Ook de rede moet kritisch worden getoetst. Op dit punt introduceert hij in zijn conference zijn eigen religieuze overtuiging, maar deze heeft evenmin het laatste woord. Hij fileert geraffineerd de katholieke kerk, die leerstellig homoseksualiteit als tegennatuurlijk blijft zien. En wijst het instituut erop dat de zogenaamde heilsfeiten nogal tegennatuurlijk zijn. Na drie dagen opstaan uit de dood is natuurlijk zeker! En over water lopen! Religie is daarmee bij Finkers niet een alternatief voor het moderne denken. Het is de kritische bron van het denken zelf. En die bron laat zich – paradoxaal genoeg – uiteindelijk niet denken. Op briljante wijze maakte hij dat aan het eind van zijn conference duidelijk, wanneer hij aankondigt naar een gedeelte met diepgang te gaan.

Probleem met diepgang is dat kijkers waarschijnlijk massaal gaan wegzappen, terwijl uit ervaring blijkt dat waarderingscijfers stijgen. Om dit weglopen te voorkomen vertelt Finkers dat er een naakte vrouw op het podium zal verschijnen. De zaal lacht – je weet nooit met hem – en hij begint te vertellen van de eerste Europeaan, Benedictus van Nursia, wiens gedachtegoed aan het begin van de Middeleeuwen even wijd verspreid was als de Boeddha’s in onze huiskamers nu. Dan komt de vrouw op die zich langzaam ontkleedt. Ze toont haar prachtige lichaam, terwijl Finkers aan de hand van Benedictus vertelt over de imperfectie van de mens. Het beeld en de tekst van de voorstelling lopen nu uit elkaar, een incongruentie die het handelsmerk van zijn cabaret is geworden. Er blijft altijd een overschot aan tegengestelde betekenissen die zich niet in een redelijk systeem laten vangen. Benedictus leert ons nu, volgens Finkers, dat de wereld niet volmaakt is. Aan een volmaakte wereld zou je als mens niets kunnen toevoegen, je zou het leven in een dergelijke wereld ook als zinloos ervaren. Het enige wat ons te doen staat is kwetsbaarheid, zachtheid en schoonheid na te streven. De vrouw neemt vervolgens Finkers ten dans, in een kleine subtiele choreografie. Schoonheid vraagt om overgave. Ondertussen bekritiseert hij het kalifaat dat van vrouwelijk schoon niet wil weten, de dominee die meent dat er in de hemel niet wordt gezongen en Allah die niet van muziek houdt. Religiekritiek gaat hier hand in hand met de vanzelfsprekende vrijheid van de kunstenaar om een lichaam in zijn naakte kwetsbaarheid te tonen. Het is niet de kerk of de moskee, maar het open podium van het theater waar religie zich als basis van het denken kan manifesteren. Finkers zelf is op dat podium het kwetsbare instrument. Van ongekende klasse.

Dit blog is op 4 januari 2016 ook gepubliceerd op de site van nieuwwij.nl

De kracht van ‘Heimkommen’

13 december 2015 | Door | 2 reacties

De kerstcommercial van de Duitse supermarktketen Edeka is al meer dan veertig miljoen keer bekeken op YouTube. In één minuut en 47 seconden vertelt de clip  het verhaal van een alleenstaande man die al jarenlang tijdens de Kerstdagen van familie verstoken blijft. Om daar een eind aan te maken verspreidt hij onder zijn familie het bericht van zijn overlijden. De kinderen keren terug naar het ouderlijk huis waar tot hun verrassing de tafel is gedekt voor het kerstdiner. De kinderen staan verstijfd van schrik als de vader ineens uit de keuken opduikt. ‘Wie hätte ich euch denn sonst alle zusammenbringen sollen’, geeft de vader als verklaring.

Zo, in zeven regels verteld, lijkt het een plat verhaal. Maar bij nadere analyse zit de clip razendknap in elkaar. In de eerste 22 seconden wordt het leven van de man neergezet. We zien hem met boodschappen thuiskomen, op het antwoordapparaat klinkt de stem van zijn dochter, die hem met ‘pappa’  aanspreekt, de man is dus alleenstaand. Ze verontschuldigt zich ook dit jaar met Kerst niet bij hem te zullen komen.  ‘We proberen het volgend jaar, dan gaat het zeker lukken.’  ‘Fröhliche Weihnachten Opa!’ klinkt dan de vrolijke stem van een kleinkind. Ondertussen zien we de man worteltjes snijden, hij blijkt nog in staat zichzelf te redden, voor zijn eten hoeft hij dus ook niet onder de mensen te komen.  Een blik uit het raam geeft ons zicht op de buurman die zijn kinderen wél mag verwelkomen en zich waarschijnlijk niet echt om zijn buurman bekommert. De laatste drie beelden van deze 22 seconden tonen de man alleen aan het Kerstdiner, in drie verschillende outfits met drie verschillende kerstbomen. De boodschap is duidelijk: de laatste drie jaar heeft de man de Kerst alleen doorgebracht. Dan wordt het scherm zwart, het vermoeden rijst nu dat de man is overleden, maar dat wordt door de volgende beelden niet direct bevestigd.

De volgende zevenentwintig seconden laten ons de tegenovergestelde wereld van de man zien. Het is de hectiek waarin zijn kinderen leven, ook al weten we nog niet dat het zijn nakroost is.  We zien straatbeelden uit het Verre Oosten, een man loopt op straat, krijgt een berichtje op zijn mobiel, daarna beelden van een druk gezin, rennende kinderen, een moeder opent een brief, een dokter in een witte jas valt stil in een bespreking in een ziekenhuisgang. Dan zien we een glimp van de rouwbrief die de dochter inmiddels heeft opengemaakt. Wat we als kijker vermoeden wordt nu bevestigd: vader is overleden. Een zoon koestert de foto van zijn vader, misschien om zich te  overtuigen dat de man de moeite van een lange reis waard is, de dochter realiseert zich dat er geen volgende Kerst met haar vader zal zijn. Voor alle kinderen valt hun wereld stil. Ze pakken hun koffers en gaan op reis. In 50 seconden worden er zo twee werelden naast elkaar getoond, die elkaar nauwelijks nog raken. De dood is de enige manier waarop de hectiek tot stilstand kan komen. De ultieme wens van de vader:  niet alleen te zijn met Kerst en de familie harmonieus bijeen –  kan alleen worden bereikt door zijn eigen dood voor te wenden.  Door dit ook werkelijk te doen komt schrijnend de boodschap van de clip aan het licht: De stilte van de dood heeft nog de kracht om een beweging op gang te brengen, de stilte van de eenzaamheid blijkt te kunnen worden genegeerd. Bij aankomst bij het ouderlijk huis zoekt de familie troost bij elkaar. Dramatisch werkt de clip hier naar een hoogtepunt: het is de niet-gewilde reünie rondom de dode, het moment waarop je beseft dat de familie nooit meer compleet zal zijn, het moment ook dat de onvermijdelijke zelfverwijten klinken:  ‘hadden we niet….’  Bij binnenkomst is de vader opnieuw aan zet. Zijn dood blijkt een leugen te zijn, maar: ”hoe had ik jullie anders naar huis kunnen laten komen?’ In de laatste beelden zien we het kerstdiner dat sinds jaren niet zo gezellig is geweest. Er wordt hard gelachen. Gelukkig is er nog het laatste beeld van de zoon die weliswaar lachend zijn vader aankijkt maar zich ook af lijkt te vragen of hij deze actie geslaagd vindt.

De clip roept op YouTube een storm aan reacties op. Sommige mensen vinden het filmpje smakeloos, maar het overgrote deel blijkt geraakt. Binnen twee minuten wordt er dan ook een aantal indringende vragen opgeroepen: hoe ga je met je tijd om, denk niet dat tijd eindeloos is, hoe verhoud je je tot je ouders en niet te vergeten: in hoeverre mogen ouders hun kinderen manipuleren? En daaronder een meer brede vraag: wat betekent samen leven eigenlijk wanneer we het over samenleving hebben? Het bijzondere is dat de spot vanuit een commercieel bedrijf is gemaakt, maar een ideële boodschap heeft, die ik behoorlijk moralistisch zou willen noemen. En dan niet in de zin van de moraal voorschrijvend, maar wel: de moraal bevragend. Het is tekenend voor onze tijd dat een bedrijf dat doet. Een bedrijf is in morele zin onverdacht. Even ter vergelijk: hieronder het spotje dat de Protestantse Kerk in Nederland vorig jaar uitzond. Mooi gemaakt, maar het staat stijf van de politieke correctheid, daklozen, prostituées, homo’s hand in hand in de bus, een oude hulpbehoevende vrouw, ze zijn allemaal welkom in de kerk. Het spotje is dan ook niet meer dan een illustratie van “Komt allen tezamen”. iedereen is welkom in de kerk. Een boodschap die we al weten en die hier in beeld nog eens vet wordt aangezet. Het verhaal dat Edeka neerzet heeft een veel kritischer insteek: Komen we eigenlijk nog wel samen? En als we samenkomen: hoe doen we dat dan? Hebben we daar misschien een schijndode bij nodig? Dat is een behoorlijk harde boodschap die het bedrijf zich blijkbaar kan veroorloven. Van de kerk zou een dergelijk spotje niet worden geaccepteerd. Dat geeft te denken.