Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ferdinand Borger

Ik en jij

6 oktober 2015 | Door | 1 reactie

De afgelopen weken begeleidde ik een groep in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. We lazen het boek ‘Ik en jij’  van Marin Buber ter voorbereiding van drie kerkdiensten. Zondag 4 oktober was de eerste dienst. Ik schreef daarvoor onderstaand verhaal.

Onlangs bezocht ik de voorstelling ‘ Unser Dorf soll schöner werden’ een productie van de Müncher Kammerspiele in samenwerking met acteurscollectief Wunderbaum. De voorstelling was gebaseerd op een klein onderzoek dat zowel in Nederland als Duitsland had plaatsgevonden. In beide landen had men een aantal deskundigen uit verschillende beroepsgroepen uitgenodigd, en hen de vraag gesteld: wat is de transitie die onze maatschappij nu nodig heeft? Wat is de wezenlijke verandering die de samenleving moet ondergaan, wil deze toekomstbestendig zijn en duurzaam? De deskundigen werden met dit doel om tafel gezet, van een copieuze maaltijd voorzien en hun gesprekken werden opgenomen. Uit het materiaal van de twee bijeenkomsten uit beide landen ontstond de voorstelling. We keken naar een lange tafel waar vijf acteurs aan plaatsnamen. Beurtelings voerden zij het woord: o.a. een klimaatdeskundige, een manager en een ontwikkelaar van BMW. De insteek was hilarisch en komisch: er werd een voorstelling aangekondigd die zes uur zou duren en ‘ ohne Humor’, want in het Duits, maar al snel kreeg de beklemming de overhand. De manager stelde zich na een lange verhandeling over de ontwikkeling in haar vakgebied tevreden met de zonnepanelen die er werden geplaatst op de school van haar dochtertje en verder had ze het boeddhisme omarmd waar ze zich prettig bij voelde; de klimaatdeskundige gaf prijs hoe zij na de klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009 de werkelijke stand van milieu en klimaat bij haar had laten binnenkomen en begon minutenlang hysterisch te huilen. Gelukkig kon ik mij als trotse bezitter van een tweedehands Mercedes B, waar ik sinds mei in rondrijd nog even vastklampen aan het betoog van de BMW ontwikkelaar die een promotioneel praatje hield voor de BMW i3, een milieuvriendelijk model dat de wereld verlossing zou brengen. (Die Mercedes van mij is overigens een erg eenvoudig model hoor, sober uitgevoerd zonder cruise control of navigatie, ik wil mij natuurlijk niet te veel van jullie vervreemden) Na deze betogen begon een van de Duitse acteurs het verhaal van Noach te reciteren, ondersteund door orgelmuziek. De regisseur, Johan Simons, is van Gereformeerde Bondsafkomst en dat zouden we weten ook… Als in een Pavlovreactie kropen de acteurs onder tafel, bescherming zoekend, om daar na de fictieve zondvloed weer onder vandaan te komen. Ik kreeg buikpijn van wat ik zag. Akelige buikpijn. Waarom? Omdat er geen wezenlijk gesprek gevoerd werd, er geen contact was, er  geen communicatie plaats vond. Het leek in de taal die werd gebezigd om de taal zelf te gaan. De gesprekspartners stelden zich tevreden met de klanken die ze al kenden; de uitspraken die ze van elkaar verwachtten. De taal was reclametaal geworden, of taal die niet meer is dan de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie:  ‘Ik vind’, ‘ik voel’, ‘ik denk’… Alle woorden die gesproken werden konden even waar zijn als onwaar, losgekoppeld van de realiteit waarin ze ontstonden. En daardoor ook niet meer in staat om een blik op de toekomst te ontsluiten, juist datgene waartoe de mensen om de tafel waren gezet. We keken naar taal die zijn kracht had verloren en niet meer was dan leugenachtige reclametaal, niet meer dan betrekking hebbend op de persoonlijke beleving of de persoonlijk bevinding – zo denk ik erover hoor, dat zegt mijn gevoel, maar dat zegt verder niets over jou, of over de wereld, het is mijn mening maar. Hoe zou zich met deze taal nog iets van een perspectief op de toekomst ontwikkelen? Hoe zou, als de taal niets anders meer is dan een uiterst individuele expressie er nog sprake zijn van een gezamenlijkheid? Ik werd een bezorgde toeschouwer. En vroeg mijzelf af: Hoe kun je voorkomen dat we in het vacuum van betekenisloosheid terechtkomen? En hoe kun je vermijden dat we in dit manco aan perspectief, de angst ons niet bij de kladden grijpt? De angst voor de toekomst, de angst voor de ander, de angst voor het verliezen wat we hebben, de angst voor het ouder worden, de angst voor het pensioengat, de angst voor… vul maar in.

Het was een geluk om in deze weken met het ‘ik en jij’ van Martin Buber bezig te zijn, waar we ons, met de voorbereidingsgroep – en dat moet gezegd – ook doorgeworsteld hebben. Want Buber is niets van reclametaal, niets van de taal die enkel betrekking heeft op het persoonlijke. Buber is in de eerste instantie mystieke taal, waarmee je moet leren omgaan, taal die je op je moet laten inwerken en waarvan je de ruimte dient te verkennen. Maar wat heilzaam om te lezen, nu je in een voorstelling als ‘Unser dorf soll schöner werden’, het angstige vermoeden kunt krijgen dat de taal waarmee wij communiceren eindig kan zijn. En zijn kracht kan verliezen. Een zelfde gevoel trouwens dat mij overviel toen ik keek naar de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer dit jaar. Taal die meer beschadigt dan ontvouwt, meer vernietigt dan opbouwt. Het kan ertoe leiden dat we als eenzame vreemden tegenover elkaar komen te staan. Buber doet het tegenovergestelde. En zoekt, op een bijna archeologische manier naar onze oorsprong. ‘In den beginne is de relatie’ stelt hij. Buber plaatst daarmee een kanttekening bij het op het voetstuk zetten van het individu, dat zich misplaatst onafhankelijk waant. Het ‘ik’ als zodanig bestaat niet. We kunnen in ons onderzoek naar de mens, niet verder afdalen dan naar de relatie. De relatie is het grondprincipe van de mens. De mens is tweevoudig in zijn wezen, stelt hij. Maar de relatie is er niet een van knechting en onderdrukking. De relatie is niet vrijheid beperkend. Integendeel. De relatie is de ik en de jij die tegenover je staat. En tussen die ik en die jij ontstaat de ruimte, de tussenruimte. De ruimte is er niet zonder die ander, zonder die tegenover. Het ik gebeurt aan het jij, het jij gebeurt aan het ik. En die ruimte is de voorwaarde voor de werkelijk ontmoeting, voor het werkelijke gesprek. Over die ‘ jij’ die tegenover mij staat kan ik niets zeggen. Zodra ik op grond van vermoedens, van vooroordelen uitspraken over hem of haar doe, vernietig ik de ‘ jij’ al. Het enige wat mij als het ‘ik’ te doen staat is in de werkelijkheid van de ontmoeting te treden, het vooroordeel en oordeel op te schorten, zelfs de mens tegenover mij niet te beschrijven… en de relatie werkelijkheid te laten worden.

Voor Buber zijn al deze ik jij relaties die tussen mensen ontstaan, dynamische relaties. Ze bestaan niet op grond van wetten of regelmatigheden, ze hebben ook geen blijvende duur, ze laten zich niet vastleggen. Ze dienen zich steeds opnieuw aan en verdwijnen weer. Het is een komen en een gaan. Niemand kan ze vasthouden. Maar in de dynamiek van die relaties ontvouwt zich wel iets, waarvan Buber zegt dat het ons een zicht op de Eeuwige geeft. Kijken we verder, zouden we verder kunnen kijken, dan ontvouwt zich daar het zicht op God. En dat brengt ons bij het verhaal van Mozes vanmorgen. Bij die merkwaardige tussenruimte van die tent in de woestijn. Waar Mozes God ontmoet, van aangezicht tot aangezicht staat er, maar het aangezicht van God blijft verborgen. God praat met Mozes zoals een mens met een vriend praat. Het duidt op een gezamenlijk verleden al. God en Mozes zijn ook al een eind met elkaar onderweg. Nu het tot een volgende stap komt in de reis naar beloofd land, durft Mozes het aan, God te vragen meer van zich te laten zien dan hij al weet. Er is veel lef voor nodig om enkel op grond van een vermoeden te reizen. En hoe zou hij, Mozes, het volk kunnen overtuigen als hij zijn gesprekspartner niet heeft gezien. Is het niet het zien van het gelaat dat ons de betrouwbaarheid van een oordeel geeft? Is het niet de expressie van de ander, die ons in staat stelt af te wegen of degene tegenover ons zijn woorden zal nakomen en zich zal houden aan zijn beloftes? Mozes wil dit gelaat zien. Zo komt het tot een vreemde intimiteit. Juist in een gesprek van vrienden laat je de ander vaak de ander. Omdat je hem of haar niet wilt corrigeren, omdat je de ander accepteert zoals hij of zij is. Met zijn mooie kanten, met zijn nukken, ongemakken, onkunde. Maar het is in deze intimiteit dat Mozes verder durft te vragen. Hij maakt zich daarin kwetsbaar. Hoe beledigend kan het zijn om de vertrouwensvraag te stellen. Maar God gaat in op zijn verzoek. Deels. En maakt zich daarin even kwetsbaar en afhankelijk van deze mens, die het volk naar de toekomst zal leiden. Het gelaat van God zal Mozes niet te zien krijgen. Het zou alle ruimte tussen hen beiden vernietigen. Niet meer dan de achterkant van God zal zichtbaar worden. En God zelf zal met zijn hand Mozes beschermen. Zo blijft de ruimte tussen God en Mozes een verhulde ruimte. Buber stelt dat het de zoom van de mantel is die Mozes te zien krijgt, meer niet. Het is in deze behoedzame openbaring dat de mens niet wordt verpletterd en God zich niet laat toe-eigenen. Dat is heilzaam voor beiden. Er blijft een ik en een jij. Er blijft een ik en een tegenover. En het is in de openheid van deze ruimte dat er woorden kunnen klinken die vragen naar een toekomst. U zegt wel dat u met ons meetrekt. Maar mag ik er iets van zien?

In deze verhulde, mystieke ruimte, in deze ontmoeting tussen God en mens krijgen de woorden opnieuw hun waarde. En in het aarzelende en voorzichtige spreken hervinden ze hun betekenis of misschien beter gezegd: hier vinden we de oorsprong van hun betekenis. Het komt er dus op aan onszelf toe te staan telkens opnieuw naar die betekenis op zoek te gaan. Het dunkt mij dat we dat het de essentie is van datgene wat we hier doen. We onderzoeken de betekenis van het Woord, we onderzoeken waarin wij ons ten diepste aangesproken weten. In dat onderzoek worden we bij onszelf weggehaald. In de relatie tot het ‘jij’ komt er misschien wel een ander ‘ik’ aan het licht. Of een gedeelte van het  ‘ik’  dat ik niet kende, dat nog nooit is aangesproken, nog nooit is wakker geroepen. Je overgeven aan het gebeuren van de ontmoeting gaan dan ook verder dan de afspraak die wie erop nahouden met betrekking tot de liturgie. Het gaat ook veel verder dan het gezamenlijke akkoord dat we onderschrijven waarop wij elkaar hier ontmoeten, waarvan wij met elkaar hebben afgesproken wat de norm is. Wat wij normaal vinden en iets minder normaal. Of acceptabel en niet acceptabel. Of je Jezus moet zeggen of Christus of Messias. Of je Oosterhuis moet zingen en niet Johannes de Heer, het gaat allemaal daaraan voorbij. Het ik treed in de open ruimte en tast door middel van het kijken, door middel van de taal, door middel van de stilte naar het jij. En het jij reikt naar het ik. Het is een oefening.

Ik zou bijna zeggen – en dat past wel in deze kerk – ook een oefening als protest. Als een broodnodig hervinden van de taal en van de ander. Als een geestkracht die de taal niet betekenisloos laat worden. Als een signaal naar de politiek waar vluchtelingen ‘testosteronbommen’ worden genoemd. De ruimte tussen het ik en het jij heeft misschien wel de afspraak nodig of een wet die de ruimte beschermd en kan laten ontstaan. De ruimte tussen het ik en het jij kan gebaat zijn bij de routine van een ritueel. Maar nooit heeft die afspraak het laatste woord. Zij is voorwaarde, meer niet. Zoals een feest zich wel laat organiseren, maar het feest vieren niet. Laten we ons aan dat vieren overgeven.

Broedermoord

16 augustus 2015 | Door | Geen reacties

Ik zit in de auto op weg naar Moulins, de weg is bochtig en vraagt aandacht, er is weinig verkeer. Vorige week heb ik bijna een fatale botsing veroorzaakt. Het lege landschap leidt tot luiheid en maakt dromerig, ik ben dus op mijn hoede. De laatste dagen wordt het land groener, maar daar valt niet veel van te zien nu. De schilder Willink doseert met zijn magisch realistisch penseel het licht en stuurt het naar de spaarzame plekken die hij wil. Straks zal ik ontdekken dat Anton Pieck voor een deel van het centrum van Moulins heeft getekend maar dat weet ik nu nog niet. Ik heb mijn caravan op slot gedaan en ben de Romaanse Kerk uitgegaan die ik er de laatste dagen heb gebouwd. Ik heb de deur met een klap achter me dicht gegooid, een vrouw van vierenzeventig en een jongen van twintig achterlatend. Zij maakt deel uit van een groep bewoners van een vergrijsd dorp in de Alpen, hij is een van de twee laatste jongeren van dat dorp. Twee broers, verknocht aan elkaar, beloftes voor de toekomst en een levensverzekering voor de gemeenschap. Maar ook: rivalen, de jaloezie broeit al jaren tussen de twee en maakt hun leven onrustig en grillig. Vier dagen geleden is gebeurd wat al lang werd aangekondigd: de oudste, Jean, heeft de jongste in de kerk vermoord. Hij is de bergen ingevlucht maar het dorp hoopt op zijn terugkeer. Niet om hem te berechten, wel om met hem de toekomst van het dorp alsnog veilig te stellen. Er is een stil weten in deze gemeenschap – waar goedheid en liefde met hoofdletters wordt geschreven – dat deze enkele moord kan leiden tot een spiraal van geweld en tot een ultieme vernietiging. Om dat te voorkomen hebben ze een wacht ingesteld in de kerk. De jongen moet bij zinnen worden gebracht.

Ik heb eerst de vrouw de kerk binnengelaten en haar wachtend neergezet tussen de resten van de beelden die de misdaad niet hebben overleefd – Jean is als een wilde tekeergegaan – daarna heb ik Jean, moe en onverschillig, laten terugkeren naar de plaats van het delict. Het leidt tot een moeitevol gesprek. De jongen heeft het overleven in zijn lijf en drijft na zijn wilde omzwervingen op golven van cynisme, de vrouw vindt haar motieven ergens tussen eigenbelang en naastenliefde. Soms stokt de conversatie dagenlang tussen de twee. Soms ook neem ik plaats op het geschonden altaar en vertel waar het volgens mij heen moet. Vandaag heb ik ontdekt hoe de vrouw een bres kan slaan in het cynisme van de jongen, maar daarna is het zwijgen ingetreden. Ze weigeren mijn idee over afloop, toenadering, verzoening of hoe je het ook maar noemen wilt over te nemen. Gevraagd naar hun weigering verklaren ze mij een zeur te vinden. Ik verlies mijn geduld, roep dat ik hem te koppig vind en haar te zacht, maar ook dat leidt tot niets, ze horen mij zwijgend aan. Als ze na aandringen meegaan in mijn gedachte – enkel om mij te plezieren – spreken ze mij slaafs na. Ik hoor de echo van mijn eigen woorden. Het irriteert me. Deze scene heeft geen kloten hoor ik een toneeldocent roepen. Hij heeft gelijk en ook dat irriteert me. Vanmiddag was de maat vol en besloot ik om hen achter te laten in de kerk. Ik rij nu naar Moulins. Ik zet mijn auto in een parkeergarage en loop het stadje in. Daar zie ik tot mijn verrassing dat niet alleen Pieck voor de popperige vakwerkhuizen heeft getekend, maar ook dat Reve in de kathedraal een Matroos heeft achtergelaten. Hij zit halverwege de kerk in een bank, heeft een baard en een Bretonse trui en sombert voor zich uit. Door zijn vingers glijden de kralen van een rozenkrans. Ik wil met hem spelen en hem meenemen naar het licht, weg uit dit sombere godshuis, maar ik doe het niet. Als ik ’s avonds laat terugkeer, tref ik de jongen en de vrouw aan in mijn kerk. De situatie is veranderd. De vrouw staat achter de jongen. Hij heeft zijn bovenlijf ontbloot en zij smeert met rode aarde vegen over zijn hartstreek. Ik vraag naar de betekenis van het tafereel. De vrouw vertelt dat dit teken de jongen zal beschermen. De dood van zijn broer zal niet op hem worden gewroken, hij gaat als moordenaar vrijuit. De jongen heeft zijn cynisme laten varen, de vrouw weet hoe ze haar liefde kan tonen. Met ontroering sla ik het intieme tafereel gade, ik ben de eerste die het ziet. Ik voel mij teveel. Ik bedank de jongen en de vrouw en sluip dan de kerk uit. Zachtjes. Ik zoek mijn bed op en val in slaap. De Matroos heeft de kathedraal op eigen kracht verlaten, loopt door de straten van Moulins en is naar mij onderweg. Willink heeft hem het licht gegund.

Dimanche

11 augustus 2015 | Door | 1 reactie

Neergestreken in de Alier, de noordelijke Auvergne. Ik heb me een aantal weken teruggetrokken om te schrijven zoals echte schrijvers dat ook doen. Ik voel me dus een echte schrijver. Dit deel van Frankrijk is wat je rustig: prikkelarm mag noemen, nauwelijks toeristische activiteiten, geen dampend en uitdagend seksleven voor wie dat mocht zoeken, maar rust en de daarbij horende vergrijzing. Het dorp waar ik verblijf,  Buxieres-les-Mines, heeft nog een kerk, supermarkt – een kruidenier die de overgang naar zelfbediening nog niet helemaal heeft verwerkt – , een bakker, een heuse traiteur en een cafe naast de kerk. Met mijn verblijf hier heb ik mij ten doel gesteld om dat alles een beetje in stand te houden, voor zover binnen mijn mogelijkheden natuurlijk, en dat verplicht mij tot een dagelijkse dorpsronde. Na veel denk- en schrijfwerk, dat ik na een aantal herlezingen kan loslaten – teken dat de tekst rijpt – loop ik in de middag naar de supermarkt, waar ik geen onbekende meer ben. Ca va? vraagt de vrouw bij binnenkomst. Ze draagt een merkwaardige bermuda met blauwe schoenen eronder – ik weet niet waarom mij dat opvalt. Oui, ca va, roep ik terug, mijn Nederlandse ik fluks en arrogant inruilend voor mijn Franse ego. Et vous? Bien merci. Vous profitez de la region? vraagt ze. Mais non, zeg ik, je travaille ici! Je suis en train d’ ecrire. Un livre. Dat laatste verduidelijk ik maar even om aan te geven dat ik met niet zomaar een project bezig ben. Ze moet niet denken dat ik hier maar wat loop te lanterfanten. Sterker nog: zij is met haar winkel in dit project betrokken. Dit gehele Franse platteland met alle rust die daarbij hoort produceert hier een boek. Waarvan akte. Ik reken af, klets nog wat over de lastige een-en-twee-cent-munten die we in Nederland al lang hebben afgeschaft en die ik bijgevolg ook niet meer kan vinden – ils ont raison, les Hollandais! – en loop via de bakker door een steeg naar het kerkplein. Ik ga het cafe binnen waar ik een bier bestel, grijp mis naar Le Monde, uitverkocht volgens de barvrouw, en neem plaats op de plastic stoelen voor het cafe. Ik overzie het kleine plein. Tegenover mij staat een grauw huis te koop, dat slechts weinigen tot aanschaf zal verleiden. Rechts daarvan een wit huis, authentiek afgebladderd zullen we maar zeggen, met een lege spiegelende etalage. Ook het cafe heeft zijn beste jaren gehad. Ik kijk rond en nog eens rond. Het doet me allemaal niets. In vorige, gelijke omstandigheden had de confrontatie met dit verval en achteruitgang tot grote beschouwingen geleid over de leegloop van het platteland, de aantrekkingskracht en de verleidingen van de stad of tragiek in het algemeen. Maar nu doet het me allemaal niets. Het staat hier gewoon leeg te zijn. En oud. Misschien valt het wel een keer om. Ook dat doet me niets.

Dat komt door afgelopen zondag. Een katholieke vriend, bij mij op bezoek, wilde naar de mis. Om elf uur. Ik wilde ook, maar ging niet, bang om op mijn protestantse ziel getrapt te worden bij een eventuele weigering van de communie, bang ook om mij voor het gebeuren te generen. Mijn vriend ging dus alleen. Na een uur liep ik naar het dorp om hem op te halen. Ik verwachtte op het kerkplein een paar oude kerkgangers aan te treffen. Niet meer dan vier of vijf. Dacht ik. Want zo gaat dat op het Franse ontvolkte platteland. Dacht ik. En zo gaat dat in een moderne seculiere maatschappij. Dacht ik. Mais non. Het kerkplein stond vol met van alles. Kerkgangers. Jong en oud, over het algemeen goed gekleed en bovenal: vrolijk, aanstekelijk vrolijk. Mijn vriend trof ik op het terras. Onder de indruk. Je hebt wat gemist zei hij, en dat zag ik: ik had wat gemist. Hoewel hij er weinig van begrepen had, was hij gegrepen door de communicatieve vaardigheden van de pastoor. En door de vrouw die in haar eentje alles gezongen had. En door de gemeenschap die de mensen met elkaar vormden. Waarschijnlijk  ‘Chemin Neuf’, een beweging van charismatische vernieuwing, met nadruk op de Geest, verklaarde ik snel. De theoloog in mij kon het duiden niet laten en trachtte zijn afwezigheid door betweterigheid te compenseren. Even later kwam de pastoor naar buiten, een vriendelijke vent. Open. Geinteresseerd. De meeste aanwezigen bleken voor een doop te zijn gekomen die nu zou plaatsvinden. Midden op het plein sprak hij de vader en moeder aan, vroeg hoe het kind zou gaan heten en vroeg naar de peetouders. Daarna nodigde hij ze uit weer de kerk in te gaan. Ik snapte het enthousiasme van mijn vriend. Even later hoorden we de vrouw haar zang hervatten, hoorden we de stem van de pastoor de doop uitleggen en vertellen hoe belangrijk het is om de Geest van Christus in je leven toe te laten.

Het komt dus door zondag dat ik anders naar dit plein kijk. Ik zie de mensen weer staan. De blijde familie. De losse en informele sfeer, de vrolijkheid. Het welkome kind. Ik drink mijn bier op en loop de kerk binnen. En zie dat de Geest tot mijn grote geluk een spoor heeft achtergelaten. Vast voor recalcitrante protestanten. Ik pak mijn fototoestel. Pas na tien pogingen leg ik hem vast. Verdomde Geest.

De taal van stilte

30 september 2013 | Door | Geen reacties

Sinds ik eind jaren negentig stopte met mijn werk als predikant in een kerkelijke gemeente werk ik als zelfstandige zonder personeel. (ZZP-er). (De kerk wist niet anders dan me bij deze wijziging van de staat des levens de titel ‘emeritus’ toe te voegen en dat in de kracht van mijn leven, maar dit geheel terzijde…) Als iedere ZZP-er ben ik afhankelijk van losse opdrachten. Om te zorgen dat er genoeg werk binnenkomt moet er genetwerkt worden en dat betekent dat je regelmatig je gezicht moet laten zien op recepties. Ik zal er geen geheim van maken: ik houd niet van recepties. Het gaat er vaak wat valsig aan toe. Het is zien en gezien worden, er wordt gedronken en gebabbeld, in de lucht gezoend en aan elkaar geroken. Ondertussen wordt er gehengeld naar nieuw werk, passeren er leuke bestuursfuncties, worden ideeën uitgewisseld – en als je niet uitkijkt: gestolen – en zeker niet onbelangrijk: er wordt vooral gezocht naar gelijkgezinden. Bij de laatste Nacht van de Theologie, ook zo een snuffelbijeenkomst, zou ik een gesprek aanknopen met een theoloog Eerste Kamerlid, maar plots was daar een theoloog die een prinselijk paar had getrouwd. Ik kon het veld ruimen. Soort zoekt soort en theologen: het zijn net mensen.
Al het gebabbel op die recepties is bij nader inzien dan ook iets minder onschuldig dan het lijkt. Het is een methode om te selecteren, af te grenzen en uit te sluiten. En taal is daarbij het meest gebruikte selectiemiddel. Nu denk ik dat vooral protestanten dit selectiemiddel behendig weten te hanteren. Dat komt omdat alles in de protestantse kerk door taal wordt uitgedrukt. Alleen doopwater, brood, wijn, paaskaars en sinds kort: bloemschikken vervangen mondjesmaat het gesproken woord. Taal vormt de hoofdmoot van de protestantse communicatie. En die taal is weer, al naar gelang geloofsrichting, aan beperkingen gebonden. Gelooft de voorganger in Jezus Messias of in Jezus Christus? Protestanten kennen als geen ander de taalnuances en vormen op grond daarvan hun oordeel. Alle protestantse kerkscheuringen zijn dan ook ten diepste taalscheuringen. Zelf kreeg ik er een keer flink van langs toen ik was voorgegaan in een jeugddienst. Na afloop constateerde een oudere mevrouw op grond van mijn preek dat ik ‘Jezus niet in mijn hart had, want ik had zijn naam niet genoemd.’ Het deed haar verdriet en ze glimlachte erbij. Zij kende Jezus wél, zei ze. Ik was uit het veld geslagen, al had ze feitelijk gelijk. Jezus past niet in mijn hart, daar is Hij te groot voor.
Met taal geeft een mens iets van zichzelf prijs. Dat is waar communicatie nu eenmaal om draait: iets van jezelf meedelen in de hoop op een reactie van de ander en als het even meezit: herkenning. Maar soms is die herkenning er niet en vormen je woorden onverwacht de voedingsbodem voor een bijtend oordeel van de mens tegenover je. Zo kwetsbaar is communiceren. Een enkel woord kan ons van elkaar doen verwijderen. Menig familieruzie begint met één onhandig uitgesproken zin. De mededeling ‘u zit op mijn plaats’ kan een nieuwkomer in een kerk doen besluiten het gebouw niet nog een keer binnen te gaan.
Toen ik voor mijn boek ‘Hemelse Oorden’ een aantal jaren geleden voor het eerst in stilte in een klooster verbleef was deze stilte in eerste instantie: de afwezigheid van taal. Ik herinner me nog het moment dat ik plaatsnam aan een lange tafel waar een veertiental mensen in stilte de maaltijd nuttigde. Het voelde onhandig, dit verplichte zwijgen. Ik wilde kennismaken met mijn buren, ik wilde weten wat ze deden in het dagelijks leven en wat hen naar het klooster dreef. Bij gebrek aan taal verzon ik zelf maar wie ze waren en wat ze deden. Zo schiep ik in gedachten mijn eigen vertrouwde wereld, die bij nader inzien natuurlijk niet bleek te kloppen. Het bracht mij in verwarring. Waar was dit onhandige, in stilte langs elkaar schuiven van mensen op de gangen goed voor? Waarom alleen maar die minzame knikjes ter begroeting? Ik kwam er niet achter. De stilte leidde niet naar God, hoezeer ik daar ook naar zocht.
Pas onlangs, toen ik opnieuw een aantal dagen in de stilte van een klooster verbleef, werd ik mij bewust van de eerste functie die de stilte heeft. De stilte stelt het oordeel uit. Juist door niet praten, juist door je geen mening te vormen naar aanleiding van de woorden van de ander. Juist door het zwijgen, kan die ander naast je plaats nemen aan tafel. We zijn niet afhankelijk van wederzijdse goedkeuring of instemming. Om het vroom te zeggen: het is de Ander die ons nodigt en ruimte geeft. De stilte waarborgt de ruimte voor elkaar, waar onze taal en ons spreken misschien zomaar een rangorde in plaatsen zou hebben aangebracht. Nu schuif ik af en toe een kerkbank in en ga zomaar stil naast iemand zitten. En als er dan niemand mijn plaats opeist, dan vermoed ik dat dit een plek is waar ik misschien wel zou willen blijven. Het wachten is nu nog op stille recepties.

Het verhaal en de dingen

15 maart 2013 | Door | Geen reacties

Ik verhuis. Niet ver. Maar twintig meter. Naar het huis aan de overkant. Maar toch: ik verhuis. Het is tijd voor een grote opruiming. Heel veel verhuist niet mee. Ik open de kasten en onderwerp alles aan een kritische blik. Ik probeer me niet te hechten aan de dingen die ik al jaren niet mis. Dat gaat goed totdat de zolder aan de beurt is met dozen die ik tien jaar niet heb aangeraakt. Ik sleep ze naar beneden en daal af in mijn geschiedenis. Ik vind werkjes van de lagere school, agenda’s die ik jarenlang als dagboek heb gebruikt en volgeschreven in mijn puberteit. En daarnaast de nutteloos geworden dingen, meubeltjes waarvoor geen plek meer was, kleren die uit de mode raakten en dan ook nog de spullen die ooit nog eens van pas zouden komen. Dat laatste is tot nu toe niet waar gebleken. Ik heb onder een zolder gewoond met dingen die ik niet heb gemist. Maar nu, bij het aanstaande afscheid overvalt mij een onthechtingsangst. Alsof ik iets van mijzelf ga weggooien, dat niet meer zal terugkeren. Besluiteloos sla ik tussen de dozen aan het mijmeren. De mens heeft een rare verhouding tot de dingen. Althans: de westerse mens. We omringen ons met zaken die we zelf voortbrengen. Noodzakelijk als stenen van een huis die ons in staat stellen om te overleven; praktisch als wasmachines die ons werk uit handen nemen; statusverhogend als het grote televisiescherm dat ons aanzien verschaft. We flirten met de dingen, met onze mobiele telefoons en mooie auto’s. Ze vervangen soms wat ons zelf aan schoonheid of aanzien ontbreekt. Ze compenseren een vermeend tekort. En soms verschuilen we ons tussen de dingen en leven teruggetrokken in onze beveiligde huizen. Omdat de dingen om bescherming vragen en onze rijkdom een muur vereist. Een mens kan achter dingen verdwijnen.
Maar de dingen roepen ook herinneringen op. En verhalen. En terwijl ik mij opnieuw aan het sorteren zet, merk ik dat daar mijn angst ligt: ik ben bang met de spullen de verhalen weg te gooien. De schooltekening van vroeger roept de geur van het klaslokaal op, van de lichtval in de lente, van het zomerfeest op de speelplaats, van mijn moeder die pannenkoeken bakte. De asbak van klei was het vaderdagkado toen vaders nog pleegden te roken. Het postzegelalbum doet mij terugkeren naar mijn buren die van verzamelen hun levensdoel hadden gemaakt, wat zich aan de inrichting van hun huis deed aflezen. Het zijn gestolde herinneringen geworden en deel van een kleine geschiedenis. Diezelfde avond nog sleep ik veel van mijn spullen de straat op, de volgende dag wordt het grofvuil opgehaald. Mijn vader is komen helpen. Ik draag de grote spullen, hij de kleine. Ooit was dat andersom, droeg hij het zware werk en liet mij als kleine jongen de lichte dingen dragen. En voelde ik me groot. We zetten de spullen op de parkeerplaats van de hof. Daar is het al snel een komen en gaan van opkopers, oud ijzerzoekers en mensen die spullen zoeken voor hun huis. Twee jonge vrouwen pikken met een bestelbus de levensgrote spiegel op die ik aan de weg heb gezet. Een van de vrouwen blijkt de dochter van de buurvrouw zes huizen verderop te zijn. Zij komt haar huis uit en knikt goedkeurend. Ik hoor Spaans praten. Ze komt uit Chili vertelt ze en woont al veertig jaar in Nederland. Een man rijdt met een kleine auto voor en knipt het koperdraad uit een afgedankte koelkast. Er komen nog vijftien auto’s weet hij te vertellen. Hij scharrelt al vijf jaar ’s avonds langs het afval en haalt elke dag tien euro op. Zo verdwijnen de spullen grotendeels naar nieuwe eigenaren en verbinden zich opnieuw met verhalen. Andere verhalen. Ik loop met mijn vader terug naar mijn huis. In de kamer staat een tafeltje, dat mijn ouders met hun huwelijk kochten. Ik gebruik het al jaren niet meer, maar aarzel om het aan de weg te zetten. Waarom zou je het bewaren, vraagt mijn vader. Uit nostalgie? Niet doen. Ook het tafeltje verdwijnt naar de straat. Ik keer terug in een nagenoeg leeg huis. Het tafeltje zal ik niet nodig hebben om aan mijn ouders te blijven denken. Het verhaal kan zonder de dingen. En natuurlijk, veel van al die kleine verhalen verdwijnen in de vergetelheid en gaan onder in de vergankelijkheid van ons bestaan. Het wegdoen van spullen is dan ook: onder ogen moeten zien dat er maar weinig is dat blijft. Maar het kan ook een oefening zijn om de kracht van een verhaal op de proef te stellen. Kan het verhaal werkelijk zonder de dingen? Soms zingt een verhaal zich los en wint – losgezongen van de materie – alleen maar aan invloed en betekenis. Het Evangelie is é&eacuteln van die grote verhalen, dat zich zo onder ons heeft verspreid. En dat zich langs wegen en generaties, soms op de afvalpunten van ons bestaan, verbindt aan tijdelijke eigenaren. Die één ding weten: dat ze iets hebben ontvangen, dat ze nooit zullen bezitten.

Niet alleen

14 september 2012 | Door | Geen reacties

Het gebeurde zo maar op een dag dat het hoofd vol woorden zat. Langzamerhand waren ze binnengeslopen door het schrijven aan een boek. Ze hadden hun plek veroverd en leken niet meer weg te willen. Ik moest afstand van ze gaan nemen, het hoofd leeg laten waaien.
Er moest plaats gemaakt voor nieuwe gedachten. Ik besloot van Vlissingen naar Parijs te fietsen. Een fysieke inspanning zou wonderen doen. Dat klopte. De natuur hielp mee. Op het vlakke Vlaamse land stak een forse tegenwind op. De zon verdween, de wolken werden grijzer, dichter en zwaarder. Het grauwe IJzermomument bij Diksmuide prikte de al even grauwe wolken open. Hemelsluizen waren het, die voor drie dagen hun deuren openstelden. Het land werd nu elke dag troostelozer en mijn fietstocht ontaardde in een spreekwoordelijk gevecht met de elementen. Toch wilde ik door. Frankrijk heeft altijd iets van thuiskomen voor mij. Ik heb er ooit gewoond. Ik wilde terug naar thuis. Maar het Franse land wilde mij niet zo maar omarmen. In het stadje Saint Omer schrok ik van het verval en de leegstand en de zichtbare armoede van de bevolking. Het leven oogde ruw. Ik stapte een cafë binnen en las de krant. De weersvooruitzichten bleken gunstig. Op zondag zou de zon gaan schijnen. Dat gaf hoop. Als alles meezat, zou ik aan de kust zijn dan. Ik dacht mijzelf al met een boek aan zee.

Het zat mee. Op zaterdag vond ik een camping niet ver van zee. Op zondagochtend brak de zon door. Met boek en zwembroek haastte ik me op de fiets naar het strand. Op een kruispunt stonden een man en vrouw langs de kant van de weg. Ze hadden fietsen met platte banden. De man riep naar mij. ‘Die wil ik’ en hij wees op mijn fiets. Ik lachte, zei dat ik mijn fiets zeker tot aan Parijs nodig had en deze niet zomaar kon afstaan. De man hield vol. Ik stapte af. Hij bleek mijn pomp te willen lenen. Ik knielde naast zijn fiets, bekeek de band en zag dat het ventiel niet paste. ‘Je suis desolé’, zei ik, ‘het spijt me, ik kan u niet helpen.’ De vrouw keek mij aan en zei: ‘Weet u waar dat woord vandaan komt, desolé? Dat komt van seul: alleen, eigenlijk zegt u dat u alleen bent nu’. ‘Ik ken de betekenis’, zei ik, ‘ik heb in Frankrijk gewoond voor een stage. Op de eerste dag van mijn komst hier liet een vrouw mijn nogal wanordelijke onderkomen zien en riep luidkeels ‘je suis desolée! Ik begreep dit Frans nog niet en probeerde het woord te herleiden. Zou desolé misschien van desolaat komen? Verlaten? Bedoelde de vrouw dat ze alleen was? Zou haar man bij haar weg zijn? Moest ik wat doen? Ik voelde me verlegen en onthand. Later begreep ik dat ze zich had verontschuldigd voor het smerige appartement.

De vrouw keek mij opnieuw aan, nu meer observerend. ‘U houdt van communiceren’, zei ze, ‘dat zie ik aan u’. ‘Ja’, zei ik, ‘dat hoort bij mijn beroep’. ‘Nee’, zei ze, ‘het is meer dan dat, u wilt wat vertellen, dat ziet u als uw taak, als een noodzaak’.
Toen volgde er een gesprek waarvan ik de inhoud niet meer weet. Dat komt omdat ik het gevoel had dat de vrouw mij kende en dingen van mij wist die ze niet kon weten. Het leek alsof ze zomaar antwoord gaf op vragen die met mij meereisden. Vragen die ik me bij de striemende regen en tegenwind had gesteld. Vragen of ik wel de goede keuzes maak nu ik ouder word en de tijd schaarser. En of het wel zinvol is je om je leven te willen wijden aan kerk en kunst. Al die vragen kende zij niet. Het gesprek overrompelde, ontroerde en duurde niet langer dan tien minuten.
‘Weet u’, zei de vrouw, ‘volgens de Franse etiquette moeten wij nu ook onze spijt betuigen dat u niet kon helpen. Nous sommes desolés aussi’. ‘Dat is niet waar’, zei ik, ‘het kan niet zo zijn dat wij door dit gesprek alle drie meer alleen zijn geworden. Integendeel zou ik zeggen’. ‘U heeft gelijk’, zei de vrouw, ‘dit was een bijzondere ontmoeting’. ‘Dat vond ik ook’, zei ik. We namen afscheid en wensten elkaar een mooi leven toe. ‘Que Dieu vous bénisse’
Op het strand las ik mijn boek en de dagen daarop fietste ik naar Parijs. In de zon. Met het gevoel gekend te zijn door een onbekende. En helemaal niet meer: alleen.

Kruisbeeld op de rommelzolder

7 november 2007 | Door | Geen reacties

Theo Maassen likt aan een Christusbeeld in de cabaretvoorstelling die tussen kerst en oud en nieuw werd uitgezonden op t.v. Reden voor Henk Veltkamp om het eerste nummer van Woord en Dienst de televisie uit te zetten. (Woord&Dienst 1/2007) Ik bleef kijken. Het fascineerde mij. Maar waarom?

De opzet van de voorstelling van Theo Maassen is even simpel als doeltreffend. We zien de cabaretier onhandig en slungelig voor een grote hoeveelheid rommel, de inboedel uit het huis van zijn ouders die beiden zijn overleden. Ogenschijnlijk betekenisloze spullen voor de toeschouwer, maar zaken van belang voor de cabaretier. De dingen roepen stuk voor stuk individuele herinneringen op, die hij ons deelachtig maakt in korte vertellingen. Ze vormen de bouwstenen van de conference. Door deze vertellingen laat hij ons anders naar de rommel kijken. We beschouwen deze niet meer achteloos, maar leren ze kennen als waardevolle voorwerpen die deel uitmaken van zijn leven. Zo spiegelt hij ons het proces dat op kan treden wanneer je het huis van een overleden dierbare opruimt. Je omgang met de spullen is een bedachtzame en omzichtige, er zijn momenten dat je ineens stilstaat bij gebeurtenissen die je allang vergeten was. Er komen elementen uit het leven van je dierbare aan het licht die je nooit hebt geweten of die je nooit hebt mogen weten. Het voorwerp is meer dan een voorwerp. Het roept een verhaal op dat misschien al bij je aanwezig is of ergens sluimert op een vergeten plek.

Hoe anders vergaat het de opkoper die de overgebleven inboedel komt weghalen. Hij bekijkt de overgebleven spullen zakelijk en zonder emotie, schat de waarde ervan, sluit een deal en zorgt ervoor dat het huis zo snel mogelijk wordt ontruimd. Een erfenis levert een verhaal op, een inboedel geld.

In het begin van de voorstelling zit het publiek van Theo Maassen er als een mogelijke opkoper van de overgebleven inventaris. Gedurende de voorstelling raakt het er langzamerhand van overtuigd dat het de inboedel van een dierbare betreft om aan het eind te beseffen dat hier op het toneel een erfenis ligt. Onze erfenis.

Spannend wordt de voorstelling nu wanneer hij uit de inboedel een crucifix te voorschijn haalt. Heeft de cabaretier tot dusver betekenis gegeven aan betekenisloze spullen en ons de waarde daarvan doen inzien, nu treedt er een omgekeerd proces op. De crucifix heeft al betekenis. Het voorwerp roept binnen een liturgie of langs de kant van de weg eerbied op, het vraagt om een behoedzame nadering. Het staat voor het verhaal van Jezus, het is gestold lijden en het nodigt uit tot overdenking en contemplatie. Het mag niet worden aangeraakt en hooguit voorzichtig worden afgestoft met een plumeau.

Als publiek vraag je je af wat Maassen met het beeld gaat doen. Het blijkt niet veilig in zijn handen. Hij betast en likt het, maakt harde grappen en seksuele toespelingen, afgewisseld met flarden bijbelverhaal, rudimenten van zijn opvoeding.

Is dit choquerend? Ja. Ook al heb ik als protestant niet veel met de verering van beelden, toch choqueert Maassen. Deels omdat ik weet dat het beeld voor anderen wel heilig is, deels ook omdat deze schending het zoveelste voorbeeld lijkt te zijn van een cultuur die er prat op gaat zich zo taboeloos mogelijk te manifesteren. Als een groot kind onderzoekt hij het beeld zonder te weten welke afspraken er ooit over het ‘gebruik’ ervan zijn gemaakt, hij kent de regels van het heilige spel niet meer.

Hoe onthutsend dit ook mag zijn, mijn fascinatie won het van mijn afkeer toen ik het zag. Dit crucifixmoment onthult namelijk op de meest indringende wijze waar het de cabaretier om te doen is. We weten niet meer wat we afgesproken hebben. We weten doodeenvoudig niet meer hoe het moet. Er is van alles afgeschaft, er heeft een grote opruiming plaatsgevonden, maar hoe nu verder? Het is de conclusie waarmee hij zijn programma afsluit waarbij hij zijn moeder in herinnering brengt die met hem altijd de afspraak maakte om naar een centraal punt te gaan voor het geval ze elkaar kwijt zouden raken. Hier ben ik, stelt Maassen op de afgesproken plek, maar de anderen blijken de afspraak te zijn vergeten. De cabaretier blijft alleen achter…

In de jaren zestig en zeventig had dezelfde handeling met het kruisbeeld op het toneel tot doel heilige huisjes omver te trappen. Vastgeroeste waarheden en betekenissen moesten op de helling. Alles wat de pretentie had heilig te zijn werd op houdbaarheid getest. Maassen, als exponent van de volgende generatie, trapt niet meer, maar vraagt zich verwonderd af wat hij met deze erfenis moet doen. Het kruis blijkt een manipuleerbaar voorwerp te zijn geworden, dat van elke betekenis ontdaan letterlijk kan worden afgetast. Dáár zit de grootste schok, een mens te zien die zijn weg moet vinden temidden van de chaos van ontmantelde systemen en betekenisloze troep, een mens die enkel de vraag kan stellen: hoe nu verder?

Maassen schetst een zwartgallig cultuurbeeld waarbij je het liefst weg wilt kijken, tegelijkertijd fascineert hij omdat hij de puinhoop van de inboedel niet ontkent, maar indringend op zoek gaat. Christus ligt daarbij op de rommelzolder, niet als teken van hoop zoals we dat als kerk misschien zouden wensen, maar als symbool waar nog een vermoeden van een verhaal aan hangt. Meer niet. Het heeft zijn betekenis in de samenleving voor de samenleving verloren.

De laatste jaren lijkt er in onze maatschappij een nieuwe taboeïsering te ontstaan. De overmaat aan exhibitionisme en een doorgeschoten alles-moet-kunnen mentaliteit moet een halt worden toegeroepen. Laat Maassen van dat kruisbeeld afblijven zou je in dit kader willen roepen. Het lijkt een voor de hand liggende oproep, maar het is een valkuil. Waarom halt houden voor iets, waarvan de betekenis niet wordt gekend? Het heilige kan niet meer als heilig gelden, wanneer mensen het verhaal niet meer weten. Het heilige is een afspraak. Niet meer en niet minder.

Wij leven in een beeldcultuur, maar het beeld lijdt aan inflatie. De overvloed aan beelden en de reproduceerbaarheid ervan maken het in hoge mate inwisselbaar. In een winkel vol crucifixen verplaatst onze aandacht zich naar het materiaal waarvan ze zijn gemaakt ten koste van het verhaal waarvoor ze zijn bedoeld. De vermenigvuldiging van beelden berooft het beeld zo van zijn betekenis. Bij de televisie is dat al niet anders. Nu resten er ons bij deze ingetreden betekenisloosheid slechts twee mogelijkheden: cynisch worden of opnieuw een verhaal gaan vertellen. Theo Maassen doet dat laatste. Bij hem staat of valt alles met het woord. Het is zijn verhaal dat de inboedel verandert in een erfenis die ook nog eens van ons blijkt te zijn. Het is zijn verhaal dat ons doet veranderen van opkopers in erfgenamen. Zijn woorden roepen onze verbeelding op.

Het is de kracht van het woord en de dynamiek van het verhaal waarmee Maassen mij raakt. Een dynamiek die start vanuit de puinhoop, vanuit de dingen zonder betekenis. Het is lef hebben om deze inboedel te durven zien. En het wordt iets van een overtuiging wanneer de inboedel erfenis blijkt te zijn. De kerk kan veel leren van de beweging die hij maakt. Willen we de dynamiek en de diepe contrasten van het Evangelie opnieuw leren zien en daarover vertellen dan zal de kerk moeten leren in eerste instantie getuige van een crisis te zijn en pas daarna getuige van Christus. Tussen deze twee polen in passen geen leuzen, geen mooie marketing strategieën en zeker geen te vroeg gegeven antwoorden. Het is een terugkeer naar een stamelend en spannend begin, wellicht eerst zonder woorden. Alsof er nooit een kerk is geweest.

Ferdinand Borger