Verlies
3 februari 2026 | Door Ferdinand Borger | 3 reacties
Soms verschijnen er boeken waar je zonder het te weten jarenlang op hebt gewacht. Momenteel lees ik zo’n boek: Verlies, van de Duitse socioloog Andreas Reckwitz. Het is een doorwrochte sociologische studie over het gegeven van ‘verlies.’. Reckwitz stelt dat sinds de moderniteit, globaal de periode van de laatste twee eeuwen, verlies op de koop toe wordt genomen. Geloof in voortuitgang, verandering, vernieuwing, modernisering – het kent verschillende namen – brengt iets nieuws voort maar draagt ook bij aan verlies. We bevinden ons in een proces van voortdurende verandering. Om veel van wat verdwijnt rouwen we niet, we hakken geen hout meer, slepen niet meer met kolen en rijden niet meer met paard en wagen. Niet alles wat verdwijnt ervaren we dus als verlies. Toch voert Reckwitz een pleidooi om stil te staan bij verlies, want de rechts radicale politiek heeft verlies hoog op de agenda gezet: verlies van traditionele waarden, feesten, omgangsvormen, verlies van de ‘joods-christelijke’ cultuur, het vormt de brandstof voor een destructieve woede die deze stroming kenmerkt. De linkerkant van het politieke spectrum heeft ervaringen van verlies voornamelijk gerelativeerd: de leefomstandigheden van de arbeider gingen erop vooruit en met liefde werd er afscheid genomen van een vaak onleefbare wereld. Verandering was per definitie: verbetering.
Niet alles wat verdwijnt is dus verlies. Wil er sprake zijn van verlies dan moet er een emotionele band bestaan met dat wat er verloren gaat. We kunnen dat als rouw ervaren, het is de pijn die we voelen bij het verdwijnen van wat ons dierbaar is. Reckwitz stelt nu dat we in onze samenleving aan die rouw geen plaats geven. De ontwikkelingen en moderniseringen volgen elkaar dermate snel op dat we tussen de generaties nauwelijks nog kunnen uitwisselen wat we missen. Iets daarvan is mij de laatste jaren duidelijk geworden bij kerkelijke uitvaarten. In de regel klinken daar liederen, taal en muziek die voor de oudere generatie de grond en hartslag hebben gevormd voor hun geloof, maar door de jongere generatie niet meer wordt begrepen. De taal, het ritueel is belangrijk geweest voor (o)pa of (o)ma, maar heeft voor hen geen zeggingskracht meer. De rites worden nog welwillend ondergaan als een kort verblijf in een voor hen onbekende wereld, maar verder is het een vreemd, leeg huis.
Ons vooruitgangsgeloof brengt derhalve breuken met zich mee. We nemen radicaal afscheid van een wereld die ons vertrouwd en dierbaar is en blijken niet meer in staat om te verwoorden wat we daarin verliezen. Simpelweg omdat daarvoor ruimte noch tijd bestaat. In die zin treft ons het lot wat veel migranten kennen. In hun nieuwe land, waar ze hun kinderen opvoeden in een andere taal en cultuur bestaat het land van herkomst niet meer. En natuurlijk kunnen taal en gebruiken nog een tijdje voortleven, maar onherroepelijk worden ze ingewisseld voor het nieuwe land. Wat rest is het verlangen van de oudere generatie naar dat wat is voorbijgegaan.
Geen woorden kunnen vinden voor onze verlieservaringen kunnen ons hevig doen terugverlangen naar een voorbije wereld die inzichtelijk en begrijpelijk was. Het is de valkuil voor kerk en christendom deze wereld opnieuw te willen oprichten. De ervaringen van verlies vormen dan de aanleiding om ons op te sluiten in onszelf, te behouden wat we hebben en ons vooral onbegrepen te voelen door de ons omringende wereld. Verlies zet dan een hek om ons onvermogen en voor de kerk rest er enkel nog iets van folklore: Mooi en leuk om nog eens naar te kijken, maar verder niet meer van waarde.
Tijd voor een radicaal ander inzicht. Verlies is niet de aanleiding om het verleden te koesteren, maar vormt juist het hart van het Christendom. We komen samen rondom een Mens die verliest, die het niet redt in deze wereld, die preekt, geneest, bemoedigt, rondtrekt en aan de mensen kapot gaat. De kern van het Christendom is in de basis dit verlies. Het is de breuk in deze wereld, de afgrond, en misschien wel de wereld die we niet willen zien. Maar het is juist in dit verlies dat er iets anders zichtbaar wordt: er komt een gemeenschap aan het licht voor wie het brood werd gebroken en de wijn werd gedeeld: tekenen van het aanstaande verlies en de aanstaande dood. Het radicale antwoord op dit verlies wordt gegeven aan een gemeenschap die ontvangt. En die in het aanvaarden van die gift pas daadwerkelijk gemeenschap wordt. Met alles wat zij in zich heeft, aan gaven, Geestkracht en talenten. En natuurlijk rouwt die gemeente om de dood, maar tegelijkertijd krijgt zij het leven in handen. In het verlies ligt de kiemkracht van het nieuwe bestaan, in het breken en delen wordt dit bestaan onthuld.
Daarin ligt de toekomst van de kerk besloten. Niet in wat bewaard dient blijven, maar in dat wat in leven wordt geroepen. Wat dat kan zijn? Van alles. We roepen een nog niet bestaande wereld op. We spelen een nog nooit gespeeld spel. We vormen een koor dat nog nooit heeft gezongen. We leren opnieuw woorden van hoop spreken. We getuigen in een wereld zonder moed. We delen het eten met elkaar. We zetten wijd onze deuren open. We laten iedereen zonder voorwaarden binnen. Welkom hier. Hier krijg je deel aan het verlies, hier gaat een wereld verloren, maar hier ben jij deel van de toekomst. Ik? Ja, jij!
-
Dankjewel!
-
Prachtig stuk, Ferdinand! Dankjewel!
-
Wat een prachtige bemoedigende laatste alinea!

Comments