Image Image Image Image Image Image Image Image Image

De tranen van Jezus – Palmpasen

29 maart 2026 | Door | Geen reacties

Nu het zover is gekomen dat het schreeuwen ons bestaan lijkt over te nemen. En er steeds meer oorlogen worden gevoerd. En we niet weten waar dat gaat eindigen. Nu het zover is gekomen dat we stoer en sterk moeten zijn, van ons af moeten praten, dingen moeten zeggen die er nu eindelijk eens gezegd moeten worden. Nu het zover is gekomen dat je beter maar niet te veel je aard of wezen kunt laten zien, omdat het lang niet zeker is of je veilig bent. En nu het zover is gekomen dat het vooral lijkt dat je aan de kant moet gaan staan juichen voor één of andere leider uit het narcistische spectrum, die troont op aandacht, die gevoed wordt door bijval en gejuich, die zegt een strijd te leveren op leven en dood, maar vooral zichzelf als middelpunt van de wereld te zien. Nu dat allemaal gebeurt en deze leiders ons wegvoeren van onszelf, ons willen als klapvee en ondertussen pretenderen vooral voor ons hun leven van macht en machtswellust te leiden, Nu dat allemaal gebeurt is het goed om af te dwalen naar dat kleine moment in de geschiedenis zo’n 2000 jaar geleden in de uithoek van een eens machtig rijk, waar niet een heel volk stond te juichen bij de binnenkomst van hun profeet, maar slechts een kleine groep mensen die met hem meetrokken tot aan wat voor hen het centrum van de macht was. Het verhaal is zo onooglijk klein, zo in de marge van onze geschiedenis, dat het verdwenen zou zijn als mensen tot op de dag van vandaag het niet hadden herhaald. Het zou wellicht onze journaals niet hebben gehaald, voorbijgegaan aan onze nieuwsrubrieken. Want wat was het nu eigenlijk, de intocht van deze profeet, hier op weg naar het centrum van de politieke en geestelijke macht. Wat zou hij kunnen aanrichten met zijn boodschap van heling en heil, met zijn kracht om mensen overeind te zetten, de geestelijkheid uit te dagen met de scherpte van zijn tong, met zijn verlangen naar waarheid en recht. Deze stad is er één teveel. Te stoer en te sterk, bewapend door een bezetter, een bastion van geestelijke weerbaarheid, let wel; van de geestelijken die ook hun machtsposities hadden ingenomen en deze wisten te behouden en beschermen.

En toch, ik zou je willen meenemen naar deze plek. Ik zou één van de omstanders willen zijn, één van zijn volgelingen die met een mengeling van hoop en wanhoop hem de stad in wilden helpen. Een van die mensen langs de kant die, als je het hen op de man af zou vragen, wat hen nu eigenlijk in hem aantrok, daar geen woorden voor zouden kunnen vinden, zoals je voor de liefde uiteindelijk ook soms maar stamelend de woorden vindt, maar het eigenlijke van de aantrekkingskracht, van de wil om bij een ander te zijn, niet kunt benoemen. Ik zou één van de omstanders willen zijn, die zijn kleren op de grond zou uitspreiden, omdat iedereen dat spontaan doet, in een overweldigende roes van aanbidding. En zich daarbij niet afvragend of dit enig nut zou hebben. Want daar zou ik willen komen, achter de vragen van nut en doelmatigheid, de eeuwige vragen of je handelen zin heeft of er toe doet, ik zou daar achter willen geraken, omdat er achter het nut, achter de zin, misschien niets anders ligt dan de vreugde van het moment. En dan meegenomen worden in juichen en zingen. Zoiets zou ik willen, omdat ik één keer een moment van extase in mijn leven heb gekend dat hier zo goed van pas zou komen. Je overgeven aan het grote geluk. En dan niet om de overgave op zich, maar omdat hier iets gebeurt dat onderscheidend is en uniek. Want ergens, diep van binnen weet je dat, hier vindt iets plaats dat zijn weerga in de geschiedenis niet kent, al heb je er nog geen benul van wat dat gaat brengen. Dus sta je daar te juichen, kleren op de grond te gooien. Maak een nieuw pad voor hem! En ondertussen vraag je je af of die ezel wel zo’n goed idee is. Was het niet beter dat hij op een paard de stad had genaderd? Is het niet mooier een vorst boven het volk uit te zien stijgen? Hem iets van macht te geven, van overzicht ook. Een vorst die boven de mensen staat, die van afstand de vijand ziet naderen, die met één armgebaar het volk de richting wijst, die kant op! Het is een eeuwig en onuitroeibaar verlangen. En terwijl je die vraag stelt hoor je de discussie om je heen ontstaan, dat het juist kenmerkend voor deze Jezus is dat hij niet hoog te paard zich verheft, maar daarentegen de ezel als eenvoudig lastdier heeft uitgekozen, omdat het ware koningschap zich hult in nederigheid en toe-wending naar de mensen toe. En dat daar geen paard bij past, geen machtsvertoon. En dan zou je gezegd hebben dat je dat wel begrijpt, maar dat het toch jammer is. Omdat het fijn is naar iemand op te kijken die sterker is dan jijzelf, omdat je je daar geborgen bij weet. Maar dat laatste zou je hebben gedacht en niet hebben gezegd. Want waarom zou je toegeven dat je iemand zoekt, die er voor jou is, dat je naar iemand verlangt om tegen aan te leunen, iemand die voor jou leugen en waarheid weet te onderscheiden.

En dan zou je hem de stad hebben zien ingaan. En je zou hebben gedacht dat het goed is zo, dat hij nu is waar hij moest zijn. Hij heeft zijn doel bereikt nu, jouw taak zit erop. En je zou net als alle anderen de kleren van de grond rapen, de weg weer opruimen. En dan, dan zou de menigte weer uiteenvallen en oplossen. En je zou huiswaarts keren.
En ik weet niet hoeveel later, maar in ieder geval: later zou je het bericht horen dat Jezus na de intocht gehuild had over Jeruzalem. Er hadden tranen gevloeid bij de aanblik van de stad. Er hadden verwijten geklonken en zorgen. (…) En toen je het bericht hoorde wist je niet zo goed wat je met die tranen moest. Het paste toch niet bij de leider die je voor ogen had. En tegelijkertijd ging er ook het verhaal rond dat hij de handelaren uit de tempel had verdreven. En als je eerlijk moest zijn, leek je dat beter; actie voeren, een daad stellen. Met de tranen kon je niet zoveel. Wat heb je aan tranen? Is het niets anders dan een moment van zwakte? Maar nog veel later toen ze hem gevangen namen, veroordeelden en uiteindelijk aan een kruis nagelden, drong er iets door van de weerbaarheid van de tranen, van de compassie voor zijn volk, voor zijn liefde tot het einde toe, voor het bidden voor zijn vijanden. In de tranen werd iets zichtbaar van de mens voor deze wereld, die weigert zich te verharden, die het zwaard niet wil opnemen. In de tranen werd de gebrokenheid zichtbaar. En in de gebrokenheid de menselijkheid. Want een mens kan kapot.

En waarom ik je mee wil nemen naar dit verhaal, is omdat ik je hier naar toe wil brengen: naar deze mens die kapot gaat om wat hij ziet. En ik wil je het ongemak laten voelen van de tranen die hier vallen. Eerlijk gezegd: omdat het mijn eigen ongemak is. In het huilen van Jezus komt een diepe liefde aan het licht voor de mensen van zijn tijd, een compassie die we broodnodig hebben, waar we naar hunkeren. Tenminste: dat hoop ik. Daarom wil je meenemen naar dit moment om weg te komen uit het cynisme en de verharding, weg bij alle cynische analyses over oorlogen en het plat gooien van steden. Weg bij de mensen die de doden niet meer tellen en al de kapotgeschoten levens beschouwen als de offers die een oorlog nu eenmaal vraagt. En helemaal weg bij de geloofsgenoten die in dit alles de hand van God zien. Ik wil het niet meer horen. Het zijn de tranen van Jezus over Jeruzalem die ons radicaal bepalen bij één van de meest kenmerkende aspecten van ons mens-zijn: dat we compassie kunnen voelen, medelijden, liefde zoals je wilt voor de mens naast ons, tegenover ons. En dat die mens ons tot tranen kan brengen. Het is niet stoer en het is niet chique, het is ook niet mannelijk in een wereld van oprukkende mannelijkheid en dikdoenerij, deze tranen. Maar tranen zijn diep menselijk. Waarom dan ons mens-zijn wantrouwen of verachten?

Ik zou je mee willen nemen naar het ongemak van de tranen. Omdat alleen dan onze verharding en cynisme opengebroken kan worden. En misschien zouden we dan ontdekken dat we in onze tijd in grote verwarring leven. En misschien zouden we dan, door het blootleggen van de aard van de tranen, er achter komen dat we best wel veel huilen. Maar dat ons huilen meestal ingegeven is door rouw, door het afscheid moeten nemen van hen die ons lief zijn en dierbaar. Van hen die we niet willen missen. Of we rouwen om wat voorbij is wat niet meer terugkomt. Zoals we in de kerk ook veel rouwen, veel terugkijken. Waarbij we het verleden niet zelden idealiseren. Toen zaten de kerken nog vol! Ik moet je zeggen: dat rouwen is de valkuil van onze tijd. Want het brengt ons samen in ons verlies, het verenigt ons, maar het richt de blik enkel achterwaarts, naar het verleden. Maar Jezus huilt hier niet om het verlies. Hij huilt om wat er niet meer gaat komen. Hij huilt voorwaarts. Het is het huilen, zoals je om een kind kunt huilen dat vroeg sterft. Dat zijn andere tranen dan bij iemand die oud is en der dagen zat. Jezus’ tranen vloeien om wat het niet gaat worden, om wat niet meer gaat gebeuren, om een toekomst die lijkt afgesloten. Ik moet je zeggen dat als Jezus hier zou zijn nu, onder ons. Dat hij zou huilen om onze verharding, ons cynisme, ons gevoelloos tellen van de doden. Op internet is een mooi video te vinden van rapper Brainpower, die een lied van Herman van Veen vertolkt. Wie heeft de zon uit je gezicht gehaald? Wie heeft het licht in jouw gedoofd? Wie is er zo aan je voorbijgegaan? Wie joeg de dromen uit je hoofd? Misschien zou Jezus ons met die woorden toespreken.

En dan, dan zou ik je weg willen halen bij de tranen en even terugnemen naar dat moment in de tijd dat hieraan vooraf ging, de malle en vrolijke optocht rond die man op de ezel. En bij het juichen. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Want door alle tranen heen, moeten we weer terug naar dat moment, al is het maar voor even. In de vreugde en de lach opent zich de toekomst, zoals die zich ook opent op een bruiloftsfeest. Het is niet voor niets dat de bijbel over bruid en bruiloft spreekt wanneer er over toekomst gesproken wordt. Ik zou je opnieuw willen meenemen naar die optocht, daar buiten de poort, daar op de plek waar het feest nog moet beginnen. Het zijn niet alleen de tranen die ons cynisme kunnen verjagen. Ook tegen de lach, ook tegen de vreugde is geen enkel cynisme bestand.

We moeten het maar oefenen. Op deze merkwaardige dag, nu blijdschap en verdriet zich vermengen. Bij gebrek aan ezel verbeelden we hem. En bij gebrek aan Jezus hebben we zijn woorden, delen we zijn leven, delen we zijn weg. En misschien vallen er dan tranen. En dan nu van blijdschap. Daar ligt onze weg. Want wie zou er nog horen van een onooglijk klein verhaal aan de rand van onze geschiedenis als niet een paar willekeurige mensen die op zondagochtend bij elkaar komen besluiten om tegen alles in, tegen al het nieuws, tegen een cynische tijdgeest hardnekkig te blijven oefenen in juichen en lachen. En niet bang te zijn voor de tranen?

Overweging gehouden in de St. Jan, Maastricht 29 maart 2026

Brainpower – Wie Heeft ft. Tommie Christiaan (Lyric Video)

Voeg een reactie toe

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.