Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ferdinand Borger

Tijd om te vervloeken

9 april 2026 | Door | 1 reactie

‘Taal zal alleen verwoesting zaaien’. Een regel uit de tweede strofe van ‘Licht dat ons aanstoot’ het populaire Paaslied van Huub Oosterhuis. Sowieso al een weerbarstig lied, het juicht nergens want Pasen is geen overwinning, ook niet van de dood. De laatste tijd is deze regel manifest geworden: taal is het dominante instrument geworden om te verwoesten, te dreigen, tweedracht te zaaien. Het griezelige is dat ook dit ook nieuwberichten aantast. We krijgen unverfroren de X berichten gepresenteerd. Er is taal die zegt dat Iran kapot moet, dat Gaza kapot moet, dat Oekraïne kapot moet. En omdat het gezegd wordt mag het worden gedaan. En het gebeurt. Het gebeurt omdat de machthebbers, de Poetins, Netanyahu’s en Trumps zelf zijn losgekomen van de taal en een scheiding hebben aangebracht tussen werkelijkheid en woorden. Dat de NAVO een defensie organisatie is en zelf geen oorlogen start, dat er een verdrag ligt dat dat regelt – taal dus – het maakt de machthebbers niet meer uit.  Ze schreeuwen, beledigen, zijn een schande voor de cultuur die zij zeggen te verdedigen. Ze schofferen de religies waar ze uit voortkomen. En verminken de beelden die deze religies dragen door ze in alle banaliteit in te zetten voor hun eigen machtswellust. De reddingsoperatie van de Amerikaanse piloot was niet de opstanding van Jezus Christus. En Israel is al lang niet meer Gods volk, zo dat het ooit al geweest is, maar een moordmachine die zich door wraak laat voeden. Het ontbreekt in deze chaos aan profeten, die de hele hypocriete macht scherp veroordelen. En de taal bij de werkelijkheid terugbrengen en houden, de doden blijven tellen, de balans op blijven maken van de kapotgeschoten steden. Om te midden van de puinhopen die andere functie van taal te ontdekken, die onder het juk van de leugen moet worden weggehaald: de taal van de droom en het visioen. Het is de taal die tussen de puinhopen met een schreeuw begint, een barenswee: Mijn God!

De werkelijkheid waarin we leven wordt door taal kapot gemaakt. Er wordt een andere werkelijkheid gecreëerd, er wordt gepoogd om ons van een nieuw narratief te voorzien. Poetin doet dat om zijn oorlog met Oekraïne te rechtvaardigen, – Oekraïne is een nazistaat’, Trump handelt vanuit een narcistisch motief: hij is het centrum van de wereld.  Daarom is alles wat hij doet geweldig en groots, hij is de grootste vredestichter die de wereld heeft voorgebracht en had hij al lang een Nobelprijs voor de Vrede moeten krijgen. We weten dat het niet waar is, maar hij gelooft het zelf. We worden geregeerd  door narcisten die zichzelf als navel van de wereld zien en niets anders vragen dan te worden aanbeden. En dat gebeurt. We praten ze naar de mond en ze trekken ons mee het graf in. Alleen Spanje durft heldere taal te spreken: Rot op met je oorlog!  Geen land dat Nethanyahu herinnert aan de Tien Geboden die zijn cultuur heeft voortgebracht. Niemand meer die in opstand komt als er ziekenhuizen worden kapotgeschoten, wijken gebombardeerd, mensen met honderdduizenden uit hun huizen worden gedreven. En daarbij treft Europa nog de meeste blaam. Wij weten op dit continent van massavernietiging. Hier waren in de wereldoorlogen de voorbeelden van de eerste industriële moorden in de geschiedenis. Hier ligt de onmetelijke pijn van de mensheid, die de afgronden van zijn bestaan heeft onderzocht.  Met alle afschuwelijke gevolgen van dien. Wat eerste onze redders waren, Amerikanen, zijn nu de aanstichters van een oorlog. En hebben wij niet de dure plicht om het regime in Israël te herinneren aan zijn ontstaansgeschiedenis? Ze spelen met de wereldvrede en dat maakt ze niet uit. Dat kan een suïcidale afloop krijgen. Het zal Trump niet uitmaken, hij is met zijn tachtig jaar bijna aan het eind. En een grootse en tragische ondergang zal hem een plek in de wereldgeschiedenis opleveren, Trump for ever. Het is te cynisch voor woorden. Maar nog cynischer is ons gebrek aan eigenwaarde, waarbij we ons de taal uit handen laten slaan en de leugens laten voortwoekeren. En niet de moed hebben om keihard nee roepen tegen de afgoden van onze tijd. Het wordt tijd om heel hard oudtestamentisch te gaan vervloeken. Uit onmacht om door te dringen tot de macht. Als ultieme krachtterm omdat het ons menens is. We zijn de wereld ten grave aan het dragen. Mijn God, dat is toch nooit de bedoeling geweest?

Van de kerk naar het kerkplein. The Passion kan de kerk haar passie teruggeven

1 april 2026 | Door | 4 reacties

Bijbelse verhalen die deel van onszelf worden, daar is in het theater meer plek voor dan in de kerk. Dat stelt predikant en theatermaker Ferdinand Borger. The Passion vraagt om kritische reflectie, zoals recensenten dat bij theater doen. En de kerk? Die mag zich laten raken.

Nederlands Dagblad 2 april 2026
The Passion beleeft dit jaar zijn vijftiende editie. Een wonderlijke prestatie in een ontkerkelijkt land. De kijkcijfers dragen het programma de tijd door: het evangelie is op straat komen te liggen en mensen willen dat zien. Een zelfde beweging heeft de kerk in de Middeleeuwen gekend, toen het lijdensverhaal van Christus door toneel werd vertolkt. Op Paasmorgen werd er een wedren afgelegd wie van de leerlingen van Jezus het eerste bij het graf was. Dat spel werd te frivool en de geestelijkheid wees het theater de kerk uit: het moderne theater werd geboren. Na vijftien jaar Passion hebben we wellicht met een nieuwe geboorte te maken. En ik denk dat de kerken kritisch onder ogen moeten gaan zien of zij zelf ‘het verhaal’ de kerk uitdrijven. En het is de vraag of dat erg is. Misschien zijn het kerkplein, het theater of Lowlands (om maar een festival te noemen) plekken waar het evangelie beter tot zijn recht komt dan in de kerk. Onze tijd vraagt om andere manieren van communicatie.
In de jaren zestig werd dit binnen een deel van het Nederlandse protestantisme ook al gevoeld. Er kwam een beweging binnen de liturgie op gang.  Met een groot tegoed: binnen de kerken kreeg de jaarorde van de feesten een plek, de drie dagen van Pasen werden ingevoerd,. In bescheiden mate kregen nieuwe rituelen een kans binnen de eredienst. Voorgangers beklommen niet langer de kansel met hun favoriete Bijbeltekst maar hielden zich aan een vooropgesteld rooster en dwongen zich zo de Schrift te verkennen. Er kwamen nieuw liedbundels. Het leidde tot een standaardisering en verdieping van het protestantse kerkelijke leven: in het rooster zat een verbinding met de tijd, maar ook met de plaatsen waarop andere gelovigen samenkwamen. De bevrijdende orde die werd ingevoerd – weg van het dogma, terug naar het verhaal – kende aanvankelijk een ongekende kracht. Er werden serieuze pogingen ondernomen paas- en passiespelen op te voeren binnen de liturgie, toneelstukken waarbij de spelers zo weinig mogelijk emoties dienden te laten zien. Ze spraken wel de taal maar toonden niet de beleving van het personage dat ze vertolkten. In een deel van de protestantse kerken ontstond er een min of meer liturgische taalcultus. Het verhaal wordt verteld om het verhaal zelf, gemotiveerd door de afspraak die we hebben gemaakt om het te vertellen. Gezien de leeglopende kerken raakt dat steeds minder mensen. We kunnen het Evangelie niet vertellen zonder onszelf op het spel te zetten, niet als voorgangers, maar ook niet als kerk, daar was het in de jaren zestig aanvankelijk ook om begonnen. De Bijbelse verhalen mogen deel van onszelf worden, in strijd, in emoties, in hoop en wanhoop.  Het theater is daarvoor een betere plek dan de kerk, want met name in de protestantse traditie hebben we doorgaans een moeilijke verhouding tot ons lichaam. Ik word niet meer geraakt, klaagt een kerkganger, het gaat in de kerk niet over mij. En wat er verteld wordt weet ik al. Het kan dan ook een bevrijding zijn om het Evangelie uit de kerk naar het kerkplein te verplaatsen. Daar gelden andere wetten, die van het theater. De makers die er mee aan de slag gaan dwingen zich de eerste, en meest fundamentele vraag te stellen: wat is de noodzaak van dit verhaal? Waarom moet het worden verteld op dit moment? Wat drijft de personages, wat willen ze bereiken en met welke middelen? Uit dit onderzoek komt de vraag naar de vorm die het verhaal kan aannemen. En kan de vraag worden gesteld aan wie je het wilt vertellen. Wat is je publiek? Elke theater start vanuit een lege, kale plek waarop de traditie, anders dan in de kerk, nauwelijks grip heeft en waar in principe niets is voorgeschreven.
The Passion is een poging tot een dergelijke vertolking op straat. Of dit tot iets smaakvols leidt doet even niet ter zake. De winst die het spel oplevert is de vraag naar de noodzaak van het verhaal buiten de muren van de traditie. De beperkingen die predikanten en priesters binnen de liturgie aan zichzelf opleggen gelden hier niet.  Het verhaal ligt hier in handen van de spelers, die geen ander instrument hebben dan stem, lichaam, houding en lichaamstaal. Het levert een veelvoud aan mogelijke interpretaties op die we ons in de kerk niet toestaan. Tegelijkertijd toont deze kracht ook de kwetsbaarheid. Want buiten de kaders van liturgische voorschriften en traditie kan datzelfde Evangelie een grenzeloos land betreden. Jezus kan de voorman worden van onze diversiteit, maar er kan ook een Nederlandse vlag op het podium worden gehesen. Het verhaal neemt dan een nationalistische afslag. Helaas is inmiddels alles daarin denkbaar. Dus vraagt The Passion om een kritische reflectie, zoals recensenten dat bij het theater doen. En de kerken? Die krijgen vanaf het kerkplein misschien iets van hun passie terug.  Op voorwaarde dat men zich door het spel wil laten raken.

De tranen van Jezus – Palmpasen

29 maart 2026 | Door | Geen reacties

Nu het zover is gekomen dat het schreeuwen ons bestaan lijkt over te nemen. En er steeds meer oorlogen worden gevoerd. En we niet weten waar dat gaat eindigen. Nu het zover is gekomen dat we stoer en sterk moeten zijn, van ons af moeten praten, dingen moeten zeggen die er nu eindelijk eens gezegd moeten worden. Nu het zover is gekomen dat je beter maar niet te veel je aard of wezen kunt laten zien, omdat het lang niet zeker is of je veilig bent. En nu het zover is gekomen dat het vooral lijkt dat je aan de kant moet gaan staan juichen voor één of andere leider uit het narcistische spectrum, die troont op aandacht, die gevoed wordt door bijval en gejuich, die zegt een strijd te leveren op leven en dood, maar vooral zichzelf als middelpunt van de wereld te zien. Nu dat allemaal gebeurt en deze leiders ons wegvoeren van onszelf, ons willen als klapvee en ondertussen pretenderen vooral voor ons hun leven van macht en machtswellust te leiden, Nu dat allemaal gebeurt is het goed om af te dwalen naar dat kleine moment in de geschiedenis zo’n 2000 jaar geleden in de uithoek van een eens machtig rijk, waar niet een heel volk stond te juichen bij de binnenkomst van hun profeet, maar slechts een kleine groep mensen die met hem meetrokken tot aan wat voor hen het centrum van de macht was. Het verhaal is zo onooglijk klein, zo in de marge van onze geschiedenis, dat het verdwenen zou zijn als mensen tot op de dag van vandaag het niet hadden herhaald. Het zou wellicht onze journaals niet hebben gehaald, voorbijgegaan aan onze nieuwsrubrieken. Want wat was het nu eigenlijk, de intocht van deze profeet, hier op weg naar het centrum van de politieke en geestelijke macht. Wat zou hij kunnen aanrichten met zijn boodschap van heling en heil, met zijn kracht om mensen overeind te zetten, de geestelijkheid uit te dagen met de scherpte van zijn tong, met zijn verlangen naar waarheid en recht. Deze stad is er één teveel. Te stoer en te sterk, bewapend door een bezetter, een bastion van geestelijke weerbaarheid, let wel; van de geestelijken die ook hun machtsposities hadden ingenomen en deze wisten te behouden en beschermen.

En toch, ik zou je willen meenemen naar deze plek. Ik zou één van de omstanders willen zijn, één van zijn volgelingen die met een mengeling van hoop en wanhoop hem de stad in wilden helpen. Een van die mensen langs de kant die, als je het hen op de man af zou vragen, wat hen nu eigenlijk in hem aantrok, daar geen woorden voor zouden kunnen vinden, zoals je voor de liefde uiteindelijk ook soms maar stamelend de woorden vindt, maar het eigenlijke van de aantrekkingskracht, van de wil om bij een ander te zijn, niet kunt benoemen. Ik zou één van de omstanders willen zijn, die zijn kleren op de grond zou uitspreiden, omdat iedereen dat spontaan doet, in een overweldigende roes van aanbidding. En zich daarbij niet afvragend of dit enig nut zou hebben. Want daar zou ik willen komen, achter de vragen van nut en doelmatigheid, de eeuwige vragen of je handelen zin heeft of er toe doet, ik zou daar achter willen geraken, omdat er achter het nut, achter de zin, misschien niets anders ligt dan de vreugde van het moment. En dan meegenomen worden in juichen en zingen. Zoiets zou ik willen, omdat ik één keer een moment van extase in mijn leven heb gekend dat hier zo goed van pas zou komen. Je overgeven aan het grote geluk. En dan niet om de overgave op zich, maar omdat hier iets gebeurt dat onderscheidend is en uniek. Want ergens, diep van binnen weet je dat, hier vindt iets plaats dat zijn weerga in de geschiedenis niet kent, al heb je er nog geen benul van wat dat gaat brengen. Dus sta je daar te juichen, kleren op de grond te gooien. Maak een nieuw pad voor hem! En ondertussen vraag je je af of die ezel wel zo’n goed idee is. Was het niet beter dat hij op een paard de stad had genaderd? Is het niet mooier een vorst boven het volk uit te zien stijgen? Hem iets van macht te geven, van overzicht ook. Een vorst die boven de mensen staat, die van afstand de vijand ziet naderen, die met één armgebaar het volk de richting wijst, die kant op! Het is een eeuwig en onuitroeibaar verlangen. En terwijl je die vraag stelt hoor je de discussie om je heen ontstaan, dat het juist kenmerkend voor deze Jezus is dat hij niet hoog te paard zich verheft, maar daarentegen de ezel als eenvoudig lastdier heeft uitgekozen, omdat het ware koningschap zich hult in nederigheid en toe-wending naar de mensen toe. En dat daar geen paard bij past, geen machtsvertoon. En dan zou je gezegd hebben dat je dat wel begrijpt, maar dat het toch jammer is. Omdat het fijn is naar iemand op te kijken die sterker is dan jijzelf, omdat je je daar geborgen bij weet. Maar dat laatste zou je hebben gedacht en niet hebben gezegd. Want waarom zou je toegeven dat je iemand zoekt, die er voor jou is, dat je naar iemand verlangt om tegen aan te leunen, iemand die voor jou leugen en waarheid weet te onderscheiden.

En dan zou je hem de stad hebben zien ingaan. En je zou hebben gedacht dat het goed is zo, dat hij nu is waar hij moest zijn. Hij heeft zijn doel bereikt nu, jouw taak zit erop. En je zou net als alle anderen de kleren van de grond rapen, de weg weer opruimen. En dan, dan zou de menigte weer uiteenvallen en oplossen. En je zou huiswaarts keren.
En ik weet niet hoeveel later, maar in ieder geval: later zou je het bericht horen dat Jezus na de intocht gehuild had over Jeruzalem. Er hadden tranen gevloeid bij de aanblik van de stad. Er hadden verwijten geklonken en zorgen. (…) En toen je het bericht hoorde wist je niet zo goed wat je met die tranen moest. Het paste toch niet bij de leider die je voor ogen had. En tegelijkertijd ging er ook het verhaal rond dat hij de handelaren uit de tempel had verdreven. En als je eerlijk moest zijn, leek je dat beter; actie voeren, een daad stellen. Met de tranen kon je niet zoveel. Wat heb je aan tranen? Is het niets anders dan een moment van zwakte? Maar nog veel later toen ze hem gevangen namen, veroordeelden en uiteindelijk aan een kruis nagelden, drong er iets door van de weerbaarheid van de tranen, van de compassie voor zijn volk, voor zijn liefde tot het einde toe, voor het bidden voor zijn vijanden. In de tranen werd iets zichtbaar van de mens voor deze wereld, die weigert zich te verharden, die het zwaard niet wil opnemen. In de tranen werd de gebrokenheid zichtbaar. En in de gebrokenheid de menselijkheid. Want een mens kan kapot.

En waarom ik je mee wil nemen naar dit verhaal, is omdat ik je hier naar toe wil brengen: naar deze mens die kapot gaat om wat hij ziet. En ik wil je het ongemak laten voelen van de tranen die hier vallen. Eerlijk gezegd: omdat het mijn eigen ongemak is. In het huilen van Jezus komt een diepe liefde aan het licht voor de mensen van zijn tijd, een compassie die we broodnodig hebben, waar we naar hunkeren. Tenminste: dat hoop ik. Daarom wil je meenemen naar dit moment om weg te komen uit het cynisme en de verharding, weg bij alle cynische analyses over oorlogen en het plat gooien van steden. Weg bij de mensen die de doden niet meer tellen en al de kapotgeschoten levens beschouwen als de offers die een oorlog nu eenmaal vraagt. En helemaal weg bij de geloofsgenoten die in dit alles de hand van God zien. Ik wil het niet meer horen. Het zijn de tranen van Jezus over Jeruzalem die ons radicaal bepalen bij één van de meest kenmerkende aspecten van ons mens-zijn: dat we compassie kunnen voelen, medelijden, liefde zoals je wilt voor de mens naast ons, tegenover ons. En dat die mens ons tot tranen kan brengen. Het is niet stoer en het is niet chique, het is ook niet mannelijk in een wereld van oprukkende mannelijkheid en dikdoenerij, deze tranen. Maar tranen zijn diep menselijk. Waarom dan ons mens-zijn wantrouwen of verachten?

Ik zou je mee willen nemen naar het ongemak van de tranen. Omdat alleen dan onze verharding en cynisme opengebroken kan worden. En misschien zouden we dan ontdekken dat we in onze tijd in grote verwarring leven. En misschien zouden we dan, door het blootleggen van de aard van de tranen, er achter komen dat we best wel veel huilen. Maar dat ons huilen meestal ingegeven is door rouw, door het afscheid moeten nemen van hen die ons lief zijn en dierbaar. Van hen die we niet willen missen. Of we rouwen om wat voorbij is wat niet meer terugkomt. Zoals we in de kerk ook veel rouwen, veel terugkijken. Waarbij we het verleden niet zelden idealiseren. Toen zaten de kerken nog vol! Ik moet je zeggen: dat rouwen is de valkuil van onze tijd. Want het brengt ons samen in ons verlies, het verenigt ons, maar het richt de blik enkel achterwaarts, naar het verleden. Maar Jezus huilt hier niet om het verlies. Hij huilt om wat er niet meer gaat komen. Hij huilt voorwaarts. Het is het huilen, zoals je om een kind kunt huilen dat vroeg sterft. Dat zijn andere tranen dan bij iemand die oud is en der dagen zat. Jezus’ tranen vloeien om wat het niet gaat worden, om wat niet meer gaat gebeuren, om een toekomst die lijkt afgesloten. Ik moet je zeggen dat als Jezus hier zou zijn nu, onder ons. Dat hij zou huilen om onze verharding, ons cynisme, ons gevoelloos tellen van de doden. Op internet is een mooi video te vinden van rapper Brainpower, die een lied van Herman van Veen vertolkt. Wie heeft de zon uit je gezicht gehaald? Wie heeft het licht in jouw gedoofd? Wie is er zo aan je voorbijgegaan? Wie joeg de dromen uit je hoofd? Misschien zou Jezus ons met die woorden toespreken.

En dan, dan zou ik je weg willen halen bij de tranen en even terugnemen naar dat moment in de tijd dat hieraan vooraf ging, de malle en vrolijke optocht rond die man op de ezel. En bij het juichen. Gezegend hij die komt in de naam van de Heer. Want door alle tranen heen, moeten we weer terug naar dat moment, al is het maar voor even. In de vreugde en de lach opent zich de toekomst, zoals die zich ook opent op een bruiloftsfeest. Het is niet voor niets dat de bijbel over bruid en bruiloft spreekt wanneer er over toekomst gesproken wordt. Ik zou je opnieuw willen meenemen naar die optocht, daar buiten de poort, daar op de plek waar het feest nog moet beginnen. Het zijn niet alleen de tranen die ons cynisme kunnen verjagen. Ook tegen de lach, ook tegen de vreugde is geen enkel cynisme bestand.

We moeten het maar oefenen. Op deze merkwaardige dag, nu blijdschap en verdriet zich vermengen. Bij gebrek aan ezel verbeelden we hem. En bij gebrek aan Jezus hebben we zijn woorden, delen we zijn leven, delen we zijn weg. En misschien vallen er dan tranen. En dan nu van blijdschap. Daar ligt onze weg. Want wie zou er nog horen van een onooglijk klein verhaal aan de rand van onze geschiedenis als niet een paar willekeurige mensen die op zondagochtend bij elkaar komen besluiten om tegen alles in, tegen al het nieuws, tegen een cynische tijdgeest hardnekkig te blijven oefenen in juichen en lachen. En niet bang te zijn voor de tranen?

Overweging gehouden in de St. Jan, Maastricht 29 maart 2026

Brainpower – Wie Heeft ft. Tommie Christiaan (Lyric Video)

Geweld – een gedachte

11 maart 2026 | Door | Geen reacties

Bij de oorlog in het Midden-Oosten, bij het zien van verschrikkelijk onrecht wordt er te veel gekeken naar het motief van de dader, alsof dat het aangedane leed, dood en verderf zou kunnen rechtvaardigen. Een gedachte:

Dertig jaar geleden werd ik, terwijl ik op de fiets naar een vergadering voor mijn werk reed, klemgereden door een achterop komende bromfietser. Hij schreeuwde hard en er volgde een vuistslag tegen mijn hoofd. Een tweede vuistslag dreigde, maar de man bond in en reed weg. Twee dagen later werd ik aan een gebroken jukbeen geopereerd. Ik had het overleefd, maar de tweede klap had fataal kunnen aflopen. Waar deze slag vandaan kwam? Geen idee. Had ik het uitgelokt? Ik zou niet weten hoe. En stel dat er wel een reden was gevonden voor de klap, een ongelukkige jeugd, een gefrustreerd mens die niet werd gehoord of gezien, te veel alcohol of drugs, het had niets uitgemaakt. Het enige wat voor mij telde was deze bijna dood ervaring. Het eventuele motief van de dader maakte het resultaat niets anders: dood is dood en dat is nogal definitief. De slag kwam dus uit het absurde niets. Die absurditeit houd ik graag overeind, Waarom zou ik willen begrijpen? Ik wilde geen slachtofferrol en ook geen legitimiteit vinden voor het geweld. Gij zult niet doden, was het enige dat telde en nog steeds telt. Blijf met je vuisten weg van mijn lijf.

Vier weken geleden bezocht ik een presentatie van de Tent of Nations in Amsterdam. Daoud Nassar, boer en eigenaar van een stuk grond bij Bethlehem, dat al sinds 1916 in bezit is van zijn familie, wordt al tientallen jaren in zijn bestaan bedreigd. Zijn leven op de Westoever bestaat uit uitsluiting, onthouding van water en elektriciteit en het weigeren van bouwvergunningen. Inmiddels leeft hij omringd door kolonisten, zijn er gescheiden wegen voor Joods en Palestijnse bewoners, wegblokkades, treiterijen en een voortdurende gang naar de rechtbank. Daoud weigert bij dit alles slachtoffer te zijn. Ook weigert hij te haten. Ten diepste weerstaat hij daarmee de eis om een tegennatuurlijke relatie aan te gaan met zijn bedreigers. Al het geweld, op grote of kleine schaal, wordt gevoed doordat de dader een slachtoffer eist: het geeft hem een perverse energie om te doden. Het grootste verzet tegen dit geweld ligt in de weigering van het slachtofferschap. Daarmee wordt met een grens gespeeld: het ultieme antwoord van de dader op dit verzet is mogelijk uitroeiing. Nassar weet dat. Zijn boerderij is inmiddels een plek waar veel buitenlandse gasten meewerken en zo een menselijk schild vormen. Met hun aanwezigheid wijzen zij de kolonisten een grens.

Met zijn houding creëert Nassar een ruimte die even moedig is als kwetsbaar, hij leeft met de wetenschap van een mogelijke verdrijving en daarmee ook in het voorportaal van de dood. Voor mensen die niet in die situatie verkeren is het nauwelijks voor te stellen daarin te kunnen verkeren. Gelukkig heeft hij medestanders, ook joodse, die hem steunen in zijn strijd tegen de vernietiging.

Ondertussen zijn we in een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten beland. Israël wil deze oorlog, Amerika ook. Dus vallen er bommen op Zuid-Libanon, Iran, Teheran en Beiroet. Met de totale vernietiging van Gaza voor ogen moeten we het ergste vrezen. Het Westen protesteert nauwelijks, want het Westen begrijpt Israël.  Niet als dader, maar als slachtoffer van onze westerse geschiedenis: het mag zich eindeloos wreken. Nu de bommen eenmaal vallen helpen we maar een handje: we sturen een fregat. Je zou Nethanyahu toewensen naar de Westoever af te reizen, naar de omgeving van Bethlehem. En te laten inzien dat je  slachtofferschap kunt weigeren. Daar gaat een enorme kracht van uit. En het schept ruimte. Toegegeven: het is veel gevraagd van een land dat oorlog en oorlogsindustrie voortbrengt en op wapens vertrouwt.  Hoe kan in een dergelijk land een man wennen aan de status van ongewapende naaktheid? En hoe kan diezelfde man worden teruggebracht bij de kracht van zijn kwetsbaarheid?

 

 

Verlies

3 februari 2026 | Door | 3 reacties

Soms verschijnen er boeken waar je zonder het te weten jarenlang op hebt gewacht. Momenteel lees ik zo’n boek: Verlies, van de Duitse socioloog Andreas Reckwitz. Het is een doorwrochte sociologische studie over het gegeven van ‘verlies.’. Reckwitz stelt dat sinds de moderniteit, globaal de periode van de laatste twee eeuwen, verlies op de koop toe wordt genomen. Geloof in voortuitgang, verandering, vernieuwing, modernisering – het kent verschillende namen – brengt iets nieuws voort maar draagt ook bij aan verlies. We bevinden ons in een proces van voortdurende verandering. Om veel van wat verdwijnt rouwen we niet, we hakken geen hout meer, slepen niet meer met kolen en rijden niet meer met paard en wagen. Niet alles wat verdwijnt ervaren we dus als verlies. Toch voert Reckwitz een pleidooi om stil te staan bij verlies, want de rechts radicale politiek heeft verlies hoog op de agenda gezet: verlies van traditionele waarden, feesten, omgangsvormen, verlies van de ‘joods-christelijke’ cultuur, het vormt de brandstof voor een destructieve woede die deze stroming kenmerkt. De linkerkant van het politieke spectrum heeft ervaringen van verlies voornamelijk gerelativeerd: de leefomstandigheden van de arbeider gingen erop vooruit en met liefde werd er afscheid genomen van een vaak onleefbare wereld. Verandering was per definitie: verbetering.

Niet alles wat verdwijnt is dus verlies. Wil er sprake zijn van verlies dan moet er een emotionele band bestaan met dat wat er verloren gaat. We kunnen dat als rouw ervaren, het is de pijn die we voelen bij het verdwijnen van wat ons dierbaar is. Reckwitz stelt nu dat we in onze samenleving aan die rouw geen plaats geven. De ontwikkelingen en moderniseringen volgen elkaar dermate snel op dat we tussen de generaties nauwelijks nog kunnen uitwisselen wat we missen. Iets daarvan is mij de laatste jaren duidelijk geworden bij kerkelijke uitvaarten. In de regel klinken daar liederen, taal en muziek die voor de oudere generatie de grond en hartslag hebben gevormd voor hun geloof, maar door de jongere generatie niet meer wordt begrepen. De taal, het ritueel is belangrijk geweest voor (o)pa of (o)ma, maar heeft voor hen geen zeggingskracht meer. De rites worden nog welwillend ondergaan als een kort verblijf in een voor hen onbekende wereld, maar verder is het een vreemd, leeg huis.

Ons vooruitgangsgeloof brengt derhalve breuken met zich mee. We nemen radicaal afscheid van een wereld die ons vertrouwd en dierbaar is en blijken niet meer in staat om te verwoorden wat we daarin verliezen. Simpelweg omdat daarvoor ruimte noch tijd bestaat. In die zin treft ons het lot wat veel migranten kennen. In hun nieuwe land, waar ze hun kinderen opvoeden in een andere taal en cultuur bestaat het land van herkomst niet meer. En natuurlijk kunnen taal en gebruiken nog een tijdje  voortleven, maar onherroepelijk worden ze ingewisseld voor het nieuwe land. Wat rest is het verlangen van de oudere generatie naar dat wat is voorbijgegaan.
Geen woorden kunnen vinden voor onze verlieservaringen kunnen ons hevig doen terugverlangen naar een voorbije wereld die inzichtelijk en begrijpelijk was. Het is de valkuil voor kerk en christendom deze wereld opnieuw te willen oprichten. De ervaringen van verlies vormen dan de aanleiding om ons op te sluiten in onszelf, te behouden wat we hebben en ons vooral onbegrepen te voelen door de ons omringende wereld. Verlies zet dan een hek om ons onvermogen en voor de kerk rest er enkel nog iets van folklore: Mooi en leuk om nog eens naar te kijken, maar verder niet meer van waarde.

Tijd voor een radicaal ander inzicht. Verlies is niet de aanleiding om het verleden te koesteren, maar vormt juist het hart van het Christendom. We komen samen rondom een Mens die verliest, die het niet redt in deze wereld, die preekt, geneest, bemoedigt, rondtrekt en aan de mensen kapot gaat. De kern van het Christendom is in de basis dit verlies. Het is de breuk in deze wereld, de afgrond, en misschien wel de wereld die we niet willen zien. Maar het is juist in dit verlies dat er iets anders zichtbaar wordt: er komt een gemeenschap aan het licht voor wie het brood werd gebroken en de wijn werd gedeeld: tekenen van het aanstaande verlies en de aanstaande dood. Het radicale antwoord op dit verlies wordt gegeven aan een gemeenschap die ontvangt. En die in het aanvaarden van die gift pas daadwerkelijk gemeenschap wordt. Met alles wat zij in zich heeft, aan gaven, Geestkracht en talenten. En natuurlijk rouwt die gemeente om de dood, maar tegelijkertijd krijgt zij het leven in handen. In het verlies ligt de kiemkracht van het nieuwe bestaan, in het breken en delen wordt dit bestaan onthuld.

Daarin ligt de toekomst van de kerk besloten. Niet in wat bewaard dient blijven, maar in dat wat in leven wordt geroepen. Wat dat kan zijn? Van alles. We roepen een nog niet bestaande wereld op. We spelen een nog nooit gespeeld spel. We vormen een koor dat nog nooit heeft gezongen. We leren opnieuw woorden van hoop spreken. We getuigen in een wereld zonder moed. We delen het eten met elkaar. We zetten wijd onze deuren open. We laten iedereen zonder voorwaarden binnen. Welkom hier. Hier krijg je deel aan het verlies, hier gaat een wereld verloren, maar hier ben jij deel van de toekomst. Ik? Ja, jij!

 

Met verzoenende taal over Gaza bereiken kerken niets

11 juli 2025 | Door | 1 reactie

De organisatie van de Rode Lijn-demonstratie deze week bij de PKN in Utrecht had de kerkleiding gevraagd zich tijdens die manifestatie niet uit te spreken. Dat deed de PKN niet, maar synodevoorzitter Trijnie Bouw publiceerde wel een tekst. Het is goed dat ze die niet uitgesproken heeft. Ze zoekt in de tekst verbinding tussen de verschillende standpunten. Wij zouden in onze protesten hartstocht laten zien. Maar het gaat bij Israël en Gaza slechts om twee woorden: wond en pijn. Daarin wordt juist alle hartstocht gedood. Klinkt er hooguit nog een schreeuw. En als het stil wordt, dan is dat niet de stilte van een gebed. Het is de stilte van de dood.

Mij werd als deelnemer aan de demonstratie duidelijk dat er op dit punt geen verbinding mogelijk is tussen de bloedgroepen van de kerk. Een deel van de kerk acht het legitiem dat Israël de sluizen van oneindige wraak heeft opengezet na de laffe aanval van Hamas. Dat wordt theologisch gemotiveerd. God heeft een plan met Israël, het is zijn oogappel. Kritiekloos schaart men zich daarbij achter de moordmachine, de genocide en de plannen voor deportaties. Empathie met de slachtoffers delft het onderspit. Het bombarderen van ziekenhuizen, het in puin schieten van een leefgebied van twee miljoen mensen: het vindt genade in de ogen van de christenzionisten. Je kunt geen brug slaan naar mensen die er een dergelijke mening op nahouden. Alle theologische beargumentering dat het mensen vrij staat om te doden is weerzinwekkend.

In de stilte tijdens de manifestatie en het voorlezen van de namen van slachtoffers in Gaza werd mij duidelijk dat de kerk zich zou moeten verzamelen rondom de wond van de dood en de zinloosheid van het geweld. De kerk is juist in deze pijn het dichtst bij Christus, van wie het lijden nog steeds als een wond in de geschiedenis ligt.

Het gaat op dit punt in de kerk niet om bruggen slaan of een verzoenende taal aanheffen. Vrome gebeden uitspreken waarbij we onmacht en onvermogen voor God leggen, dat leidt ons weg van de wond. Geen mens keert ermee naar het leven terug, geen militair legt er zijn geweer door neer. De grote kans bestaat dat juist in de vrome gebedstaal het moorden wordt gebagatelliseerd. En in het uitspreken van onze onmacht al onze mogelijke acties naar de achtergrond verdwijnen.

Maar we zijn niet machteloos. De wonden die nu worden geslagen, door Hamas en door Israël, zijn wonden in een lange keten. Dat de Westerse landen nu vrijwel kritiekloos Israël zijn gang laten gaan is de wond van onze passiviteit richting het nazisme, onze lafhartigheid ten aanzien van een systeem dat op uitroeiing van de Joden was aangelegd. We hebben onze empathie opzij gezet, we hebben ruimte gegeven aan een moordsysteem.

Het oplezen van de namen van de slachtoffers brengt ons bij het besef: in de dood verdwijnt alle toekomst, al het mogelijke leven dat geleefd had kunnen worden. Maar wij zijn er nog. En overleven verplicht. Het is op dit besef dat er tussen de bloedgroepen van de kerk nog een brug is te slaan. We kunnen terug naar het geweten. Naar het inzicht dat in de Reformatie ontstond toen Michael Servet, tegenstander van Calvijn, op de brandstapel terecht kwam. Calvijn had dat kunnen voorkomen, maar liet dat na. Het was de theoloog Sebastian Castellio die reageerde: Het doden van één mens is niet het verdedigen van het geloof, het is het doden van een mens. Hij plaatste het geweten tegenover het geweld, als een instantie die altijd het laatste woord moet hebben. Schop de mensen tot ze een geweten hebben, schreef de Belgische auteur Louis Paul Boon. Daar is het nu tijd voor.

gepubliceerd in TROUW, 12 juli 2025

Pinksteren

21 mei 2025 | Door | Geen reacties

Pinksteren begon voor mij dit jaar al vroeg. Op de zaterdagmorgen voor Pasen. Dat kwam namelijk zo. Mijn preek voor Pasen wilde maar niet landen. Voor een leeg computerscherm had ik een vaag idee waar ik naar toe wilde, maar de weg ernaar toe was mij volstrekt onduidelijk. Ik had wel een thema: het begin van de kerk ontspringt in de tuin van de Opstanding. Ik vond dat mooi bedacht. En verder zou ik iets doen met Jezus en Maria van Magdala. Maar wat? Ik had geen idee. Ik besloot om eerst boodschappen te gaan doen. Tien minuten later stond ik bij de bakker. Het was druk en ik wachtte op mijn beurt. Een vrouw kwam de bakkerij binnen. Ze keek mij aan en begon in het Frans tegen mij te praten. Ze was voor de kerk langsgekomen en het was er nog rustig. Morgen wordt het drukker zei ik, ik ben nog met de preek bezig. Ik vroeg mij af wie de vrouw was. Ze leek mij te kennen maar ik kende haar niet. En hoe wist ze dat ik Frans sprak? Ze vertelde dat ze met haar broze moeder van 93 naar Parijs was geweest en dat het nog was gelukt allemaal. Ik zei dat dat mooi was, stond ondertussen bij de toonbank en bestelde mijn brood in het Frans. Het werd niet begrepen. Verwarrend he, die Franse taal, zei de vrouw nu in het Nederlands. Ja, zei ik, zeer verwarrend. Ondertussen groeide mijn onrust. Wie was zij? Een gemeentelid dat ik niet herkende – slechte beurt Borger, ging het door mij heen – of toch een surreële engelachtige ontmoeting die mij twee keer eerder is overkomen. Was zij misschien de derde in de rij? En waarom dan hier, op zaterdagmorgen bij de bakker? De verwarring was compleet nu. Ik nodigde de vrouw uit om naar de kerk te komen. We zouden weer eens moeten gaan, zei ze. Joyeux Paques!

Ik liet de rest van de boodschappen voor wat ze was en keerde naar huis terug. Dit gebeurde er dus op Paasmorgen, dacht ik. Je wordt herkend door iemand die je niet kent. Zo moet het tussen Jezus en Maria zijn gegaan toen Hij haar aansprak. Natuurlijk kon zij niet anders denken dat het de tuinman was. Het is toch onmogelijk om te geloven dat iemand uit de dood terugkeert? Ik kreeg een idee. Morgen wordt het verhaal bij de bakker het begin van mijn preek. Maar wat ik ook probeerde, ik kreeg het ’s middags niet op papier. Ook ’s avond lukte het niet. En wijn mocht ook niet baten. De volgende ochtend schreef ik vijf punten op een A4tje. Bij de preek aangekomen biechtte ik het op: Ik heb geen preek, ik heb een verhaal. Dat komt omdat ik gisteren bij de bakker ben geweest. En daarna is het niet meer gelukt. Ik ga dit stand-uppen. Ik weet niet of ik het einde haal. Ik ga mijn best doen.

Ik begon met de vrouw bij de bakker. En van Jezus die Maria roept, terwijl ze hem niet herkent. En dat Pasen gaat over twee vragen: hoe nemen wij waar? En hoe worden we geroepen? En dat we meestal vastzitten in die eerste vraag, omdat we de hele dag online aanstaan en denken daarbij alles te weten komen over onszelf. En dat we verslaafd zijn geraakt aan het meten=weten principe. We begrijpen onszelf vooral in prognoses met opgaande en neergaande lijnen. In die voorspellingen zijn we gaan geloven, ook in de kerk. Ik denk dat het om wat anders gaat: Pasen roept ons weg bij onszelf. Je wordt dieper gekend dan je jezelf kent. Verberg je niet, schuil niet in wat je niet moet zijn. Ik vertelde van een organist die op grote orgels in volle orthodoxe kerken speelt, homo is, maar dat niet mag zijn van zichzelf. Ik wil een keer naar hem toe. Psalmen zingen op hele noten. Mijn guilty pleasure. Maar nu is hij opgepakt op verdenking van een zedenmisdrijf. En ik vertelde dat het leven zo niet moet zijn. En dat juist op deze plek, in de tuin van de Opstanding een mens geroepen wordt mens te zijn. Jan te zijn, Marian te zijn, Ferdinand, André of Ada. Hier begint het. Met jou, met mij. Ik scheerde langs de punten van mijn vertelling. En tot slot vertelde ik van mijn bezoek aan de slager ’s middags, waar ik aardappelsalade wilde, terwijl ik eiersalade aanwees. Wat wil je nu? riep de slagersvrouw, terwijl ze de handen in haar zij zette. Ik vertelde haar van de bakker ’s morgens, van de verwarring die mij de hele dag al parten speelde. Er schiet je wel weer te binnen wie die vrouw was, zei ze. Ik weet niet of dat zo is, zei ik. Ik denk eigenlijk dat het Pasen in mij moet worden. En in jou. En dat gaat door onze verwarring heen. En de kunst is om dat maar te laten gebeuren. Toen was ik uitverteld. Er ging een applaus op in de kerk. Mijn stand up was ten einde. We waren koorddansers in het Paasverhaal geworden, in deze tuin van de Opstanding. Daarna zongen we het dak van de kerk. Over steppes die gaan bloeien. En doden die leven. En dat we zullen opstaan. En meer van die dingen die je alleen maar kunt zingen. De vrouw werd niet meer gezien.

Dwaze rook

11 mei 2025 | Door | Geen reacties

Terwijl de rook is neergedaald – tot ieders verrassing kringelde ze prematuur boven het St.Pietersplein omhoog, ebt er langzamerhand iets in mij weg. De laatste dagen vroeg het om nader onderzoek en het het laat zich nu het beste als bewondering omschrijven. Ik wil niet dat het weggaat. Ik wil het anders dan de rook vasthouden. Ik wil het niet aan de vluchtigheid prijsgeven. Want ik voelde iets van vreugde, van hoop.  Vandaar deze tekst.

Ik ben een protestant op afstand, ver van Rome, ver ook van de katholieke traditie. Het zegt me niet zoveel dat Franciscus met zijn werkschoenen in de kist lag, in plaats van de rode Prada’s. En het is mij om het even, dat Leo XIV wel in het liturgisch rood ging en zijn voorganger niet. Alle analyses en voorspellingen, het enthousiaste getuigenis van Andrea Vreede bij de witte rook, ik vond ze mooi, maar niet noodzakelijk. Maar nu er een man begraven is en een nieuwe man gekozen, ligt er plotseling een spoor van bewondering in deze ziel, waardoor deze zich even plotseling verzet tegen de cynische stemmen dat ook deze pas gekozen mens, onmachtig en zonder leger, geen wereldvrede brengt en geen vrouwen of getrouwde priesters op de altaren zal laten plaatsnemen. Mijn bewondering zit in de dwaasheid van het hele gebeuren, de dakhazen die een pijp op de Sixtijnse kapel plaatsten, de meute kardinalen die zich laat opsluiten, de mensenmassa die zich vrijwillig bijeen laat drijven om niets van uitvaart en uitverkiezing te missen. Het tart allemaal de wetten van transparantie en efficiëntie en het toont zich als vanzelfsprekend. Het juicht en doet, het verlangt en hoopt. Het wacht. Ik word daar blij van.

Is het de macht van het getal, is het de schaal van de wereldkerk of zijn het de talloze camera’s die dit gebeuren registreren, waardoor het hele spektakel zich voorbij de verontschuldiging voltrekt? Het presenteert zich met een grote, bijna routinematige vanzelfsprekendheid alsof het jaarlijks plaatsvindt. Daarmee staat het in schril contrast tot het keurslijf van de verontschuldiging waarin het laatste restje Europees christendom zich nog beweegt. De toon waarmee getuigt wordt dat je als homo best christen kunt zijn en zelfs predikant, de bijbel een boek is dat weliswaar waarheid kent, maar niet waar hoeft te zijn gebeurd en dat gemeenschapsvorming – wat de kerk nu eenmaal is – de ontwikkeling van je eigenste individuele zelf echt niet in de weg hoeft te staan. Het wordt allemaal gezegd om niet tegen de haren van de moderniteit in te strijken. De westerse kerk, ik maak het dagelijks mee, verontschuldigt zich voor haar bestaan, voor haar idiote vorm, voor haar niet efficiënte manier van samenkomen en communiceren. Sorry, maar we vallen best mee!  Maar dat doen we niet. De kerk is een merkwaardig, onmogelijk gegeven, een dwaze opgave iets van deze wereld te maken, niet vast te blijven zitten in patronen van schuld en haat, wildvreemde mensen je broeder of zuster noemen als ware ze familie én geloven dat er ooit één mens uit de dood is opgestaan. Begrijp me goed: ik zie ook wel in dat een massa mensen elke kritische vraag tot zwijgen kan brengen en een massale schreeuw de heilzame kritische kant in een mens kan laten uitdoven. Daarvan kennen we inmiddels talloze voorbeelden. Het is dus oppassen geblazen, want we spelen met vuur. Maar in het samenspel van de rituelen zit een speelse dwaasheid die de dwaasheid van het Evangelie nadert. Ten diepste spelen we een spel. En daarin zit een bevrijdende kracht.

Terwijl ik dit schrijf verblijf ik in Cluny in een hotel dat gebouwd is op de muren van de grootste kerk die Europa ooit heeft gekend. Door de godsdienstoorlogen kwam het gebouw in verval, de Franse Revolutie verleende een genadeslag, maar de echte ontmanteling kwam pas toen in de negentiende eeuw de stenen werden verkocht voor de bouw van huizen elders. Godsdiensten kunnen, als elke ideologie, verschrikkelijk ontsporen. Maar juist daarom, als tegenwicht, moeten we de spelende mens blijven zoeken. De mens, die door de vragen van de moderniteit heen, juicht, lacht, helpt en ziet dat de wereld nog niet af is.

Morele herbewapening? Liever niet

30 maart 2025 | Door | Geen reacties

Collega-theologen bepleitten onlangs in een opinie-artikel in het NRC om de vastentijd te gebruiken voor ‘morele herbewapening’. Alvorens mensen opnieuw naar de oorlog te sturen, vrijwillig of dienstplichtig, dienen we ons te overtuigen voor welke waarden we hen uiteindelijk naar het front sturen. De tijd voor Pasen kan daarom worden gebruikt voor een morele herbewapening en de Bijbel kan naast de literatuur worden gebruikt om te komen tot de keuze van de waarden die ons leven constitueren. Ik heb daarover mijn twijfels. De bijbel is geen keuzehulpboek, maar een boek dat vanaf het begin worstelt met het leven, met de liefde, met het recht en met de eindigheid. Niet de moraal staat daarbij centraal, maar onze existentie die vanaf het begin wordt bedreigd. In plaats van de bijbel te hanteren als gids hoe te leven, doet de Bijbel iets anders: we worden door het boek in dit bestaan geworpen. Willen we op het spoor komen van onze waarden, dan is het zaak om de worsteling met dit leven aan te gaan en in het bijzonder: oog te krijgen voor het leven van de slachtoffers.

De Franse filosoof Ricoeur stelde ooit dat onze geschiedenis begint met een moord, die van Kaïn op Abel. Om de mensheid niet onmiddellijk in een wraakval te laten eindigen krijgt de moordenaar een teken mee ter bescherming. Niemand zal de moord op Abel mogen wreken. Het is vanaf dat moment dat het kwaad een plek in de mensheid heeft veroverd en ons niet meer heeft verlaten. Veelkoppig komt het terug in de gestalte van ruzies, oorlogen en steeds grotere schalen van vernietiging. Tegenover dat kwaad ontwikkelt zich een verlangen naar vrede, ruimte en rust, maar die zijn vaak van korte duur. Talloos zijn de disputen, de broedertwisten, de strijd tussen geestelijke en wereldlijke machten, profeten en koningen. In al die chaos ontwikkelt er zich langzamerhand iets van orde, van regels en wetgeving, die het leven reguleren en in beperkte mate ruimte en vrijheid waarborgen. De ontwikkeling van die regels is niet los te zien van de strijd die eraan voorafgaat. Zo ontstaan de Tien Geboden in de geschiedenis van een groep mensen die onder leiding van Mozes de benen neemt uit Egypte waar ze worden onderdrukt. Zodra er in de woestijn een gebrek komt aan water, voedsel en toekomstperspectief verandert de euforie van de herwonnen vrijheid al snel in heimwee naar het leven dat is achtergelaten. Het leidt tot een crisis. Waren ze niet beter af bij de vleespotten van Egypte? Hoe het volk te voeden? Op welke wijze de moraal hoog te houden? Hoe kan de hygiëne worden gehandhaafd? De ethiek die in de geboden wordt aangereikt is het antwoord op de existentiële dreiging van chaos en dood.

In het verhaal van de verzoeking van Jezus in de woestijn is de crisis en chaos van het volk in één persoon teruggebracht. Jezus wordt verleid door de Satan die hem alle macht ter wereld aanbiedt in ruil voor een simpele knieval. Kniel! En alle koninkrijken van deze wereld zullen voor jou zijn! In plaats van voor de Satan te buigen en de verleidelijke orde te omarmen, wijst hij deze af. Voor hem geen wereldheerschappij, maar de concrete levensverhalen van mensen met hun wanorde, hun verhalen van hoop en onderdrukking, hun verlangen naar genezing en rechtvaardigheid. De keuze die Jezus maakt is niet een keuze voor bepaalde waarden, maar de keuze voor het leven zelf. De enige oplossing voor hem om uit deze existentiële crisis weg te komen is, is de crisis aan te gaan. In de bedreiging van de vele levens, door ziekte, onderdrukking of geweld, vindt hij zijn weg om de morele kaders van zijn tijd te omarmen, bekritiseren dan wel te veranderen. In die zin ligt er een parallel in het leven van het volk in zijn geheel als dat van Jezus als individu. De waarden en normen die in beide situaties ontspringen zijn onlosmakelijk verbonden met het geleefde leven in al zijn schakeringen. In de bedreigingen ervan ligt de kiemkracht voor nieuwe morele kaders. Waarden zijn dus niet los verkrijgbaar. Ze kennen een noodzakelijke oorzaak. Wanneer je de regels niet meer fundeert vanuit hun ontstaan verliezen ze hun betekenis. En waar de ethiek van zijn ontstaansgeschiedenis wordt gescheiden, ontstaat moralisme. Uiteindelijk zal de wil tot naleving van de regels verslappen.

De vrijheid die we in Europa nu al tachtig jaar genieten is onlosmakelijk verbonden met de oorlog die eraan voorafging. De wereldorde die ontstond was een antwoord op de onvoorstelbare vernietiging, de ontwikkeling van de mensenrechten een poging om de humaniteit te waarborgen. Wat de vrijheid voedde waren de verhalen van de verschrikkingen, van alle grenzen van humaniteit die we blijkbaar kunnen overtreden en die tot dusver zijn gelijke niet had gekend. Vanaf de jaren zestig – alsof we toen pas de verschrikkingen onder ogen konden zien – legitimeerden ze onze wil tot vrijheid. Dit nooit weer! Maar met het uitsterven van de generatie die de oorlog aan den lijve heeft meegemaakt verstomt langzaam hun stem. Vrijheid is vanzelfsprekend geworden en wordt nu vooral begrepen als de vrijheid om te kiezen, geslacht, gender, opleiding, beroep. We zijn vrijheid met keuzevrijheid gaan verwarren. We omarmen een wereld aan mogelijkheden die ten dienste staat van de ultieme zelfexpressie, ten dienste van onszelf. Hoe die vrijheid moet worden beschermd? We zijn er nog niet uit. Straatinterviews geven soms enig inzicht. Het leger in? Dat is niet zo mijn ding, ik kom niet zo tot mijn recht in een oorlog…..

Door deze bovenmatige gerichtheid op het zelf, zijn we in het Westen momenteel nauwelijks in staat te reageren op de autocratische leiders van onze tijd. Nu met het aantreden van Trump de aanval ook nog eens van binnenuit komt is de verwarring nog groter. Het zwijgen t.a.v. de oorlogshandelingen van Israël in Gaza en de Westelijke Jordaanoever na de misselijkmakende terreuraanval van Hamas is een veeg teken. Dat een land zichzelf verdedigt is geoorloofd, maar dat een westers land al anderhalf jaar zich laat aanjagen door de motor van de wraak is ongekend. In het zwijgen van het Westen daarover wordt het handvest van de Rechten van de Mens ondermijnt. We nemen onszelf niet meer serieus. Wat dan wel? Het wordt zaak om een antwoord te geven op de overrompeling die momenteel plaatsvindt, de moedwillig gestichte verwarring in de ‘perfect storm’ die woedt. We blijken geen verweer, geen antwoord te hebben, noch op de terreur van Hamas, noch op de wraak van Netanyahu. Misschien lagen we nog wakker van het eerste kapotgeschoten ziekenhuis in Gaza. Maar nu de hele strook grotendeels is weggebombardeerd zijn we het spoor bijster. En horen we nagenoeg niets meer. De beelden maken ons murw en moedeloos of jagen ons het schaamrood naar de kaken.

Twee weken geleden ontvingen wij in de Agnus Deï-kerk in Waalre twee Syrische vluchtelingen. De één cellist, de ander violist. Twee mannen van 22 en 24 die elkaar na een afzonderlijk vluchtverhaal in Nederland weer zijn tegen gekomen. Beiden studenten van het conservatorium in Damascus, waar ze tussen de bombardementen hun opleiding volgden. En nu hier met een groot verlangen: samen musiceren. Ze speelden de sterren van de hemel. Zij zijn overlevenden van een terreur die honderdduizenden het leven heeft benomen. En in de kracht van dit overleven ontvouwt zich iets nieuws: een herwaardering van wat vrijheid is en de kostbaarheid van de keuzes die ons ter beschikking staan. Ze reiken ons hun verhalen aan, die als het goed is tot iets van een nieuw zelf-verstaan kunnen leiden. Zij zijn slachtoffers, maar niet in de zin van de neergeslagenen. We werden meegesleept door hun muzikaliteit, vol vitaliteit, vol nieuwsgierigheid. En brachten ons bij onze vrijheid terug.

 

Schok

14 maart 2025 | Door | Geen reacties

We leven in ongekende tijden. Er zullen maar weinigen zijn die hebben kunnen vermoeden dat de Verenigde Staten in de Oekraïne-oorlog de zijde van Rusland zouden kiezen. Maar het schier onmogelijke is gebeurd. De verhoudingen in de wereld kantelen in een razendsnel tempo. En tijd om te reageren lijkt er nauwelijks. Het overrompelt ons allemaal in een ‘perfect storm’, een opgezet plan om met een veelheid aan maatregelen verwarring en onrust te zaaien. Wat staat ons nu te doen?

Trump heeft bij zijn herverkiezing veel steun gehad van evangelische Christenen. EO prominent Tijs van de Brink maakte daarover een paar inzichtelijke programma’s. Wat opviel was dat de steun aan Trump vaak werd beargumenteerd met de mededeling dat God wel vaker niet al te vlekkeloze mensen (lees: mannen) als leider verkoos. Mozes had een moord op zijn geweten. David doodde Goliath en ook met de eerste moordenaar Kaín gaat de geschiedenis verder. Hij krijgt zelfs een teken ter bescherming. Voorbeelden te over om een man met een niet al te beste staat van dienst opnieuw het Witte Huis in te stemmen. Dit zou wel eens God plan kunnen zijn. Opvallend  is dat het daarbij weinig over Jezus gaat. Natuurlijk komt hij wel voorbij. He is risen! En dan wordt Hij ook voorgesteld als de krachtpatser die de dood heeft overwonnen. Maar de Jezus die rondtrok, genas, het goede nieuws verkondigde en niet meeging in ‘Make Israël great again’ over die Jezus gaat het zelden. En laat het nu die Jezus zijn die we in de kerk belijden. Tenminste dat hoop ik. Want de krachtpatserigheid bedreigt ons. Hebben we daar als christenen, hebben we daar als kerken een antwoord op?

Daarover heb ik mijn twijfels. Ik denk dat we als kerken sterk zijn meegegaan in de neoliberale politiek van de laatste dertig jaar. Toen ik onlangs in een gespreksgroep vroeg wat het verschil was tussen het ‘gewoon jezelf kunnen zijn’ (een leus van een politieke partij) en ‘je mag hier geloven wat je wilt’ (een zin waarmee menig Protestantse Kerk zich profileert) viel er een stilte. Waarin onderscheiden we ons als kerken eigenlijk? En wat kan een antwoord zijn op een politiek die het eigenbelang voorop stelt, zich van leugens bedient en nietsontziend de humaniteit bij het grof vuil zet?

Het is in deze tijd voor Pasen zaak om Jezus weer op het spoor te komen. En te beseffen dat we Hem kunnen volgen, maar Hem niet kunnen toe-eigenen. Hij is niet van ons. Hij is er voor ons. En hij gaat voor ons uit. Dat vraagt om samenkomen, om kerkgang, om gemeenschapsvorming. Dat alles om een tegenwicht te bieden tegen al ons doorgeschoten individualisme, tegen onze opgeblazen ego’s en de misvatting dat deze wereld enkel om onszelf draait. Het spoor dat we kunnen vinden is van de weggevende liefde tegenover de eisen uitruil die momenteel onze politiek domineert. We zijn met een schok aan het ontwaken in een andere wereld die we ons niet hadden voorgesteld. Maar we hoeven daarin niet in onder te gaan. We zijn niet machteloos.