4 mei Herdenking Valkenburg
5 mei 2026 | Door Ferdinand Borger | Geen reacties
Mijn ouders, die een eeuw geleden werden geboren en niet meer in leven zijn, vroeg ik ooit hoe het had kunnen gebeuren, die oorlog, die bezetting en vervolgens het wegvoeren van Joden.. Ze bleven het antwoord schuldig, zij hadden in hun jonge jaren, (ze waren dertien en veertien toen de oorlog uitbrak) het kwaad wat in deze oorlog schuil ging, nog niet kunnen onderscheiden. En toen het kwaad over hen kwam was het zo groot, en zo onvoorstelbaar, dat ze het binnen de mogelijkheden van ons mens-zijn geen plek konden geven.
Toen ik later als theologiestudent de opkomst van het antisemitisme bestudeerde, ontdekte ik hoe diep geworteld dit gif was in onze maatschappij. Joden kregen nergens een volwaardige plek in de samenleving. Dat Joden als tweederangs burgers werden gezien, dat konden mijn ouders bevestigen. Niet dat ze het daar mee eens waren, integendeel. Maar in de publieke opinie hadden Joden een slechte naam. Een deel van de protestantse gereformeerde traditie waar ik uit voortkom ging mee met de opvattingen van de NSB, terwijl het hoogste orgaan van de gereformeerde kerken uitsprak dat een lidmaatschap van die partij niet te verenigen was met het christelijk geloof, een zelfde statement dat de katholieke bisschoppen hadden gemaakt. Die opvatting leverde verzetsstrijders op die met de dood voor ogen het onrecht te lijf gingen. Maar lang niet iedereen verzette zich.
Er is een glijdende schaal die leidt tot uitsluiting. Toen ik twee jaar geleden in Berlijn een operavoorstelling bezocht, ontdekte ik na afloop in de foyer van het theater een plaquette met daarop de namen van de Joden die al in 1933 bij het aan de macht komen van Hitler uit het operagezelschap waren ontslagen. Enkel om hun Jood zijn. Dat was zeven jaar voor de oorlog hier kwam. Zeven jaar ook waarin het gevaar van het nazisme kon worden ontkend. We zijn in staat om weg te kijken, ons gemoed te sussen en ons geweten tot zwijgen te brengen. En als er iets is dat we dienen te leren van de geschiedenis is het misschien dit: het grootste gevaar schuilt erin dat we denken te begrijpen. En dat we mee gaan in de opvatting dat het redelijk is om mensen uit te sluiten. Het grootste gevaar is dat we gaan begrijpen wat niet begrepen mag worden. De geschiedenis leert ons dat uitsluiting niet begint met geweld, maar met het verspreiden van een gedachte. Een gedachte dat de ene mens beter is dan de ander, meer recht heeft op deze wereld dan de ander, een beter bestaan verdient dan de ander. En het is verbijsterend om te zien hoe voor de oorlog er nauwelijks verzet kwam, en er ook in Nederland voornamelijk bewondering was voor het Wirtschaftswunder dat Hitler in zijn land voltrok. Het Duitse volk stond op uit zijn vernedering en we zagen niet de vernietiging, noch de vernietigingskracht die daarmee gepaard ging, totdat we er zelf mee geconfronteerd werden.
Uitsluiting begint niet met geweld, maar met een gedachte die wordt verspreid. En wordt die gedachte dominant in een samenleving, dan hebben we daar een woord voor: een frame. En dat frame, dat kan een emotie zijn, een gevoel dat nauwelijks iets te maken hoeft te hebben met de werkelijkheid. Het gevoel verdringt dan de feiten. Met een beroep op een gevoel, op ingebeelde angst, kunnen burgers tot tweederangsburgers worden verklaard. Dat is helaas van alle tijden, ook van de onze.
Wat staat ons dan te doen? Naeeda Aurangzeb, columniste van Trouw schreef zaterdag in haar column dat ‘het goede doen, begint met zichtbaar maken wat weggemoffeld wordt’. Het begint met het zichtbaar maken van de kleine uitsluiting, de kleine slechte gedachte, de kleine ontmenselijking. Zichtbaar maken wat niet onzichtbaar mag worden, daar slagen we niet altijd in. Dit is ook het moment om ons falen onder ogen te zien. In de spiegel kijken is soms een pijnlijk proces. Maar het voorkomt de veel grotere pijn van de vernietiging. En het haalt ons weg bij de afgrond die we voor elkaar kunnen aanrichten.









