Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ik en jij

6 oktober 2015 | Door | 1 reactie

De afgelopen weken begeleidde ik een groep in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. We lazen het boek ‘Ik en jij’  van Marin Buber ter voorbereiding van drie kerkdiensten. Zondag 4 oktober was de eerste dienst. Ik schreef daarvoor onderstaand verhaal.

Onlangs bezocht ik de voorstelling ‘ Unser Dorf soll schöner werden’ een productie van de Müncher Kammerspiele in samenwerking met acteurscollectief Wunderbaum. De voorstelling was gebaseerd op een klein onderzoek dat zowel in Nederland als Duitsland had plaatsgevonden. In beide landen had men een aantal deskundigen uit verschillende beroepsgroepen uitgenodigd, en hen de vraag gesteld: wat is de transitie die onze maatschappij nu nodig heeft? Wat is de wezenlijke verandering die de samenleving moet ondergaan, wil deze toekomstbestendig zijn en duurzaam? De deskundigen werden met dit doel om tafel gezet, van een copieuze maaltijd voorzien en hun gesprekken werden opgenomen. Uit het materiaal van de twee bijeenkomsten uit beide landen ontstond de voorstelling. We keken naar een lange tafel waar vijf acteurs aan plaatsnamen. Beurtelings voerden zij het woord: o.a. een klimaatdeskundige, een manager en een ontwikkelaar van BMW. De insteek was hilarisch en komisch: er werd een voorstelling aangekondigd die zes uur zou duren en ‘ ohne Humor’, want in het Duits, maar al snel kreeg de beklemming de overhand. De manager stelde zich na een lange verhandeling over de ontwikkeling in haar vakgebied tevreden met de zonnepanelen die er werden geplaatst op de school van haar dochtertje en verder had ze het boeddhisme omarmd waar ze zich prettig bij voelde; de klimaatdeskundige gaf prijs hoe zij na de klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009 de werkelijke stand van milieu en klimaat bij haar had laten binnenkomen en begon minutenlang hysterisch te huilen. Gelukkig kon ik mij als trotse bezitter van een tweedehands Mercedes B, waar ik sinds mei in rondrijd nog even vastklampen aan het betoog van de BMW ontwikkelaar die een promotioneel praatje hield voor de BMW i3, een milieuvriendelijk model dat de wereld verlossing zou brengen. (Die Mercedes van mij is overigens een erg eenvoudig model hoor, sober uitgevoerd zonder cruise control of navigatie, ik wil mij natuurlijk niet te veel van jullie vervreemden) Na deze betogen begon een van de Duitse acteurs het verhaal van Noach te reciteren, ondersteund door orgelmuziek. De regisseur, Johan Simons, is van Gereformeerde Bondsafkomst en dat zouden we weten ook… Als in een Pavlovreactie kropen de acteurs onder tafel, bescherming zoekend, om daar na de fictieve zondvloed weer onder vandaan te komen. Ik kreeg buikpijn van wat ik zag. Akelige buikpijn. Waarom? Omdat er geen wezenlijk gesprek gevoerd werd, er geen contact was, er  geen communicatie plaats vond. Het leek in de taal die werd gebezigd om de taal zelf te gaan. De gesprekspartners stelden zich tevreden met de klanken die ze al kenden; de uitspraken die ze van elkaar verwachtten. De taal was reclametaal geworden, of taal die niet meer is dan de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie:  ‘Ik vind’, ‘ik voel’, ‘ik denk’… Alle woorden die gesproken werden konden even waar zijn als onwaar, losgekoppeld van de realiteit waarin ze ontstonden. En daardoor ook niet meer in staat om een blik op de toekomst te ontsluiten, juist datgene waartoe de mensen om de tafel waren gezet. We keken naar taal die zijn kracht had verloren en niet meer was dan leugenachtige reclametaal, niet meer dan betrekking hebbend op de persoonlijke beleving of de persoonlijk bevinding – zo denk ik erover hoor, dat zegt mijn gevoel, maar dat zegt verder niets over jou, of over de wereld, het is mijn mening maar. Hoe zou zich met deze taal nog iets van een perspectief op de toekomst ontwikkelen? Hoe zou, als de taal niets anders meer is dan een uiterst individuele expressie er nog sprake zijn van een gezamenlijkheid? Ik werd een bezorgde toeschouwer. En vroeg mijzelf af: Hoe kun je voorkomen dat we in het vacuum van betekenisloosheid terechtkomen? En hoe kun je vermijden dat we in dit manco aan perspectief, de angst ons niet bij de kladden grijpt? De angst voor de toekomst, de angst voor de ander, de angst voor het verliezen wat we hebben, de angst voor het ouder worden, de angst voor het pensioengat, de angst voor… vul maar in.

Het was een geluk om in deze weken met het ‘ik en jij’ van Martin Buber bezig te zijn, waar we ons, met de voorbereidingsgroep – en dat moet gezegd – ook doorgeworsteld hebben. Want Buber is niets van reclametaal, niets van de taal die enkel betrekking heeft op het persoonlijke. Buber is in de eerste instantie mystieke taal, waarmee je moet leren omgaan, taal die je op je moet laten inwerken en waarvan je de ruimte dient te verkennen. Maar wat heilzaam om te lezen, nu je in een voorstelling als ‘Unser dorf soll schöner werden’, het angstige vermoeden kunt krijgen dat de taal waarmee wij communiceren eindig kan zijn. En zijn kracht kan verliezen. Een zelfde gevoel trouwens dat mij overviel toen ik keek naar de Algemene Beschouwingen in de Tweede Kamer dit jaar. Taal die meer beschadigt dan ontvouwt, meer vernietigt dan opbouwt. Het kan ertoe leiden dat we als eenzame vreemden tegenover elkaar komen te staan. Buber doet het tegenovergestelde. En zoekt, op een bijna archeologische manier naar onze oorsprong. ‘In den beginne is de relatie’ stelt hij. Buber plaatst daarmee een kanttekening bij het op het voetstuk zetten van het individu, dat zich misplaatst onafhankelijk waant. Het ‘ik’ als zodanig bestaat niet. We kunnen in ons onderzoek naar de mens, niet verder afdalen dan naar de relatie. De relatie is het grondprincipe van de mens. De mens is tweevoudig in zijn wezen, stelt hij. Maar de relatie is er niet een van knechting en onderdrukking. De relatie is niet vrijheid beperkend. Integendeel. De relatie is de ik en de jij die tegenover je staat. En tussen die ik en die jij ontstaat de ruimte, de tussenruimte. De ruimte is er niet zonder die ander, zonder die tegenover. Het ik gebeurt aan het jij, het jij gebeurt aan het ik. En die ruimte is de voorwaarde voor de werkelijk ontmoeting, voor het werkelijke gesprek. Over die ‘ jij’ die tegenover mij staat kan ik niets zeggen. Zodra ik op grond van vermoedens, van vooroordelen uitspraken over hem of haar doe, vernietig ik de ‘ jij’ al. Het enige wat mij als het ‘ik’ te doen staat is in de werkelijkheid van de ontmoeting te treden, het vooroordeel en oordeel op te schorten, zelfs de mens tegenover mij niet te beschrijven… en de relatie werkelijkheid te laten worden.

Voor Buber zijn al deze ik jij relaties die tussen mensen ontstaan, dynamische relaties. Ze bestaan niet op grond van wetten of regelmatigheden, ze hebben ook geen blijvende duur, ze laten zich niet vastleggen. Ze dienen zich steeds opnieuw aan en verdwijnen weer. Het is een komen en een gaan. Niemand kan ze vasthouden. Maar in de dynamiek van die relaties ontvouwt zich wel iets, waarvan Buber zegt dat het ons een zicht op de Eeuwige geeft. Kijken we verder, zouden we verder kunnen kijken, dan ontvouwt zich daar het zicht op God. En dat brengt ons bij het verhaal van Mozes vanmorgen. Bij die merkwaardige tussenruimte van die tent in de woestijn. Waar Mozes God ontmoet, van aangezicht tot aangezicht staat er, maar het aangezicht van God blijft verborgen. God praat met Mozes zoals een mens met een vriend praat. Het duidt op een gezamenlijk verleden al. God en Mozes zijn ook al een eind met elkaar onderweg. Nu het tot een volgende stap komt in de reis naar beloofd land, durft Mozes het aan, God te vragen meer van zich te laten zien dan hij al weet. Er is veel lef voor nodig om enkel op grond van een vermoeden te reizen. En hoe zou hij, Mozes, het volk kunnen overtuigen als hij zijn gesprekspartner niet heeft gezien. Is het niet het zien van het gelaat dat ons de betrouwbaarheid van een oordeel geeft? Is het niet de expressie van de ander, die ons in staat stelt af te wegen of degene tegenover ons zijn woorden zal nakomen en zich zal houden aan zijn beloftes? Mozes wil dit gelaat zien. Zo komt het tot een vreemde intimiteit. Juist in een gesprek van vrienden laat je de ander vaak de ander. Omdat je hem of haar niet wilt corrigeren, omdat je de ander accepteert zoals hij of zij is. Met zijn mooie kanten, met zijn nukken, ongemakken, onkunde. Maar het is in deze intimiteit dat Mozes verder durft te vragen. Hij maakt zich daarin kwetsbaar. Hoe beledigend kan het zijn om de vertrouwensvraag te stellen. Maar God gaat in op zijn verzoek. Deels. En maakt zich daarin even kwetsbaar en afhankelijk van deze mens, die het volk naar de toekomst zal leiden. Het gelaat van God zal Mozes niet te zien krijgen. Het zou alle ruimte tussen hen beiden vernietigen. Niet meer dan de achterkant van God zal zichtbaar worden. En God zelf zal met zijn hand Mozes beschermen. Zo blijft de ruimte tussen God en Mozes een verhulde ruimte. Buber stelt dat het de zoom van de mantel is die Mozes te zien krijgt, meer niet. Het is in deze behoedzame openbaring dat de mens niet wordt verpletterd en God zich niet laat toe-eigenen. Dat is heilzaam voor beiden. Er blijft een ik en een jij. Er blijft een ik en een tegenover. En het is in de openheid van deze ruimte dat er woorden kunnen klinken die vragen naar een toekomst. U zegt wel dat u met ons meetrekt. Maar mag ik er iets van zien?

In deze verhulde, mystieke ruimte, in deze ontmoeting tussen God en mens krijgen de woorden opnieuw hun waarde. En in het aarzelende en voorzichtige spreken hervinden ze hun betekenis of misschien beter gezegd: hier vinden we de oorsprong van hun betekenis. Het komt er dus op aan onszelf toe te staan telkens opnieuw naar die betekenis op zoek te gaan. Het dunkt mij dat we dat het de essentie is van datgene wat we hier doen. We onderzoeken de betekenis van het Woord, we onderzoeken waarin wij ons ten diepste aangesproken weten. In dat onderzoek worden we bij onszelf weggehaald. In de relatie tot het ‘jij’ komt er misschien wel een ander ‘ik’ aan het licht. Of een gedeelte van het  ‘ik’  dat ik niet kende, dat nog nooit is aangesproken, nog nooit is wakker geroepen. Je overgeven aan het gebeuren van de ontmoeting gaan dan ook verder dan de afspraak die wie erop nahouden met betrekking tot de liturgie. Het gaat ook veel verder dan het gezamenlijke akkoord dat we onderschrijven waarop wij elkaar hier ontmoeten, waarvan wij met elkaar hebben afgesproken wat de norm is. Wat wij normaal vinden en iets minder normaal. Of acceptabel en niet acceptabel. Of je Jezus moet zeggen of Christus of Messias. Of je Oosterhuis moet zingen en niet Johannes de Heer, het gaat allemaal daaraan voorbij. Het ik treed in de open ruimte en tast door middel van het kijken, door middel van de taal, door middel van de stilte naar het jij. En het jij reikt naar het ik. Het is een oefening.

Ik zou bijna zeggen – en dat past wel in deze kerk – ook een oefening als protest. Als een broodnodig hervinden van de taal en van de ander. Als een geestkracht die de taal niet betekenisloos laat worden. Als een signaal naar de politiek waar vluchtelingen ‘testosteronbommen’ worden genoemd. De ruimte tussen het ik en het jij heeft misschien wel de afspraak nodig of een wet die de ruimte beschermd en kan laten ontstaan. De ruimte tussen het ik en het jij kan gebaat zijn bij de routine van een ritueel. Maar nooit heeft die afspraak het laatste woord. Zij is voorwaarde, meer niet. Zoals een feest zich wel laat organiseren, maar het feest vieren niet. Laten we ons aan dat vieren overgeven.

Comments

  1. Het voelt bijna als “inbreken” om een reactie te (durven) geven op dit verhaal. Ik zou het graag willen bevestigen als een “feest van herkenning”. Onlangs volgde ik elders in het land lezingen over het gedachtegoed van Martin Buber en wel over het “Ich und Du”, het Ik en Jij, ik en de Ander. Het was even “thuiskomen” en de bevestiging van een intern vermoeden dat dit gedachtegoed nodig / welkom is in de huidige tijd. De tussenruimte, ofwel de open ruimte; het open staan en uberhaupt besef hebben van de ander, van diens ideeën, gevoelens, ervaringen en gedachtegoed. Als mens, maar evenzeer als spiegeling, of zo je wilt als afgevaardigde van de Ander. Daar, in dat besef, in die ontmoetingsruimte is zoveel mogelijk!
    Mooi om jouw woorden te lezen hier, op dit blog. Dank je wel daarvoor!

Voeg een reactie toe