Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Kerkdiensten Waalre

Nieuwe website Agnus Dei Waalre

13 oktober 2018 | Door | Geen reacties

De kerkdiensten van de Protestantse Kerk te Waalre zijn voortaan te beluisteren op https://adkerk.nl/  Onder het kopje ‘kracht’ vind je dan de rubriek ‘kerkdienst gemist’.

Zondag 23 september AD-kerk Startzondag

24 september 2018 | Door | Geen reacties

Naar aanleiding van het jaarthema van de Protestantse Kerk: “in gesprek” gingen we in deze dienst aan  de hand  van het evangelie van Marcus met elkaar in gesprek over de vraag: Wat is jouw beeld van Jezus. Voor het gesprek werden een aantal afbeeldingen geprojecteerd. Deze zijn, evenals de liturgie te openen door deze link: Liturgie 23 september startzondag

Opening:

Kyriëgebed en lied:

Gebed om Gods Geest

Kinderen naar nevendienst:

Inleiding op Bijbellezing:

Bijbellezing:

Lied 324

Het gesprek:

Ken je mij:

Voorbeden:

Collecten:

Kinderen terug:

Slotlied:

De zegen:

Naspel:

Zondag 2 september AD-Kerk

2 september 2018 | Door | Geen reacties

 

Voorspel;

Opening:

Lied 283

Kyriegebed

Glorialied: 650

Gebed

Bijbellezingen:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Maaltijd van de Heer:

Onze Vader:

Delen brood en wijn

Dankgebed:

Lied 827

Zegen:

Naspel:

Preek n.a.v. Efeze 6, 10 – 20

Trek de wapenrusting van God aan om stand te kunnen houden tegen de listen van de duivel. Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen

Toen ik deze week zag dat de tekst uit de brief van Paulus aan de Efeziërs op het rooster stond was er eerst iets van een blijde herkenning. Soms zijn er van die teksten die me je meereizen door de tijd. Je bewaart ze, je koester ze, ze dragen herinneringen van je mee. En deze tekst uit Efeze was dat zeker ook. Ik moet er ook vaker over gepreekt hebben al en meer nog: al vaker aan gedacht. Een tekst kan ineens een actualiteitswaarde krijgen alsof deze in het verleden juist voor dit moment geschreven is. Alsof de schrijver, laten we aannemen dat dat Paulus is, vooruit heeft kunnen kijken. In de jaren tachtig viel de tekst voor mij op zijn plek. Ik, nog jonge theologiestudent, was twee maal op weg naar Amsterdam en Den Haag voor de grote demonstraties tegen de kernwapens. We hadden te vechten tegen de wereldbeheersers van deze duisternis. We wisten hoe die duisternis in elkaar zat, we kenden de bedreiging van het militair industrieel complex zoals we dat toen noemden. We wisten wat goed was en wat fout, we kenden de scheidslijnen van wat mensen overeind zet en wat mensen vernietigt. En wij, wij wilden daarvoor strijden. Hoe mooi paste deze tekst van Paulus daarbij. Hij gaf een plek aan ons licht militante gedrag. En leek daar zelfs toe op te roepen. We voerden strijd. En Paulus vocht een beetje met ons mee. Wees ongehoorzaam. Verzet je. Als ik nog twijfels had aan onze missie dan hielp de tekst mij daarover heen.

Het is meer dan dertig jaar later. Het is 2018. Van die strijd is niet zo veel meer over. Van de christenen die zich de straat op bewegen voor een demonstratie ook niet. Integendeel. De tekst valt niet meer op zijn plek. Het christendom is druk bezig met zichzelf. De katholieke kerk bevindt zich momenteel in een enorme crisis. De Volkskracht kopte deze week dat alle rellen rondom alle misbruikschandalen, misschien wel de grootste crisis is sinds de Reformatie. En dan zou zo maar kunnen zijn. Het misbruik uitgevoerd door een relatief kleine groep van de geestelijkheid tast de kerk in zijn geheel aan. En dat is niet verwonderlijk want de koppeling van leer en leven, van geloof en geloofwaardigheid staan op het spel. Waar geloof en geloofwaardigheid niet meer samengaan wordt het geloof een lege huls. Nergens ter wereld mag er een dergelijk misbruik plaatsvinden, maar de kerk is de laatste plaats waar dit zou mogen gebeuren. Het treft de kerk in het hart van de zaak. De kerk is de plek waar je veilig bent, waar je kwetsbaar mag zijn, waar niet geoordeeld wordt, waar er niemand is die jou wil gebruiken voor welk doel dan ook. De kerk is de plek ook waar je met je verhaal kunt komen. Hoe geschonden en ingewikkeld dat leven ook is. Het is de plek waar je kunt worden vergeven, waar een last van je schouders wordt afgenomen. Dat is allemaal de core-bussiness van de kerk. De kerk is ook de plek waar je gezien mag worden, waar je niet groter en mooier hoeft voor te doen dan je bent. Het is de plek waar je eerlijk mag zijn. Tegenover God en tegenover jezelf. Dat maakt de kerk tot een unieke en ook kwetsbare plek. En waar die plek geschonden wordt door het personeel van die kerk zelf – en dat gebeurt niet alleen in de katholieke kerk, laten we dat beseffen – wordt het hart van de kerk vernietigd. En alles wat er tegenin gebracht wordt, dat het misbruik overal gebeurt, ook in de jeugdhulpverlening en de sportwereld of de theologische argumenten die worden ingebracht, dat we zondige en zwakke mensen zijn die niet volmaakt zijn, het snijdt allemaal geen hout. Ook het protest tegen het feit dat er in de media zoveel aandacht aan het misbruik wordt besteed, treft geen doel. Ergens is die media ook de stem van de wereld die de kerk aan haar roeping herinnert. Waar staan jullie nu voor? Wat geloven jullie nu eigenlijk? En wat is daar van waar?

Ik vroeg me deze week af wat het antwoord van de kerk kan zijn. Iets van een grondige hervorming denk ik, iets van een proces om in je eigen ziel te willen kijken. Dat moet in een wereldkerk als de katholieke kerk gebeuren. Maar misschien moet het wel op alle plekken gebeuren waar we proberen kerk te zijn. En is het juist de kracht van die kerk om in de eigen ziel te kijken. Niet om te navelstaren, maar om aan het licht te brengen waar het ons nu om gaat. Ik merkte dat die tekst uit Efeze op het eerste gezicht niet zo geschikt is voor dit ‘in de ziel kijken’. Woorden als harnas, wapen, schild, helm, wapenrusting, zwaard, zijn woorden die staan voor het defensief, voor de verdediging. Voor de weerbaarheid, voor de kracht. Ze staan voor het gevecht, voor de krachtmeting. Voor het: willen heersen, sterker zijn dan de ander. Met deze woorden geraakt een mens niet aan zijn ziel, maar bereikt hij het tegendeel. Maar als je door het pantser van deze tekst heen kijkt dan zien we dat in de tekst al de wapens worden geladen met datgene wat geen wapen kan zijn: waarheid als een gordel om je heupen, gerechtigheid als het harnas voor je borst en het evangelie van de vrede als de sandalen aan je voeten. Het zijn de wapens van de ontwapening die hier worden opgevoerd. Er zal geen oorlog mee te winnen zijn. Maar doe ze om. Stel je present. Laat ze zien. In hun naaktheid. In dat wat ze willen zijn. Meer niet.
In de geschiedenis van het christendom en de kerk hebben we er heel wat op los getheologiseerd. Beschouwingen over liefde en rechtvaardigheid. En over of God liefde is en, zo ja, hoe? En op welke manier er rechtvaardigheid bestaat en – heel reformatorisch – hoe we zelf gerechtvaardigd zijn als mens. We kunnen er boeken over vol schrijven. Maar in tijden van crisis – en ik denk dat dit voor de kerk een tijd van crisis is – is er geen tijd voor een vlucht in de beschouwingen. Er is een directe vraag hoe rechtvaardigheid, liefde en evangelie gestalte krijgen. Er is een vraag naar de geloofwaardigheid van het geloof. En op die vraag kunnen we niet antwoorden met een boek. Maar we kunnen slechts antwoorden met onszelf.

Ik vond dat onlangs prachtig verwoord door de liberale rabbijn Marianne van Praag in de laatste serie van Coen Verbraak op tv: ‘Kijken in de ziel’. Hij maakte die met religieuze leiders. Hij ondervroeg hen over leven en dood, ethiek, hemel en hel, ziekte en genezing etc. En telkens vroeg hij hen naar de leer van het door de verschillende leiders beleden geloof en hoe zij er zelf instonden. En de meesten wilden hem dat wel vertellen, hoe het zat met hun leer en hun dogma. Om vervolgens te laten zien hoe zij daar zelf in stonden. Maar één iemand stak daar wat mij betreft telkens bovenuit en dat was Marianne van Praag. Iedere keer als haar naar de leer van het Jodendom werd gevraagd, vertelde zij in het kort wat deze inhield en liet vervolgens weten hoe zij zich daar niet aan hield. Toen haar de vraag werd gesteld naar euthanasie vertelde zij dat de officiële leer haar eigenlijk niet toestond om daar aan mee te werken. Maar zei zij: als jij een beroep om mij doet, dan ben ik er voor jou. Tot aan het eind. En zo liet zij in veel van haar antwoorden een radicaliteit zien die iets liet zien wat volgens mij heil is. En heilzaam. Zij stelde zich present. En probeerde dat te belichamen wat van haar ten diepste werd gevraagd: Er te zijn voor de ander die een appèl op je doet. En daar zat iets van een onmiddellijkheid in. Niet van een uitstel, niet van een wens, niet van ik zou eigenlijk moeten, maar: ik ben. Hier. Voor jou. Wat kan ik voor je doen? Wie kan ik voor je zijn? En in het verlengde van de tekst uit Efeze, hoe belichaam ik voor jou het evangelie van de vrede? Hoe geef ik gestalte aan wat waar is en waarachtig. Hoe bewerk ik recht en rechtvaardigheid?

In preektheorieën wordt vaak gewaarschuwd dat heel veel preken eindigen met oproepen waarin we van alles moeten. Kijk mijn preken er maar eens op na en die van mijn collega’s: er zit vaak heel veel moeten aan het eind van een preek. We moeten dit en we moeten dat. En dat moet niet. Maar dat kun je eenvoudig weg voorkomen door het wat minder dwingend en wat meer vriendelijk te maken, meer te omschrijven ook. Dus dan zeg je niet ‘moeten’, in zo’n zin van: gemeente wij moeten meer op onze buren letten (of iets anders moois… ) Maar dan zeg je: gemeente wij worden uitgenodigd tot het omzien naar onze buren. En dan denk je als goegemeente: Nou dat is mooi. Of nog wat vager: gemeente wat zou het goed zijn als het ons zou lukken onszelf uit te nodigen om wat meer naar onze buren om te zien. Zullen we daar deze week eens aan gaan werken? Dat is ook heel mooi. Waarbij je dan wel de vraag kunt stellen waarom ons dat niet zou lukken. In veel van deze uitnodigende wolligheid verliezen we een kracht die juist in een tekst als die van Efeze verborgen zit. Houd stand, neem, draag, wees. Het is een gebiedende wijs die het evangelie tot leven wekt. Op onze huid.
Dus daarom niet: wat zou het mooi zijn als we vandaag weer brood gaan breken. Maar: we breken.
Of: wat zou het goed zijn als we elkaar de vrede zouden wensen. Nee: We wensen elkaar vrede.
Of: wat zou de wereld er toch veel beter uit zien als we het leven meer zouden delen. Nee: We delen.
Of: wat zou het fijn zijn als we in staat zouden zijn elkaar dingen te vergeven. Nee: We vergeven.
Of: wat zou het goed zijn als we er meer voor de wereld om ons heen zouden zijn. Nee: We zijn.
We breken
We delen
We wensen elkaar vrede.
We vergeven.
We zijn.
Dat is ons lichaam. Het is het enige antwoord op alles wat dat lichaam schendt. Amen.

AD-kerk 22 juli Het nut van het nijlpaard

22 juli 2018 | Door | Geen reacties

Het einde van het boek Job is eigenlijk teleurstellend. Voor ons als lezers dan. En misschien voor Job zelf ook. Wij als lezers zijn vanaf het begin in een alwetende positie geplaatst. Ons is een blik in de hemel gegund, waar de uitdager van God heeft voorgesteld om Job op de proef te stellen. Hebt u gezien hoe vroom die Job is? En hoe rechtvaardig? Indrukwekkend he? Ik durf te beweren dat die vroomheid niet zoveel voorstelt. Het gaat de Job namelijk in alle opzichten voor de wind. Wat zou er gebeuren wanneer  zijn voorspoed en welvaart bij hem weggehaald wordt? Zullen we dat eens uitproberen? En God stemt daarin toe. Alles wordt van Job weggenomen. En het noodlot raakt hem tot aan zijn huid. Wij als lezers weten wat zich daar in hemel heeft afgespeeld. Job niet. Job tast in het duister. Aan het eind van het boek nu zou je verwachten dat Job dezelfde blik in de hemel zou krijgen, die ons als lezers  gegund is. Dat hij zijn kennisachterstand kan inlopen. Zodat hij in ieder geval zou begrijpen voor welke uitdaging God zich gesteld zag. En hoe het lot dat hem trof het resultaat was van een afspraak, een bijna morbide deal. Maar Job krijgt dat inzicht niet. Ook lukt het hem niet God voor het gerecht te krijgen. De langverwachte rechtszaak blijft uit. God blijkt geen partij voor Job. En Job is geen partij voor God. En dat bewustzijn komt aan het eind van het boek Job aan de oppervlakte. De mens is mens. En God is God.

Moegestreden is hij Job. Van het eindeloos argumenteren. Van de discussies met zijn vrienden, die hem niets aflatend wijzen op zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn lot. Het is er niet zo maar Job, dat lijden, dat heeft alles met jezelf te maken. Moe is hij van zijn schreeuw om recht die niet beantwoord wordt. Hij is niets meer. In het begin van het boek schreeuwt hij het al uit dat hij niet meer gezien wordt, er niet meer is. Als je naar mij opkijkt zie je mij niet meer, ik word niet meer gezien op het erf, Ik ben enkel nog maar schreeuw geworden. Maar ook die schreeuw verstomt na al de gesprekken met de vrienden. Ook aan taal komt soms een eind. Omdat je voelt hoe onmachtig taal kan zijn, hoe nutteloos zinnen en spraak. Omdat het niets meer in beweging zet. Omdat je de ander met de taal niet meer bereikt en niet meer raakt. En je noodgedwongen stil wordt. Dat gebeurt bij Job. Het is een vermoeide stilte. En in die stilte komt het antwoord van God.

Geen kijkje in de hemel. En geen rechtsspraak. Ook geen allesvernietigende storm of aardbeving. Dat had Job wel verwacht. Als God zou spreken dan zou het groot zijn, overweldigend. Het is ook niet de overmacht waarmee God Job te pletter slaat. God vraagt Job zich op te stellen en te zien. De man die zelf niet meer gezien wordt. En al helemaal zichzelf niet meer onder ogen durft te komen – zijn leven is onaanzienlijk geworden – krijgt de opdracht opnieuw te gaan kijken. Kijk naar het nijlpaard Job, hoe het gemaakt is. Hoe sterk het is. Hoe gepantserd en gespierd. Hoe machtig het is en onoverwinnelijk. Zou jij dat kunnen Job een nijlpaard maken? Nee, dat kan Job niet. Job is een mens. En Job als je het nijlpaard al niet begrijpt, hoe zul je dan de rest begrijpen? In het antwoord van God wordt Job op zijn plaats gezet. Het totale begrijpen is voor een mens te groot. Job krijgt geen deel aan een allesomvattend inzicht, hoezeer hij dat ook zou willen. Maar het is geen verpletterende nietigheid waarmee hij op zijn plaats wordt gezet. In de zin van: je stelt als mens niets voor. In het antwoord van God wordt juist op de grootsheid van de nietigheid gewezen. Het oog van Job wordt langs de details van het nijlpaard gevoerd. Kijk Job, kijk. En dat kijken, dat heeft hij in al zijn klagen en klachten verleerd. In de schreeuw om gehoord te worden, ziet hij niets anders meer dan het onrecht dat hem wordt aangedaan. En in het verlangen naar het recht, wordt zijn leven vernietigd door het recht dat uitblijft.

Zo krijgt hij een antwoord dat geen eenvoudig antwoord is. Het is eigenlijk geen echt antwoord. Het is een nieuw inzicht: Blijf niet zitten in het onrecht dat je wordt aangedaan, blijf niet zitten in je schreeuw, noch in je klacht. Maar dat is makkelijk gezegd. Het kan ook al snel als goedkope troost klinken, waarbij het onrecht dat iemand treft al te makkelijk naar de achtergrond kan worden gedrongen.

Deze week werd herdacht dat vier jaar geleden de MH17 uit de lucht werd geschoten boven Oost-Oekraïne. In veel berichtgeving lezen we telkens opnieuw dat de onderste steen boven moet komen over de aanstichters van deze aanslag. En nabestaanden hoor je soms zeggen dat ze pas verder kunnen met hun leven als er recht zal zijn geschied en de misdadigers hun straf hebben gekregen. Maar, dacht ik deze week mij buigend over Job, wat nu als die rechtszaak niet komt? Wat als het onrecht niet wordt bestraft? Hoe moet je dan verder met je leven? Is het dan voorbij? Is de vernietigingskracht van de dader zo groot, dat hij ook dat kan bewerkstelligen? En in het verlengde van de vele doden, even zoveel levens kan onderdompelen in cynisme?

In 2001 was ik met een groep jongeren in Sarajevo waar de burgeroorlog nog maar net beëindigd was. En de jongeren die we daar spraken moesten verder met hun leven. Maar hoe doe je dat als groepen die altijd vreedzaam hebben samengeleefd elkaar ineens vijanden worden en elkaar gaan uitmoorden. Het feit dat zij als verschillende culturen tientallen jaren hadden samengeleefd was niet het probleem. Dat gebeurde in alle vreedzaamheid, zoals we dat in ons eigen land ook kennen. Het probleem was dat het ineens niet meer kon. En er haat was op plekken waar je dat niet zou verwachten. En niemand eigenlijk begreep waar die haat vandaan kwam. Toen de oorlog voorbij was, was er een schreeuw om recht. Maar ook de vraag: waar dan te beginnen. En men zag ook in dat men in een eindeloze procesgang terecht zou komen, die het samenleven jarenlang onmogelijk zou maken. Dus werd er op allerlei plekken in de samenleving gestreefd naar verzoening. Als het recht niet komt moet je toch verder: je  leven, je wilt leven. Hoe voorkom je dat je leven verhardt en cynisme een schil om je bestaan bouwt? Hoe ga je met je leven verder als er een wond geslagen wordt die zich niet zo maar laat helen?

De oproep van God om naar het nijlpaard te gaan kijken is een bijna hilarische poging om Job te bevrijden uit zijn klacht, uit die schil van cynisme. Daarmee is het raadsel omtrent zijn lot niet opgeheven. Job wordt bepaald bij de kleinheid van zijn mens-zijn. Maar ook bij zijn vermogen om zich bij de grootsheid van alles te verwonderen. Verliest hij dat vermogen, dan is hij verloren. Als mens.

In het lied van Stef Bos dat we hoorden, klinken de zinnen: Nu ik zie hoe op het nulpunt ik door de leegte wordt gered en verbaasd ben hoeveel liefde zich altijd weer naar buiten vecht. Dat is een ervaring die we denk ik met velen kunnen delen. Op momenten dat het in je leven zwaar is en alles je tegen kan zitten en je opeens de kracht ervaart dat er in je – ergens – een bron aanwezig is die je weer op de been zet, die je opnieuw doet leven, opbloeien.

Toch zit er tussen het lied van Stef Bos en de tekst van Job in de bijbel een verschil. In het antwoord van God wordt die bron aangesproken: sta op Job, toon je! Het is God zelf die de bron in Job wakker roept. Het is de stem die geen genoegen neemt met de klacht. Het is de stem die hem overeind zet in een nieuwe ruimte waar hij twee nieuwe inzichten mag verkennen. De eerste is dat een mens moet leren leven met een niet-weten. En het andere inzicht is dat almacht ons als mens vreemd is. De mens is mens. Nu is dat leren leven met een niet-weten ingewikkeld. Wij willen weten, steeds meer weten, onze grenzen overschrijden en vooral niet denken vanuit onze beperkingen. En dat is een groot goed. Het helpt de wereld vooruit. Maar tegelijkertijd zijn we niet alwetend. We doorgronden het mysterie van het leven niet. Dat kun je zien als een beperking. Maar je kunt het ook omarmen als een heilzame beperking: het geeft ons ruimte. Niemand van ons hoeft de wereld te dragen. Niemand hoeft God te zijn. We zijn ook niet almachtig. Ook al denken sommige in populisme gedrenkte politieke leiders van wel; ze zijn hun eigen god.

Ik geef mij beter over zingt Stef Bos op het eind van zijn lied. Als het leven van Job tot het nulpunt is gedaald rest hem niets dan de overgave. Maar die overgave is niet de berusting. Hij geeft zich over aan het kijken. Aan de schoonheid. Aan de verwondering. Dat bevrijdt hem. En het bevrijdt hem ook van zichzelf. Dat is geen goedkope troost. Ik denk dat het hard werken was voor Job. Een mens stapt niet zo maar uit zijn klacht. En een mens accepteert niet zo maar dat hem of haar geen recht geschiedt. Maar als hij of zij zich durft te laten roepen en overeind te laten zetten en het nijlpaard onder ogen durft te zien. Dan is het te doen. Dan is het te doen. Amen.

De opnames van de dienst:

Voorspel:

Opening:

Kyriëgebed:

Glorialied:

Bijbellezingen:

Overdenking:

Collecten:

Slotgebeden:

Slotlied:

Zegen:

 

Video: Lied van het nulpunt, Stef Bos, beelden en montage; Ferdinand Borger

 

 

 

 

AD-Kerk 15 juli – Mevr. Petra Zweers

17 juli 2018 | Door | Geen reacties

Voorspel:

Opening:

Kyrië:

Toelichting bij de lezing:

Gebed bij Schriftlezing:

Lezing:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Slot:

 

Afbeelding boven: Het dochtertje van Jaïrus, Ilja Repin (1844-1930)

 

De tekst van de overweging:

Leerlingen van Jezus,

Enkele weken geleden overleed de schrijfster van wie ik alle boeken heb gelezen. Het eerste was een bundel columns – onder de titel Korte metten. Deze waren al eerder verschenen in het feministisch maandblad Opzij. Ik las die begin jaren ‘ 90, toen de emancipatie van de vrouw nog een lange weg te gaan had. Er was weliswaar al best wat bereikt door de generaties vóór mij – zo waren vrouwen handelingsbekwaam geworden en was het normaal geworden dat een vrouw niet automatisch haar ontslag kreeg wanneer ze trouwde.

Renate Dorrestein – want zij is de schrijfster die ik zo bewonder – heeft in columns en romans telkens de vinger op zere plekken gelegd. Situaties die zo volstrekt normaal waren en buiten elke vorm van discussie stonden, dat ze eigenlijk niemand opvielen maar die er wel voor zorgden dat vrouwen in achterstandsposities bleven. Het vergt moed om buiten de geschreven en ongeschreven conventies van de samenleving te treden.

Zeker in voorbije eeuwen maar ook nog tot op de dag van vandaag, worden vrouwen bepaald door hun lichaam én door hun relaties.Zij zijn de voedsters en hoedsters van de mensheid. Vrouwen kunnen kinderen baren – en daarom was het tot voor kort hun natuurlijke en van God gegeven opdracht om moeder te worden. Even voor de goede orde: als je graag moeder wilt worden, is het natuurlijk fantastisch wanneer je kinderen krijgt – en heel verdrietig wanneer je ze niet krijgt.

Waar het om gaat is dat voor vrouwen in vroegere generaties het levenspad al vast lag en soms nu ook nog. Studeren was daarom voor hen vaak niet weggelegd.‘De maagd zal trouwen, zwanger worden en een zoon baren.’ En aangezien het voeden en hoeden daarna nog zo’n slordige achttien jaar duurt, is het leven van een vrouw al voor een groot stuk ingevuld, laat staan wanneer je meerdere kinderen hebt. Niks mis mee, begrijp me goed. Maar het verschil met mannen is zo groot. Zij zijn evengoed nodig bij de totstandkoming van het nageslacht maar zij worden daardoor niet bepaald. Zelden wordt aan een man gevraagd hoe hij carriere en gezin denkt te combineren.

Als ik mezelf hoor praten denk ik onwillekeurig dat we dit station toch met z’n allen wel gepasseerd zijn. Maar dan heb ik buiten de waard gerekend. Want nu vrouwen zo zoetjesaan doordringen in de top van het bedrijfsleven, ja nu zij het zelfs tot burgemeester van onze hoofdstad heeft geschopt, nu wordt er openlijk aan haar capaciteiten getwijfeld. Een vrouw zonder bestuurlijke ervaring – dat gaat nooit goed. Toen de vorige burgemeester zonder bestuurlijke ervaring aantrad was dat geen enkel probleem maar hij was dan ook een man.

Hebben wij wel vertrouwen in de vrouw? Hoe zien wij de vrouw en wat verwachten wij van haar? Om maar in de eigen gelederen te beginnen: de man was tot enkele jaren geleden de enige die een ambt in de kerk mocht vervullen. In veel kerken is dat nog steeds zo. Pijnlijk, en voor vrouwen soms een reden om de kerk te verlaten.  Vrouwen mochten wel zorgen en onderwijs geven aan kinderen – of ze nou haar eigen of andervrouws kinderen aan het opvoeden was maakte blijkbaar niet zoveel uit. En zorgen was haar immers aangeboren.

Nu vrouwen van die gebaande paden afwijken, moeten wij het beeld van de vrouw bijstellen en dat valt nog niet mee. Een vrouw die voor haar mening en haar recht opkomt, haar plaats in de maatschappij uitbreidt, menig mannenbolwerk betreedt – het lijkt zo vanzelfsprekend maar let maar op de onzichtbare lijnen die getrokken worden tussen de seksen.  Het kan een vrouw met angst vervullen. Angst voor het vrouw-zijn met alle verwachtingen die daarbij horen – zou dat een reden kunnen zijn om het leven niet aan te kunnen? Angst kan voor veel psychische en lichamelijke ellende zorgen.

De vrouw die al twaalf jaar ongesteld was. Daarmee was zij onrein, zo weten wij uit de religieuze wetten van weleer. Onrein – dat heeft een klank van vies, van besmet, van onaantrekkelijk. Dat was het oorspronkelijk niet en ook mannen konden onrein worden. Voor mannen en vrouwen golden dezelfde cultische regels – ze mochten niet naar de tempel omdat de Heilige niet geconfronteerd kon worden met wat onrein was: mensen en voorwerpen.  Onrein had niets te maken met ethiek of zonde – die connotaties kreeg het later.  Deze bloedvloeiende vrouw is al een half leven onrein, ziek, en daardoor nauwelijks in staat om aan het normale leven deel te nemen. Immers, wie zij aanraakte werd automatsich ook onrein. Dat wilde niet zeggen dat ze niemand mócht aanraken, maar de aangeraakte werd dan ook onrein tot de avond.

Deze ziekte maakte haar juist in haar vrouw-zijn jarenlang onrein. En wat daar de bron van was, voelde zij pas toen zij Jezus had aangeraakt. De bron van waaruit zij ziek was, droogde op. Een aanraking – ze zal die twaalf jaar lang hebben vermeden maar nu zoekt ze het op. Ze wil Jezus aanraken, ze wil weer in contact komen met het goddelijke en haar onreinheid houdt haar niet tegen. Tegen de religieuze wetten van haar tijd in.

En Jezus laat zich niet afschrikken. Hij weet dat onreinheid niet van buitenaf maar van binnenuit komt. Het zijn je eigen gedachten die je onrein maken. Die bron in haar, die troebele bron die haar angst voedde. Ze stort haar hele verhaal voor Jezus uit – ondanks het geduw en gedrang om haar heen en tegen haar sidderen en beven in – vraagt zij de aandacht van Jezus. Jezus luistert naar haar, wenst haar alle goeds en geeft haar een opdracht mee. Wees genezen van je kwaal. Laat die bron niet opnieuw je ziekte voeden.

Iedereen die psychotherapie heeft gehad, verslaafd is geweest of bijvoorbeeld een burnout heeft gehad, weet hoe moeilijk het is om verlost te blijven van je ziekte. Het is niet één keer de knop omzetten, het blijft opletten geblazen om niet weer in dezelfde valkuilen te stappen. Op het moment dat de ziekte je heeft verlaten voel je je bevrijd – maar hoe verleidelijk is het om terug te grijpen op oude gedachten en gewoonten. ‘Ik kan het niet, ik ben het niet waard, een ander kan dat veel beter, ik heb geen bestuurlijke ervaring.’ Dan blijft alles bij het oude en vloeit het leven langzaam maar zeker uit je weg.

Het leven van een vrouw werd en wordt ook nu nog bepaald door haar relaties. Van Renate Dorrestein leerde ik ook dat ‘het meisje’ tot voor kort nooit heeft bestaan. Wel als genderaanduiding jongen/meisje, maar niet als een zelfstandig wezen. Het meisje werd immers geboren als bezit van haar vader, als ze trouwde werd ze van haar man. Dat klinkt misschien boud maar denkt u maar aan het fenomeen dat de vader zijn dochter ‘weggeeft’ aan haar echtgenoot, wanneer die om haar hand heeft gevraagd.

En het is duidelijk te horen in het verhaal van Jaïrus. Hij komt naar Jezus toe met de mededeling dat zijn dochtertje op sterven ligt en of Jezus maar even zijn handen op haar wil leggen, dan zal zij genezen. Maar Jezus neemt zijn eigen tijd, hij laat zich niet dicteren door deze man. Op het moment dat hij eraan toe is, ensceneert hij het intieme decor voor de volgende opstanding. Het meisje ligt op bed, een kind op de grens van volwassenheid. In de Joodse traditie is zij op deze leeftijd verantwoordelijk voor haar eigen religieuze leven. Misschien nog net geen vrouw, maar zeker geen dochtertje meer. Jezus legt haar helemaal niks op, hij vat haar hand en wekt haar tot leven. Een eigen leven. Als kind van God, als meisje. Hij draagt haar ouders op haar eten te geven waardoor zij met elkaar verbonden blijven, en van waaruit zij gevoed en gesterkt haar eigen leven mag gaan leiden. Verbonden met haar ouders maar niet hun bezit. Jezus spreekt de genezen vrouw aan als dochter, waardoor haar isolement is opgeheven; hij spreekt het dochtertje aan als meisje waarmee hij haar als zelfstandig persoon aanspreekt.  Amen.

 

AD – Kerk 8 juli ds. Henk Veltkamp

9 juli 2018 | Door | Geen reacties

Voorspel:

Opening:

Kyrië:

Kinderen naar de nevendienst:

Lezingen: Psalm 139, 1 – 18  Handelingen 17.22 – 28:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Slot:

Naspel:

 

Afbeelding boven: detail uit het schilderij ‘Psalm 139’ uit: Aafke Holman , De Psalmen, een vertaling in kleur

Dr Oepke Noordmans (1871-1956) schreef in 1949 in “Gods poorten”:

Toen voegde de psalm, terwijl wij op de landweg voortgingen, zich bij ons. Hij wandelde als derde met ons mee, zoals Jezus met de Emmaüsgangers. Hij woei om ons heen, zoals de Heilige Geest om de discipelen op het Pinksterfeest. De woorden wisselden van mond tot mond, weg en weder, weer en weer, tot de psalm inwendig in mij woonde en mijn memorie en verstand het ritme hadden overgenomen, waarin hij zelf, bij het drijven van de Geest, was geboren. Daarna gingen wij zwijgend ter schole.

De psalm maakte echter niet alleen inwendig woning in de harten; hij had ook andere, eigen woningen in de dingen. Hij woonde en wandelde en woei bijzonderlijk aan die landweg, als God in het paradijs op de middag. (…) En als wij op de middag huiswaarts keerden; als wij dan aan de rode landweg kwamen tussen de groene weiden, dan verhoogden de poorten de boog, en wij gingen er onder door met een stille, blijde verbazing. Dan werd het zonlicht tot een verheffing en tot een opening naar het rijk der klare waarheid.

AD – Kerk Thema: Verdedig God niet…

1 juli 2018 | Door | Geen reacties

Gelezen: Job 9, 25 – 35, Job 10

De vorige dienst over Job, op 17 juni, (ik herhaal dit maar even voor wie het gemist heeft… mis geen dienst zou ik zeggen… ) had als thema dat Job niet zozeer in een contractrelatie met God wil leven, maar het contact met God zoekt. Het hele systeem van rechtvaardig en vroom leven met daarop volgend een passende beloning – kenmerkend voor een contractrelatie – wordt aan het begin van Job doorbroken. Rechtvaardig en vroom leven leidt niet zo maar tot voorspoed. Het schema van voor wat hoort wat wordt doorbroken. Sterker nog: de grootste rampspoed kan je zo maar overkomen, ook als je een vroom leven leidt. Ik eindigde mijn preek toen met de mededeling dat het niet om een contract maar om contact gaat. En dat het boek Job erover gaat dat Job het inzicht verwerft dat het tot een echt contact met God dient te komen. Maar Job geeft zich niet zomaar gewonnen. Prima, dat gesprek met God, maar dan wel op zijn voorwaarden.
Het gesprek dat Job van God eist en de relatie die hij met God zoekt heeft alles weg van een symbiotische relatie zoals ik deze week in een commentaar las. In een symbiotische relatie is de ander niet de ander in zijn of haar eigenheid, nee de ander is een kloon van jezelf. Iemand die net zo denkt en handelt als jijzelf denkt en handelt. Die symbiotische relatie is een veilige relatie want je hoeft je standpunten en meningen niet te herzien, laat staan dat ze worden tegengesproken door de ander. Job wil wel contact met God, maar dan in zo’n symbiotische relatievorm. Was God maar een mens verzucht hij in het negende hoofdstuk dat wij vanmorgen lazen. Dan zou hij met hem in gesprek kunnen treden, redelijke argumenten uitwisselen, een debat voeren, een uitleg krijgen van het hoe en waarom. In die symbiotische relatie voert de eis die aan de ander wordt gesteld dan ook de boventoon: De ander moet net zo zijn zoals jij bent. Job verwijt God dan ook van alles. Gods bestuur is zuivere willekeur. Hijzelf zou veel consequenter handelen, als hij God was. Zo wordt God verweten dat Hij niet zo rechtvaardig is als Job. Was de wereld maar zoals Job. In de symbiotische relatie is er geen tegenspraak. Die wordt ook niet verwacht. De ander is alleen maar een uitbreiding van wie jijzelf bent. Die ontmoeting met die anders is dan ook niets anders dan een treffen waaraan voorwaarden worden gesteld. Maar dat is geen echte ontmoeting. Het is eigenlijk de ontmoeting met het door je zelf ontworpen spiegelbeeld.

Job eist verantwoording van God op zijn meest menselijke manier. Maar God is geen mens, verzucht Job. Job is niet God. En God is niet Job.
“Hij is geen mens, zoals ik, anders zou ik hem kunnen antwoorden, als we samen voor de rechter stonden. Was er maar iemand die tussen ons rechtsprak, die over ons beiden zijn gezag kon laten gelden.”
Het komt in het boek Job niet tot een rechtspraak, waarin God en Job voor een hogere instantie zich zouden dienen te verdedigen. De schrijver Elie Wiesel heeft dat wel gedaan. Hij heeft op basis van het boek Job, in de jaren tachtig een toneelstuk geschreven waarin hij de problematiek van Job verplaatst naar een herberg in Rusland, begin zeventiende eeuw. In die herberg laat hij het proces tegen God plaatsvinden.
In het plaatsje Shamgorod waarin de herberg staat, heeft een pogrom plaatsgevonden met desastreuze gevolgen voor de joodse gemeenschap. Een joodse herbergier, Berish heeft bij de geweld en woede-aanval zijn vrouw en kinderen verloren. Zijn herberg houdt hij met moeite in stand. Hij moet wel, om te overleven. Hij klaagt tegen zijn christelijke huishoudster Maria over het lot dat hem is overkomen. En hij laat haar weten dat hij het liefste God zou willen aanklagen in een proces. Maar zij wijst dat af als onzin. Nu is het de tijd van Poerim, het joodse carnaval, waarbij de geschiedenis van Esther centraal staat. En bij het Poerim horen zogenaamde Poerimschpielers, die op verzoek grappige en burleske sketches opvoeren, waarbij maskers worden gebruikt.

Het is al laat op de avond als een drietal van deze Poerimspielers zich aandienen in de herberg. Zij zetten het op een vrolijk drinken en blijken na een tijdje de consumpties niet te kunnen betalen. Weet je wat, zegt één van de spelers, wij kunnen voor jou wel een poerimspel spelen. Als betaling van al onze drankjes. De waard gaat daarmee akkoord, op één voorwaarde: Hij wil zelf het onderwerp van het spel bepalen. Dat is goed zeggen de spelers, kom maar op met je voorstel. Luister zegt de waard, ik wil dat jullie het proces tegen God gaan spelen. Bij de razzia die hier onlangs heeft huisgehouden heb ik alles verloren. Ze hebben mijn kinderen gedood, mijn vrouw en meer van mijn familie. Het enige dat ik nog heb is deze herberg. Ik wil weten waarom dit is gebeurd? Ik wil God ter verantwoording roepen. En daarom wil ik dat jullie het proces tegen hem gaan spelen. De spelers schrikken enorm. Dat wat de waard van hen vraagt kunnen ze onmogelijk doen. Het proces tegen God voeren, betekent dat er iemand van hen het voor God zal moeten opnemen. Iemand van hen zal advocaat namens God moeten zijn. En hoe zouden ze dat ooit kunnen doen? Hoe zou iemand van hen een rechtvaardiging kunnen vinden voor datgene wat de waard is overkomen? De spelers zijn verlegen met de vraag: Dat wat je van ons vraagt, kunnen we niet, zeggen ze tegen de waard. Niemand van ons kan de advocaat van God zijn. Je vraagt iets onmogelijks. En dan komt het tot een patstelling in de herberg. De waard blijft erop staan dat het proces tegen God gevoerd moet worden en de spelers blijven weigeren. Ondertussen ligt er een forse rekening die moet worden betaald. En waarvan alleen het spel de betaling kan zijn. Dan meldt zich diep in de nacht een late gast die nog onderdak zoekt. Sam heet hij. Hij ziet de spelers teleurgesteld zitten. Zij vertellen hem dat ze de rekening niet kunnen betalen. En dat ze aangeboden hebben een poerimspel op te voeren. Sam vraagt wat het probleem is. En zijn leggen hem uit dat de waard het proces tegen God gespeeld wil zien. Dat hij al zijn familie verloren heeft bij de razzia en dat niemand van hen God wil verdedigen.
Dat wil ik wel doen, zegt Sam. Ik wil wel de advocaat van God zijn. Laten we het spel maar beginnen. En zo worden de rollen verdeeld en krijgt het spel een aanvang.
Sam speelt zijn rol als advocaat van God met verve. Die kinderen van je, zegt hij tegen de waard, die kinderen van je zijn dood. Maar denk je niet dat ze het nu beter hebben dan hier? En wat voor toekomst had je ze eigenlijk kunnen bieden met je herberg? Niets toch? En als de rabbi in het spel klaagt dat hij tijdens het voorlezen uit de Torah ‘viert uw feesten met vreugde’ overvallen is door een bende die juist op dat moment de synagoge heeft uitgemoord, maar hem heeft laten leven, roept de advocaat van God: “Kijk, een wonder! Jij hebt het overleefd. Het is een wonder van God! Wees blij dat je er nog bent! Trouwens wat weten jullie nu eigenlijk? Wat weten jullie ervan wat de slachtoffers in het moment van hun sterven in de pogrom is overkomen? Zijn ze misschien blij geweest dat hun tijd voorbij was? Niemand weet wat er in het moment van de dood door iemand heen gaat. Ook jullie niet… “ En zo voert Sam het ene na het andere argument aan, waardoor de pogrom en de vervolging een logische en door God gewilde handeling is geweest in het leven van deze gekwelde en geteisterde gemeenschap. Sam blijkt een uitstekend verdediger van God te zijn. De andere spelers komen dan ook steeds meer onder de indruk van hem. Dit, dit is een echt vrome man! Dit is een echte gelovige! Hij weet wat God wil! En hij staat achter Hem! Daarbij verbleekt hun eigen geloof. Uiteindelijk valt het spel door het optreden van Sam stil. De spelers zetten hun masker af. Iedereen heeft zich laten overtuigen door zijn verdediging van God en zwijgt. Wie bent u eigenlijk, vragen ze dan aarzelend. Waar komt u vandaan? We zijn onder de indruk hoe u God verdedigt. Als jullie dat eens wisten zegt Sam, als jullie dat eens wisten. Hij loopt door het café in de richting van de wenteltrap die naar de slaapkamers voert en gaat naar boven. Halverwege de trap zet hij zijn masker op. Dat blijkt het masker van de duivel te zijn.
Zo laat Elie Wiesel het in dit toneelstuk tot een proces tegen God komen, waarbij de kracht van overreding en overtuiging het voor God opneemt. En de enige die over die kracht beschikt is in zijn visie de duivel. Het is zijn eigen ervaringen in Auschwitz geweest die hem het stuk hebben doen schrijven. Het is de zwarte ervaring van Godsverduistering. Of misschien is het beter om te zeggen dat de mensen in Gods licht zijn gaan staan. En in de schaduwen die dat werpt hebben ze de onmenselijke zijde van het mens onderzocht en meer dan een kans gegeven. Het is niet zo dat God daar niet meer te vinden zou zijn. Zelfs in de zwartste nacht kan Hij aanwezig zijn. Maar Wiesel laat zien dat elke verdediging van God, als zou God de hand hebben gehad in deze onmenselijkheid, een volkomen misplaatste is. Eigenlijk is het een vloek.

Verdedig God niet, kondigde ik aan als thema van deze dienst. God hoeft niet te worden verdedigd. God hoeft ook niet te worden gered. Dat is een onmogelijke opdracht, die helemaal niet nodig is. En het is al helemaal geen troost om God in verband te brengen met de ondoorgrondelijkheid van leed en lijden dat ons mensen overkomt. Het kan zelfs gevaarlijk zijn om daar een systeem van te maken. Met de term ‘God wil het’ of ‘God met ons hebben mensen zich massaal overgegeven aan geweld, aan moorden, aan vernietiging. Een goddelijke legitimatie brengt mensen dan over de drempel van hun kritische zelfreflectie. Als God het wil, wie kan er dan tegen zijn? Ten aanval!

We zitten hier dan ook niet in de kerk om God te verdedigen. We zijn geen ridders en geen zwaarddragers. We zitten hier denk ik ook niet voor de grote uitspraken. Waarom zitten we hier dan wel? Om te onderzoeken denk ik. Om ons telkens opnieuw de vraag te stellen wat rechtvaardigheid is bijvoorbeeld. Om een term als liefde en naastenliefde voortdurend te herijken. Waar hebben we het over als we dat zeggen? En wat stelt het voor als we zeggen dat we trouw zijn aan elkaar. En wat betekent vriendschap. Hoe ziet het eruit als je een groot deel van je leven deelt met mensen die je niet als je vrienden hebt uitgezocht? Zoals we hier doen? En hoe zijn we een gemeenschap die hoop weerspiegelt. En solidariteit?
We zitten hier niet om God te verdedigen, maar om te onderzoeken. En bij tijd en wijle stukjes van de weg die wij gaan te vinden. Dan bloeit er iets op. En soms kun je dan het gevoel krijgen. Dit moet van God zijn. Of dit moet van God komen. En dat fluister je dan soms tegen elkaar.
En niet in het minst zitten we hier om God te delen. In brood en wijn. Daar begrijpen we niet zoveel van en dat moeten we maar zo houden. We herinneren een leven dat we uitdelen. We zeggen dat het genoeg is voor onderweg. Het bepaalt ons bij de kracht van het kleinste gebaar. Het is een teken van niks op de schaal van de macht. Het bevrijdt ons van al te grote woorden.
Iedere keer blijkt het voldoende. AMEN

OPNAMES KERKDIENST:

Voorspel orgel:

Opening:

Kyrië

Gebed bij de opening van de Schrift 1:

Gebed bij de opening van de Schrift 2:

Kinderen uitgeleide:

Lezing:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Heilig Avondmaal:

Slot:

Naspel orgel:

 

Zondag 22 juli. Derde dienst over Job: Thema: Het nut van het nijlpaard