Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Kerkdiensten Waalre

AD-kerk 22 juli Het nut van het nijlpaard

22 juli 2018 | Door | Geen reacties

Het einde van het boek Job is eigenlijk teleurstellend. Voor ons als lezers dan. En misschien voor Job zelf ook. Wij als lezers zijn vanaf het begin in een alwetende positie geplaatst. Ons is een blik in de hemel gegund, waar de uitdager van God heeft voorgesteld om Job op de proef te stellen. Hebt u gezien hoe vroom die Job is? En hoe rechtvaardig? Indrukwekkend he? Ik durf te beweren dat die vroomheid niet zoveel voorstelt. Het gaat de Job namelijk in alle opzichten voor de wind. Wat zou er gebeuren wanneer  zijn voorspoed en welvaart bij hem weggehaald wordt? Zullen we dat eens uitproberen? En God stemt daarin toe. Alles wordt van Job weggenomen. En het noodlot raakt hem tot aan zijn huid. Wij als lezers weten wat zich daar in hemel heeft afgespeeld. Job niet. Job tast in het duister. Aan het eind van het boek nu zou je verwachten dat Job dezelfde blik in de hemel zou krijgen, die ons als lezers  gegund is. Dat hij zijn kennisachterstand kan inlopen. Zodat hij in ieder geval zou begrijpen voor welke uitdaging God zich gesteld zag. En hoe het lot dat hem trof het resultaat was van een afspraak, een bijna morbide deal. Maar Job krijgt dat inzicht niet. Ook lukt het hem niet God voor het gerecht te krijgen. De langverwachte rechtszaak blijft uit. God blijkt geen partij voor Job. En Job is geen partij voor God. En dat bewustzijn komt aan het eind van het boek Job aan de oppervlakte. De mens is mens. En God is God.

Moegestreden is hij Job. Van het eindeloos argumenteren. Van de discussies met zijn vrienden, die hem niets aflatend wijzen op zijn eigen verantwoordelijkheid voor zijn lot. Het is er niet zo maar Job, dat lijden, dat heeft alles met jezelf te maken. Moe is hij van zijn schreeuw om recht die niet beantwoord wordt. Hij is niets meer. In het begin van het boek schreeuwt hij het al uit dat hij niet meer gezien wordt, er niet meer is. Als je naar mij opkijkt zie je mij niet meer, ik word niet meer gezien op het erf, Ik ben enkel nog maar schreeuw geworden. Maar ook die schreeuw verstomt na al de gesprekken met de vrienden. Ook aan taal komt soms een eind. Omdat je voelt hoe onmachtig taal kan zijn, hoe nutteloos zinnen en spraak. Omdat het niets meer in beweging zet. Omdat je de ander met de taal niet meer bereikt en niet meer raakt. En je noodgedwongen stil wordt. Dat gebeurt bij Job. Het is een vermoeide stilte. En in die stilte komt het antwoord van God.

Geen kijkje in de hemel. En geen rechtsspraak. Ook geen allesvernietigende storm of aardbeving. Dat had Job wel verwacht. Als God zou spreken dan zou het groot zijn, overweldigend. Het is ook niet de overmacht waarmee God Job te pletter slaat. God vraagt Job zich op te stellen en te zien. De man die zelf niet meer gezien wordt. En al helemaal zichzelf niet meer onder ogen durft te komen – zijn leven is onaanzienlijk geworden – krijgt de opdracht opnieuw te gaan kijken. Kijk naar het nijlpaard Job, hoe het gemaakt is. Hoe sterk het is. Hoe gepantserd en gespierd. Hoe machtig het is en onoverwinnelijk. Zou jij dat kunnen Job een nijlpaard maken? Nee, dat kan Job niet. Job is een mens. En Job als je het nijlpaard al niet begrijpt, hoe zul je dan de rest begrijpen? In het antwoord van God wordt Job op zijn plaats gezet. Het totale begrijpen is voor een mens te groot. Job krijgt geen deel aan een allesomvattend inzicht, hoezeer hij dat ook zou willen. Maar het is geen verpletterende nietigheid waarmee hij op zijn plaats wordt gezet. In de zin van: je stelt als mens niets voor. In het antwoord van God wordt juist op de grootsheid van de nietigheid gewezen. Het oog van Job wordt langs de details van het nijlpaard gevoerd. Kijk Job, kijk. En dat kijken, dat heeft hij in al zijn klagen en klachten verleerd. In de schreeuw om gehoord te worden, ziet hij niets anders meer dan het onrecht dat hem wordt aangedaan. En in het verlangen naar het recht, wordt zijn leven vernietigd door het recht dat uitblijft.

Zo krijgt hij een antwoord dat geen eenvoudig antwoord is. Het is eigenlijk geen echt antwoord. Het is een nieuw inzicht: Blijf niet zitten in het onrecht dat je wordt aangedaan, blijf niet zitten in je schreeuw, noch in je klacht. Maar dat is makkelijk gezegd. Het kan ook al snel als goedkope troost klinken, waarbij het onrecht dat iemand treft al te makkelijk naar de achtergrond kan worden gedrongen.

Deze week werd herdacht dat vier jaar geleden de MH17 uit de lucht werd geschoten boven Oost-Oekraïne. In veel berichtgeving lezen we telkens opnieuw dat de onderste steen boven moet komen over de aanstichters van deze aanslag. En nabestaanden hoor je soms zeggen dat ze pas verder kunnen met hun leven als er recht zal zijn geschied en de misdadigers hun straf hebben gekregen. Maar, dacht ik deze week mij buigend over Job, wat nu als die rechtszaak niet komt? Wat als het onrecht niet wordt bestraft? Hoe moet je dan verder met je leven? Is het dan voorbij? Is de vernietigingskracht van de dader zo groot, dat hij ook dat kan bewerkstelligen? En in het verlengde van de vele doden, even zoveel levens kan onderdompelen in cynisme?

In 2001 was ik met een groep jongeren in Sarajevo waar de burgeroorlog nog maar net beëindigd was. En de jongeren die we daar spraken moesten verder met hun leven. Maar hoe doe je dat als groepen die altijd vreedzaam hebben samengeleefd elkaar ineens vijanden worden en elkaar gaan uitmoorden. Het feit dat zij als verschillende culturen tientallen jaren hadden samengeleefd was niet het probleem. Dat gebeurde in alle vreedzaamheid, zoals we dat in ons eigen land ook kennen. Het probleem was dat het ineens niet meer kon. En er haat was op plekken waar je dat niet zou verwachten. En niemand eigenlijk begreep waar die haat vandaan kwam. Toen de oorlog voorbij was, was er een schreeuw om recht. Maar ook de vraag: waar dan te beginnen. En men zag ook in dat men in een eindeloze procesgang terecht zou komen, die het samenleven jarenlang onmogelijk zou maken. Dus werd er op allerlei plekken in de samenleving gestreefd naar verzoening. Als het recht niet komt moet je toch verder: je  leven, je wilt leven. Hoe voorkom je dat je leven verhardt en cynisme een schil om je bestaan bouwt? Hoe ga je met je leven verder als er een wond geslagen wordt die zich niet zo maar laat helen?

De oproep van God om naar het nijlpaard te gaan kijken is een bijna hilarische poging om Job te bevrijden uit zijn klacht, uit die schil van cynisme. Daarmee is het raadsel omtrent zijn lot niet opgeheven. Job wordt bepaald bij de kleinheid van zijn mens-zijn. Maar ook bij zijn vermogen om zich bij de grootsheid van alles te verwonderen. Verliest hij dat vermogen, dan is hij verloren. Als mens.

In het lied van Stef Bos dat we hoorden, klinken de zinnen: Nu ik zie hoe op het nulpunt ik door de leegte wordt gered en verbaasd ben hoeveel liefde zich altijd weer naar buiten vecht. Dat is een ervaring die we denk ik met velen kunnen delen. Op momenten dat het in je leven zwaar is en alles je tegen kan zitten en je opeens de kracht ervaart dat er in je – ergens – een bron aanwezig is die je weer op de been zet, die je opnieuw doet leven, opbloeien.

Toch zit er tussen het lied van Stef Bos en de tekst van Job in de bijbel een verschil. In het antwoord van God wordt die bron aangesproken: sta op Job, toon je! Het is God zelf die de bron in Job wakker roept. Het is de stem die geen genoegen neemt met de klacht. Het is de stem die hem overeind zet in een nieuwe ruimte waar hij twee nieuwe inzichten mag verkennen. De eerste is dat een mens moet leren leven met een niet-weten. En het andere inzicht is dat almacht ons als mens vreemd is. De mens is mens. Nu is dat leren leven met een niet-weten ingewikkeld. Wij willen weten, steeds meer weten, onze grenzen overschrijden en vooral niet denken vanuit onze beperkingen. En dat is een groot goed. Het helpt de wereld vooruit. Maar tegelijkertijd zijn we niet alwetend. We doorgronden het mysterie van het leven niet. Dat kun je zien als een beperking. Maar je kunt het ook omarmen als een heilzame beperking: het geeft ons ruimte. Niemand van ons hoeft de wereld te dragen. Niemand hoeft God te zijn. We zijn ook niet almachtig. Ook al denken sommige in populisme gedrenkte politieke leiders van wel; ze zijn hun eigen god.

Ik geef mij beter over zingt Stef Bos op het eind van zijn lied. Als het leven van Job tot het nulpunt is gedaald rest hem niets dan de overgave. Maar die overgave is niet de berusting. Hij geeft zich over aan het kijken. Aan de schoonheid. Aan de verwondering. Dat bevrijdt hem. En het bevrijdt hem ook van zichzelf. Dat is geen goedkope troost. Ik denk dat het hard werken was voor Job. Een mens stapt niet zo maar uit zijn klacht. En een mens accepteert niet zo maar dat hem of haar geen recht geschiedt. Maar als hij of zij zich durft te laten roepen en overeind te laten zetten en het nijlpaard onder ogen durft te zien. Dan is het te doen. Dan is het te doen. Amen.

De opnames van de dienst:

Voorspel:

Opening:

Kyriëgebed:

Glorialied:

Bijbellezingen:

Overdenking:

Collecten:

Slotgebeden:

Slotlied:

Zegen:

 

Video: Lied van het nulpunt, Stef Bos, beelden en montage; Ferdinand Borger

 

 

 

 

AD-Kerk 15 juli – Mevr. Petra Zweers

17 juli 2018 | Door | Geen reacties

Voorspel:

Opening:

Kyrië:

Toelichting bij de lezing:

Gebed bij Schriftlezing:

Lezing:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Slot:

 

Afbeelding boven: Het dochtertje van Jaïrus, Ilja Repin (1844-1930)

 

De tekst van de overweging:

Leerlingen van Jezus,

Enkele weken geleden overleed de schrijfster van wie ik alle boeken heb gelezen. Het eerste was een bundel columns – onder de titel Korte metten. Deze waren al eerder verschenen in het feministisch maandblad Opzij. Ik las die begin jaren ‘ 90, toen de emancipatie van de vrouw nog een lange weg te gaan had. Er was weliswaar al best wat bereikt door de generaties vóór mij – zo waren vrouwen handelingsbekwaam geworden en was het normaal geworden dat een vrouw niet automatisch haar ontslag kreeg wanneer ze trouwde.

Renate Dorrestein – want zij is de schrijfster die ik zo bewonder – heeft in columns en romans telkens de vinger op zere plekken gelegd. Situaties die zo volstrekt normaal waren en buiten elke vorm van discussie stonden, dat ze eigenlijk niemand opvielen maar die er wel voor zorgden dat vrouwen in achterstandsposities bleven. Het vergt moed om buiten de geschreven en ongeschreven conventies van de samenleving te treden.

Zeker in voorbije eeuwen maar ook nog tot op de dag van vandaag, worden vrouwen bepaald door hun lichaam én door hun relaties.Zij zijn de voedsters en hoedsters van de mensheid. Vrouwen kunnen kinderen baren – en daarom was het tot voor kort hun natuurlijke en van God gegeven opdracht om moeder te worden. Even voor de goede orde: als je graag moeder wilt worden, is het natuurlijk fantastisch wanneer je kinderen krijgt – en heel verdrietig wanneer je ze niet krijgt.

Waar het om gaat is dat voor vrouwen in vroegere generaties het levenspad al vast lag en soms nu ook nog. Studeren was daarom voor hen vaak niet weggelegd.‘De maagd zal trouwen, zwanger worden en een zoon baren.’ En aangezien het voeden en hoeden daarna nog zo’n slordige achttien jaar duurt, is het leven van een vrouw al voor een groot stuk ingevuld, laat staan wanneer je meerdere kinderen hebt. Niks mis mee, begrijp me goed. Maar het verschil met mannen is zo groot. Zij zijn evengoed nodig bij de totstandkoming van het nageslacht maar zij worden daardoor niet bepaald. Zelden wordt aan een man gevraagd hoe hij carriere en gezin denkt te combineren.

Als ik mezelf hoor praten denk ik onwillekeurig dat we dit station toch met z’n allen wel gepasseerd zijn. Maar dan heb ik buiten de waard gerekend. Want nu vrouwen zo zoetjesaan doordringen in de top van het bedrijfsleven, ja nu zij het zelfs tot burgemeester van onze hoofdstad heeft geschopt, nu wordt er openlijk aan haar capaciteiten getwijfeld. Een vrouw zonder bestuurlijke ervaring – dat gaat nooit goed. Toen de vorige burgemeester zonder bestuurlijke ervaring aantrad was dat geen enkel probleem maar hij was dan ook een man.

Hebben wij wel vertrouwen in de vrouw? Hoe zien wij de vrouw en wat verwachten wij van haar? Om maar in de eigen gelederen te beginnen: de man was tot enkele jaren geleden de enige die een ambt in de kerk mocht vervullen. In veel kerken is dat nog steeds zo. Pijnlijk, en voor vrouwen soms een reden om de kerk te verlaten.  Vrouwen mochten wel zorgen en onderwijs geven aan kinderen – of ze nou haar eigen of andervrouws kinderen aan het opvoeden was maakte blijkbaar niet zoveel uit. En zorgen was haar immers aangeboren.

Nu vrouwen van die gebaande paden afwijken, moeten wij het beeld van de vrouw bijstellen en dat valt nog niet mee. Een vrouw die voor haar mening en haar recht opkomt, haar plaats in de maatschappij uitbreidt, menig mannenbolwerk betreedt – het lijkt zo vanzelfsprekend maar let maar op de onzichtbare lijnen die getrokken worden tussen de seksen.  Het kan een vrouw met angst vervullen. Angst voor het vrouw-zijn met alle verwachtingen die daarbij horen – zou dat een reden kunnen zijn om het leven niet aan te kunnen? Angst kan voor veel psychische en lichamelijke ellende zorgen.

De vrouw die al twaalf jaar ongesteld was. Daarmee was zij onrein, zo weten wij uit de religieuze wetten van weleer. Onrein – dat heeft een klank van vies, van besmet, van onaantrekkelijk. Dat was het oorspronkelijk niet en ook mannen konden onrein worden. Voor mannen en vrouwen golden dezelfde cultische regels – ze mochten niet naar de tempel omdat de Heilige niet geconfronteerd kon worden met wat onrein was: mensen en voorwerpen.  Onrein had niets te maken met ethiek of zonde – die connotaties kreeg het later.  Deze bloedvloeiende vrouw is al een half leven onrein, ziek, en daardoor nauwelijks in staat om aan het normale leven deel te nemen. Immers, wie zij aanraakte werd automatsich ook onrein. Dat wilde niet zeggen dat ze niemand mócht aanraken, maar de aangeraakte werd dan ook onrein tot de avond.

Deze ziekte maakte haar juist in haar vrouw-zijn jarenlang onrein. En wat daar de bron van was, voelde zij pas toen zij Jezus had aangeraakt. De bron van waaruit zij ziek was, droogde op. Een aanraking – ze zal die twaalf jaar lang hebben vermeden maar nu zoekt ze het op. Ze wil Jezus aanraken, ze wil weer in contact komen met het goddelijke en haar onreinheid houdt haar niet tegen. Tegen de religieuze wetten van haar tijd in.

En Jezus laat zich niet afschrikken. Hij weet dat onreinheid niet van buitenaf maar van binnenuit komt. Het zijn je eigen gedachten die je onrein maken. Die bron in haar, die troebele bron die haar angst voedde. Ze stort haar hele verhaal voor Jezus uit – ondanks het geduw en gedrang om haar heen en tegen haar sidderen en beven in – vraagt zij de aandacht van Jezus. Jezus luistert naar haar, wenst haar alle goeds en geeft haar een opdracht mee. Wees genezen van je kwaal. Laat die bron niet opnieuw je ziekte voeden.

Iedereen die psychotherapie heeft gehad, verslaafd is geweest of bijvoorbeeld een burnout heeft gehad, weet hoe moeilijk het is om verlost te blijven van je ziekte. Het is niet één keer de knop omzetten, het blijft opletten geblazen om niet weer in dezelfde valkuilen te stappen. Op het moment dat de ziekte je heeft verlaten voel je je bevrijd – maar hoe verleidelijk is het om terug te grijpen op oude gedachten en gewoonten. ‘Ik kan het niet, ik ben het niet waard, een ander kan dat veel beter, ik heb geen bestuurlijke ervaring.’ Dan blijft alles bij het oude en vloeit het leven langzaam maar zeker uit je weg.

Het leven van een vrouw werd en wordt ook nu nog bepaald door haar relaties. Van Renate Dorrestein leerde ik ook dat ‘het meisje’ tot voor kort nooit heeft bestaan. Wel als genderaanduiding jongen/meisje, maar niet als een zelfstandig wezen. Het meisje werd immers geboren als bezit van haar vader, als ze trouwde werd ze van haar man. Dat klinkt misschien boud maar denkt u maar aan het fenomeen dat de vader zijn dochter ‘weggeeft’ aan haar echtgenoot, wanneer die om haar hand heeft gevraagd.

En het is duidelijk te horen in het verhaal van Jaïrus. Hij komt naar Jezus toe met de mededeling dat zijn dochtertje op sterven ligt en of Jezus maar even zijn handen op haar wil leggen, dan zal zij genezen. Maar Jezus neemt zijn eigen tijd, hij laat zich niet dicteren door deze man. Op het moment dat hij eraan toe is, ensceneert hij het intieme decor voor de volgende opstanding. Het meisje ligt op bed, een kind op de grens van volwassenheid. In de Joodse traditie is zij op deze leeftijd verantwoordelijk voor haar eigen religieuze leven. Misschien nog net geen vrouw, maar zeker geen dochtertje meer. Jezus legt haar helemaal niks op, hij vat haar hand en wekt haar tot leven. Een eigen leven. Als kind van God, als meisje. Hij draagt haar ouders op haar eten te geven waardoor zij met elkaar verbonden blijven, en van waaruit zij gevoed en gesterkt haar eigen leven mag gaan leiden. Verbonden met haar ouders maar niet hun bezit. Jezus spreekt de genezen vrouw aan als dochter, waardoor haar isolement is opgeheven; hij spreekt het dochtertje aan als meisje waarmee hij haar als zelfstandig persoon aanspreekt.  Amen.

 

AD – Kerk 8 juli ds. Henk Veltkamp

9 juli 2018 | Door | Geen reacties

Voorspel:

Opening:

Kyrië:

Kinderen naar de nevendienst:

Lezingen: Psalm 139, 1 – 18  Handelingen 17.22 – 28:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Slot:

Naspel:

 

Afbeelding boven: detail uit het schilderij ‘Psalm 139’ uit: Aafke Holman , De Psalmen, een vertaling in kleur

Dr Oepke Noordmans (1871-1956) schreef in 1949 in “Gods poorten”:

Toen voegde de psalm, terwijl wij op de landweg voortgingen, zich bij ons. Hij wandelde als derde met ons mee, zoals Jezus met de Emmaüsgangers. Hij woei om ons heen, zoals de Heilige Geest om de discipelen op het Pinksterfeest. De woorden wisselden van mond tot mond, weg en weder, weer en weer, tot de psalm inwendig in mij woonde en mijn memorie en verstand het ritme hadden overgenomen, waarin hij zelf, bij het drijven van de Geest, was geboren. Daarna gingen wij zwijgend ter schole.

De psalm maakte echter niet alleen inwendig woning in de harten; hij had ook andere, eigen woningen in de dingen. Hij woonde en wandelde en woei bijzonderlijk aan die landweg, als God in het paradijs op de middag. (…) En als wij op de middag huiswaarts keerden; als wij dan aan de rode landweg kwamen tussen de groene weiden, dan verhoogden de poorten de boog, en wij gingen er onder door met een stille, blijde verbazing. Dan werd het zonlicht tot een verheffing en tot een opening naar het rijk der klare waarheid.

AD – Kerk Thema: Verdedig God niet…

1 juli 2018 | Door | Geen reacties

Gelezen: Job 9, 25 – 35, Job 10

De vorige dienst over Job, op 17 juni, (ik herhaal dit maar even voor wie het gemist heeft… mis geen dienst zou ik zeggen… ) had als thema dat Job niet zozeer in een contractrelatie met God wil leven, maar het contact met God zoekt. Het hele systeem van rechtvaardig en vroom leven met daarop volgend een passende beloning – kenmerkend voor een contractrelatie – wordt aan het begin van Job doorbroken. Rechtvaardig en vroom leven leidt niet zo maar tot voorspoed. Het schema van voor wat hoort wat wordt doorbroken. Sterker nog: de grootste rampspoed kan je zo maar overkomen, ook als je een vroom leven leidt. Ik eindigde mijn preek toen met de mededeling dat het niet om een contract maar om contact gaat. En dat het boek Job erover gaat dat Job het inzicht verwerft dat het tot een echt contact met God dient te komen. Maar Job geeft zich niet zomaar gewonnen. Prima, dat gesprek met God, maar dan wel op zijn voorwaarden.
Het gesprek dat Job van God eist en de relatie die hij met God zoekt heeft alles weg van een symbiotische relatie zoals ik deze week in een commentaar las. In een symbiotische relatie is de ander niet de ander in zijn of haar eigenheid, nee de ander is een kloon van jezelf. Iemand die net zo denkt en handelt als jijzelf denkt en handelt. Die symbiotische relatie is een veilige relatie want je hoeft je standpunten en meningen niet te herzien, laat staan dat ze worden tegengesproken door de ander. Job wil wel contact met God, maar dan in zo’n symbiotische relatievorm. Was God maar een mens verzucht hij in het negende hoofdstuk dat wij vanmorgen lazen. Dan zou hij met hem in gesprek kunnen treden, redelijke argumenten uitwisselen, een debat voeren, een uitleg krijgen van het hoe en waarom. In die symbiotische relatie voert de eis die aan de ander wordt gesteld dan ook de boventoon: De ander moet net zo zijn zoals jij bent. Job verwijt God dan ook van alles. Gods bestuur is zuivere willekeur. Hijzelf zou veel consequenter handelen, als hij God was. Zo wordt God verweten dat Hij niet zo rechtvaardig is als Job. Was de wereld maar zoals Job. In de symbiotische relatie is er geen tegenspraak. Die wordt ook niet verwacht. De ander is alleen maar een uitbreiding van wie jijzelf bent. Die ontmoeting met die anders is dan ook niets anders dan een treffen waaraan voorwaarden worden gesteld. Maar dat is geen echte ontmoeting. Het is eigenlijk de ontmoeting met het door je zelf ontworpen spiegelbeeld.

Job eist verantwoording van God op zijn meest menselijke manier. Maar God is geen mens, verzucht Job. Job is niet God. En God is niet Job.
“Hij is geen mens, zoals ik, anders zou ik hem kunnen antwoorden, als we samen voor de rechter stonden. Was er maar iemand die tussen ons rechtsprak, die over ons beiden zijn gezag kon laten gelden.”
Het komt in het boek Job niet tot een rechtspraak, waarin God en Job voor een hogere instantie zich zouden dienen te verdedigen. De schrijver Elie Wiesel heeft dat wel gedaan. Hij heeft op basis van het boek Job, in de jaren tachtig een toneelstuk geschreven waarin hij de problematiek van Job verplaatst naar een herberg in Rusland, begin zeventiende eeuw. In die herberg laat hij het proces tegen God plaatsvinden.
In het plaatsje Shamgorod waarin de herberg staat, heeft een pogrom plaatsgevonden met desastreuze gevolgen voor de joodse gemeenschap. Een joodse herbergier, Berish heeft bij de geweld en woede-aanval zijn vrouw en kinderen verloren. Zijn herberg houdt hij met moeite in stand. Hij moet wel, om te overleven. Hij klaagt tegen zijn christelijke huishoudster Maria over het lot dat hem is overkomen. En hij laat haar weten dat hij het liefste God zou willen aanklagen in een proces. Maar zij wijst dat af als onzin. Nu is het de tijd van Poerim, het joodse carnaval, waarbij de geschiedenis van Esther centraal staat. En bij het Poerim horen zogenaamde Poerimschpielers, die op verzoek grappige en burleske sketches opvoeren, waarbij maskers worden gebruikt.

Het is al laat op de avond als een drietal van deze Poerimspielers zich aandienen in de herberg. Zij zetten het op een vrolijk drinken en blijken na een tijdje de consumpties niet te kunnen betalen. Weet je wat, zegt één van de spelers, wij kunnen voor jou wel een poerimspel spelen. Als betaling van al onze drankjes. De waard gaat daarmee akkoord, op één voorwaarde: Hij wil zelf het onderwerp van het spel bepalen. Dat is goed zeggen de spelers, kom maar op met je voorstel. Luister zegt de waard, ik wil dat jullie het proces tegen God gaan spelen. Bij de razzia die hier onlangs heeft huisgehouden heb ik alles verloren. Ze hebben mijn kinderen gedood, mijn vrouw en meer van mijn familie. Het enige dat ik nog heb is deze herberg. Ik wil weten waarom dit is gebeurd? Ik wil God ter verantwoording roepen. En daarom wil ik dat jullie het proces tegen hem gaan spelen. De spelers schrikken enorm. Dat wat de waard van hen vraagt kunnen ze onmogelijk doen. Het proces tegen God voeren, betekent dat er iemand van hen het voor God zal moeten opnemen. Iemand van hen zal advocaat namens God moeten zijn. En hoe zouden ze dat ooit kunnen doen? Hoe zou iemand van hen een rechtvaardiging kunnen vinden voor datgene wat de waard is overkomen? De spelers zijn verlegen met de vraag: Dat wat je van ons vraagt, kunnen we niet, zeggen ze tegen de waard. Niemand van ons kan de advocaat van God zijn. Je vraagt iets onmogelijks. En dan komt het tot een patstelling in de herberg. De waard blijft erop staan dat het proces tegen God gevoerd moet worden en de spelers blijven weigeren. Ondertussen ligt er een forse rekening die moet worden betaald. En waarvan alleen het spel de betaling kan zijn. Dan meldt zich diep in de nacht een late gast die nog onderdak zoekt. Sam heet hij. Hij ziet de spelers teleurgesteld zitten. Zij vertellen hem dat ze de rekening niet kunnen betalen. En dat ze aangeboden hebben een poerimspel op te voeren. Sam vraagt wat het probleem is. En zijn leggen hem uit dat de waard het proces tegen God gespeeld wil zien. Dat hij al zijn familie verloren heeft bij de razzia en dat niemand van hen God wil verdedigen.
Dat wil ik wel doen, zegt Sam. Ik wil wel de advocaat van God zijn. Laten we het spel maar beginnen. En zo worden de rollen verdeeld en krijgt het spel een aanvang.
Sam speelt zijn rol als advocaat van God met verve. Die kinderen van je, zegt hij tegen de waard, die kinderen van je zijn dood. Maar denk je niet dat ze het nu beter hebben dan hier? En wat voor toekomst had je ze eigenlijk kunnen bieden met je herberg? Niets toch? En als de rabbi in het spel klaagt dat hij tijdens het voorlezen uit de Torah ‘viert uw feesten met vreugde’ overvallen is door een bende die juist op dat moment de synagoge heeft uitgemoord, maar hem heeft laten leven, roept de advocaat van God: “Kijk, een wonder! Jij hebt het overleefd. Het is een wonder van God! Wees blij dat je er nog bent! Trouwens wat weten jullie nu eigenlijk? Wat weten jullie ervan wat de slachtoffers in het moment van hun sterven in de pogrom is overkomen? Zijn ze misschien blij geweest dat hun tijd voorbij was? Niemand weet wat er in het moment van de dood door iemand heen gaat. Ook jullie niet… “ En zo voert Sam het ene na het andere argument aan, waardoor de pogrom en de vervolging een logische en door God gewilde handeling is geweest in het leven van deze gekwelde en geteisterde gemeenschap. Sam blijkt een uitstekend verdediger van God te zijn. De andere spelers komen dan ook steeds meer onder de indruk van hem. Dit, dit is een echt vrome man! Dit is een echte gelovige! Hij weet wat God wil! En hij staat achter Hem! Daarbij verbleekt hun eigen geloof. Uiteindelijk valt het spel door het optreden van Sam stil. De spelers zetten hun masker af. Iedereen heeft zich laten overtuigen door zijn verdediging van God en zwijgt. Wie bent u eigenlijk, vragen ze dan aarzelend. Waar komt u vandaan? We zijn onder de indruk hoe u God verdedigt. Als jullie dat eens wisten zegt Sam, als jullie dat eens wisten. Hij loopt door het café in de richting van de wenteltrap die naar de slaapkamers voert en gaat naar boven. Halverwege de trap zet hij zijn masker op. Dat blijkt het masker van de duivel te zijn.
Zo laat Elie Wiesel het in dit toneelstuk tot een proces tegen God komen, waarbij de kracht van overreding en overtuiging het voor God opneemt. En de enige die over die kracht beschikt is in zijn visie de duivel. Het is zijn eigen ervaringen in Auschwitz geweest die hem het stuk hebben doen schrijven. Het is de zwarte ervaring van Godsverduistering. Of misschien is het beter om te zeggen dat de mensen in Gods licht zijn gaan staan. En in de schaduwen die dat werpt hebben ze de onmenselijke zijde van het mens onderzocht en meer dan een kans gegeven. Het is niet zo dat God daar niet meer te vinden zou zijn. Zelfs in de zwartste nacht kan Hij aanwezig zijn. Maar Wiesel laat zien dat elke verdediging van God, als zou God de hand hebben gehad in deze onmenselijkheid, een volkomen misplaatste is. Eigenlijk is het een vloek.

Verdedig God niet, kondigde ik aan als thema van deze dienst. God hoeft niet te worden verdedigd. God hoeft ook niet te worden gered. Dat is een onmogelijke opdracht, die helemaal niet nodig is. En het is al helemaal geen troost om God in verband te brengen met de ondoorgrondelijkheid van leed en lijden dat ons mensen overkomt. Het kan zelfs gevaarlijk zijn om daar een systeem van te maken. Met de term ‘God wil het’ of ‘God met ons hebben mensen zich massaal overgegeven aan geweld, aan moorden, aan vernietiging. Een goddelijke legitimatie brengt mensen dan over de drempel van hun kritische zelfreflectie. Als God het wil, wie kan er dan tegen zijn? Ten aanval!

We zitten hier dan ook niet in de kerk om God te verdedigen. We zijn geen ridders en geen zwaarddragers. We zitten hier denk ik ook niet voor de grote uitspraken. Waarom zitten we hier dan wel? Om te onderzoeken denk ik. Om ons telkens opnieuw de vraag te stellen wat rechtvaardigheid is bijvoorbeeld. Om een term als liefde en naastenliefde voortdurend te herijken. Waar hebben we het over als we dat zeggen? En wat stelt het voor als we zeggen dat we trouw zijn aan elkaar. En wat betekent vriendschap. Hoe ziet het eruit als je een groot deel van je leven deelt met mensen die je niet als je vrienden hebt uitgezocht? Zoals we hier doen? En hoe zijn we een gemeenschap die hoop weerspiegelt. En solidariteit?
We zitten hier niet om God te verdedigen, maar om te onderzoeken. En bij tijd en wijle stukjes van de weg die wij gaan te vinden. Dan bloeit er iets op. En soms kun je dan het gevoel krijgen. Dit moet van God zijn. Of dit moet van God komen. En dat fluister je dan soms tegen elkaar.
En niet in het minst zitten we hier om God te delen. In brood en wijn. Daar begrijpen we niet zoveel van en dat moeten we maar zo houden. We herinneren een leven dat we uitdelen. We zeggen dat het genoeg is voor onderweg. Het bepaalt ons bij de kracht van het kleinste gebaar. Het is een teken van niks op de schaal van de macht. Het bevrijdt ons van al te grote woorden.
Iedere keer blijkt het voldoende. AMEN

OPNAMES KERKDIENST:

Voorspel orgel:

Opening:

Kyrië

Gebed bij de opening van de Schrift 1:

Gebed bij de opening van de Schrift 2:

Kinderen uitgeleide:

Lezing:

Overweging:

Collecten:

Voorbeden:

Heilig Avondmaal:

Slot:

Naspel orgel:

 

Zondag 22 juli. Derde dienst over Job: Thema: Het nut van het nijlpaard

AD Kerk – 24 juni 2018 Thema: Op reis

25 juni 2018 | Door | 1 reactie

Wat gebeurde er?

Een jeugddienst deze zondag met als thema: Op reis. We lazen het verhaal van Abram uit Genesis 12, 1 – 9, we keken en luisterden naar de presentatie van de ADIOS jongeren over hun reis naar een jeugdgevangenis in Cadier en Keer. En we bogen ons over de vraag: Stel dat je maar één ding op je reis mag meenemen. Wat zou dat dan zijn? En als je de gevangenis in zou moeten, wat zou je dan meenemen? Geen overweging in deze dienst, maar de audiofragmenten zijn hieronder wel te beluisteren. Het kyriëgebed werd deze zondag als filmpje vertoond. De beelden zijn uit de actualiteit, de begeleidende muziek is van de Noorse componist Iver Kleive.

Liturgie 24 juni 2018 AD Kerk

Voor de dienst: geluiden vertrekhal

Welkom en mededelingen:

Kyrië en Gloria:

Gebed bij de opening van de Schrift

Het verhaal van Abraham:

Kort verhaal: over op reis gaan:

De reis van ADIOS naar Cadier en Keer:

In gesprek met gemeenteleden: wat zou jij meenemen op reis?/naar de gevangenis?

Muziek: Africa van Toto:

Aankondiging collecte voor Satiko Sath:

Voorbeden, stil gebed, Onze Vader:

Uitdelen boek “Beeldspraak” aan jongeren die afscheid nemen van de nevendienst:

Slot en zegen:

 

Volgende kerkdienst: zondag 1 juli.  Tweede dienst over het Bijbelboek Job. Thema: Verdedig God niet.

Over Job 1

19 juni 2018 | Door | 1 reactie

Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God en sterf. De vrouw van Job kan niets met de gelatenheid van haar man. Alles zijn ze kwijtgeraakt, bezittingen en hun huis. En ook dat wat ze nooit konden bezitten – hun zonen en dochters – zijn gestorven. De ene rampspoed heeft de andere ingehaald en de ziektes zijn tot op zijn huid gekomen. Met een scherf krabt hij zijn zweren.  De Heer heeft gegeven en de Heer heeft genomen klinkt het te midden van al deze ellende. Een vrome en schrijnende kreet tegen de achtergrond van het onheil. Gelatenheid, berusting en vroomheid zijn synoniemen geworden. Verschillende woorden voor dezelfde gemoedstoestand. Het lijkt alsof de ellende niet doordringt. De vrouw van Job kan het niet aanzien. Een bovenmenselijke reactie kan net zo goed als onmenselijke reactie worden begrepen. Waarom blijf je zo onberispelijk? Vervloek God en sterf!

Het is deze schreeuw van de vrouw van Job die het verhaal van Job op gang brengt. Het is de eerste bres die geslagen wordt in het geloof van Job. En dat is wat hier gaat gebeuren. Er moet een nieuw inzicht worden gewonnen. En daarvoor moet iets kapot. Niet Job. Maar het geloof van Job. Wij, als lezers en toeschouwers zijn daarbij in een speciale positie geplaatst. De schrijver van Job heeft ons een blik in de hemel gegund in het eerste hoofdstuk. De Satan – laten we hem vertalen als de aanklager – heeft zich bij God gemeld, en hem uitgedaagd met de vraag: het geloof van Job op de proef te stellen. Er is geen vromer en meer rechtvaardige man te vinden dan Job. De aanklager heeft zijn twijfels over die vroomheid. Kijk, het gaat Job voor de wind, alles gaat goed met hem. Maar als ik nu alles van hem afneem, wat blijft er dan van zijn vroomheid over? Niets waarschijnlijk. Zullen we het eens uitproberen? Zal ik alles van hem af nemen wat hem lief is. Wedden dat hij dan afscheid van jou neemt? En God stemt daarin toe. De aanklager mag alles van Job afnemen, als hij zijn leven maar spaart. Het is dit macabere tafereel dat we te zien krijgen. Dat ons als toeschouwer in een alwetende positie plaatst. Wij weten meer dan Job weet. En wij weten ook meer dan Job krijgt te weten. Het werkt als een moderne detective, waar we aan het begin een moord gepleegd zien worden en we vervolgens een rechercheteam aan het werk zien om de moordenaar op het spoor te komen. Dat rechercheteam tast aanvankelijk in het duister. En wij als toeschouwers weten hoe het zit. En we blijven kijken om te zien of zij gaan ontdekken wat wij al weten. Het is onze alwetendheid die het verhaal op spanning brengt.

Deze korte blik in de hemel levert ons trouwens als toeschouwers heel wat hoofdbrekens op. Want wat te doen met een god die meegaat in een experiment waarbij zoveel leed wordt uitgestrooid. Een god die blijkbaar het kwade wil en toelaat als hij daartoe wordt uitgedaagd. Het is de theodicee vraag. Hoe kan God kwaad en lijden toelaten als hij goed is? Al het goede komt van God, het kwade dan niet, roept Job naar zijn vrouw. Het is de vraag waar wij al denkend en gelovend niet uitkomen. Als God goed is waar komt dan het kwaad vandaan? Het begin van Job lijkt in zoverre een antwoord te geven op die vraag door de Satan – de aanklager – ondergeschikt te laten zijn aan God. Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Is God dan ook grillige willekeur?
Job geeft niet het antwoord op die vraag. Het boek Job geeft aan het kwaad en het lijden geen logische plaats in de wereld, door dit kwaad en lijden van God afkomstig te laten zijn. Het boek gaat daar uiteindelijk niet over. Het wrede experiment – het blijft een wreed experiment – dat de aanklager hier voor ogen staat is om de relatie te onderzoeken, de relatie die Job met God heeft. De vroomheid die Job tentoonspreidt lijkt een voorbeeldige te zijn. Hij is vroom. Hij zondigt niet. Hij bidt. Ook voor zijn zonen en dochters die van feest tot feest gaan en waarvan Job niet zeker is of zij hem in zijn vroomheid volgen. Beter ook maar voor hen bidden. Het gaat Job in al zijn vroomheid voor de wind. Kijk, zegt de aanklager, die Job is zo vroom omdat het hem zo goed gaat. Als al dat goede van hem afgenomen wordt is zijn vroomheid voorbij. Job is vroom omdat het hem wat oplevert. Dat wat de aanklager is feite zegt is: die vroomheid van Job is niet meer dan een contract. Hij vraagt,  u levert. En als u niet meer levert dan zal hij u vaarwel zeggen.

Waarom blijf je zo onberispelijk. Vervloek God en sterf! Na alle rampspoed die hem is overkomen slaat de vrouw van Job een bres in het godsgeloof van haar man. Klinkt in het eerste hoofdstuk nog de vrome stoerheid van De Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen, de naam des heren zij geloofd. In het antwoord dat nu komt heeft hij het niet meer over de HEER over Jahwe, de meer persoonlijke aanspreek vorm van God, maar over Elohim, God of de goden. God komt meer op afstand te staan al. En met die afstand komt er ruimte voor het onderzoek. Waarom overkomt hem dit kwaad? En waar is God in dit alles.
De positie die Job dan kiest in de hoofdstukken die volgen is bijzonder. Alle vrienden die op bezoek komen benadrukken dat er een relatie tussen Job en zijn rampspoed moet bestaan. Ze willen het er bij hem inhameren. Je kunt je wel vroom voordoen Job, maar je zult toch gezondigd hebben, anders werd je niet gestraft. Die vrienden denken net als de aanklager in de vorm van een contract. Job, jij hebt je niet aan de voorwaarden gehouden dus moet je op de blaren zitten. Het is je eigen schuld. Jobs’ verzet tegen zijn vrienden is dat hij dat contract niet wil. Ik heb niet gezondigd. En ik wil geen voor-wat-hoort-wat God. Ik wil contact, ik wil hem spreken. En zo wordt de klacht van Job de roep om een relatie met God die veel verder gaat dan een contract. Een contract regelt onderlinge verhoudingen zakelijk en duidelijk. Een contract houdt mensen in die zakelijkheid ook op afstand. Dat kan goed zijn omdat niet in elke contact nabijheid is geboden. Maar als alle contacten zakelijk zouden worden, dan verliezen we iets. Toen ik een aantal jaren geleden in Amsterdam naar de overkant van mijn straat ging verhuizen, naar het huis van een vriend die kort daarvoor was overleden, moest ik daarvoor naar de verhuurder. Mijn vriend was na een kort ziekbed aan kanker overleden en we hadden een heftige tijd achter de rug. Het was niet de tijd om te sterven. Toen ik bij de verhuurder aankwam wilde ik daar wat van vertellen. En hoe bijzonder ik het vond dat ik nu in zijn huis ging wonen, want die beslissing had mij hoofdbrekens gekost. Maar de vrouw aan de andere kant van de balie had daar geen oor voor. Dit was niet de plek om verhalen te delen, om nog maar te zwijgen van emoties. Hier moest alleen een handtekening worden gezet en wel zo snel mogelijk. Hun enige belang was dat het huis weer opnieuw verhuurd werd. Dus pakte ik een pen, zweeg en vertrok. En riep tegen mijn vriend, al terugfietsend naar huis, er op mikkend dat hij ergens daar zou zijn, in de hemel langs het fietspad, dat het gelukt was en dat ik het contract had ondertekend. En dat ik nu naar zijn huis ging.

Niet de afstand, maar de nabijheid. Niet het contract maar het contact. Dat contract is overigens van alle tijden:  Voor wat hoort wat. Katholieken konden daar wat van voor de Reformatie, je kon je een plek in de hemel kopen. Maar de protestanten ontwikkelden al snel een zelfde systeem. Werd je lid van hun kerk, dan ondertekende je in feite een contract. Dit zijn de voorwaarden, zo moet je geloven. Als je braaf en oplettend bent, geen verkeerde dingen doet, naar de kerk gaat. (zegt de brief aan de hebreeen niet dat we de onderlinge bijeenkomsten niet zullen verzuimen… ) dan zal het goed met je gaan. En: verdien je wellicht een plek in de hemel. Al zijn de protestanten daar nooit zo zeker van geworden als de katholieken. Bij de katholieken kon je de hemel verdienen. Bij de protestanten was er altijd iets van een heilsonzekerheid zoals we dat noemen, altijd de vraag of je er wel echt bij hoort, of je wel een kind van God bent. Een onzekerheid die groter wordt naarmate je dichterbij de Biblebelt woont. En de protestantse varianten kregen binnen het kapitalisme hun bijna seculiere evenknie. Je gaat naar de kerk, omdat je gezegend wilt worden en het bewijs van je zegening is een forse bankrekening, een goede baan, een mooie vrouw (als man) Kortom: voorspoed en geluk. De Amerikaanse tv predikant Jesse Duplantis – ook al zo succesvol:  bid en er valt je aardse rijkdom toe! – vroeg onlangs van zijn volgelingen 54 miljoen dollar voor een vierde privé-vliegtuig,  een Falcon 7X waarmee hij nog sneller om de wereld kan vliegen, zodat hij nog meer mensen met het evangelie kan bereiken. Geld, geloof, welvaart en succes worden zo in één adem genoemd. Je moet het lef maar hebben om dat te durven vragen. (Ik ben trouwens volgend jaar wel aan een nieuwe auto toe. Het liefst een Mercedes B200 handgeschakeld. Ik hoef geen nieuwe. De huidige auto is ook tweedehands.)

Job wil geen contract met God. Job wil niet horen dat hij zelf de oorzaak zou zijn van het ongeluk en leed dat hem overkomt. Hij weigert mee te gaan in dat systeem. Als de vrienden na zeven dagen zwijgen hun mond openen willen ze hem in dat systeem mee krijgen. En dat is niet zo verwonderlijk want dat systeem is ook hun houvast: zó zit de wereld in elkaar, zó dien je hem te begrijpen. In de jaren tachtig, met de opkomst van New Age, werden de vragen die een mens kan hebben bij alles wat je overkomt, steevast naar jezelf terug gewezen. Had je een ziekte dan moest je waarschijnlijk iets verwerken. Had je problemen met je ouders, dan diende je te zwijgen, want die had je zelf uitgekozen. Je had je eigen leven georganiseerd en ontworpen en was daarvoor dan ook ten vollen verantwoordelijk.  Maar de troost die je geboden wordt door enkel naar jezelf terug te wijzen: Je bent zelf de oorzaak van datgene wat je overkomt, is niet alleen een schrale troost maar het is een koude troost. Het is een troost die je alleen laat en je alleen zet.

Job heeft niets meer aan het contract dat de vrienden hem voorhouden. Het is zijn vrouw: ‘Vervloek God en sterf!” die de vraag bij hem openbreekt. En het verlangen openlegt naar het gesprek met God. De vrienden zijn verlegen met dat verlangen. Want wat zeg je, als je niet meer terug kunt vallen op een systeem. Hoe kun je nabij zijn als je geen woorden meer hebt, die je bijvoorbeeld door de traditie worden aangereikt. Of de woorden die we in al onze burgerlijke uitwisselingen nuttigen? Kom op, na regen komt zonneschijn. Je moet maar denken: je hebt het ergste nu gehad. Ieder huisje heeft zijn kruisje. En meer van dat soort platitudes.
Hoe ben je nabij als je er getuige van bent als iemand ziek wordt. Of de dood langs komt in zijn meest onredelijke gedaante? En je ineens de naaste bent van iemand die het vermogen om te leven kwijt is geraakt?

Bij mijn beste vriend werd onlangs kanker geconstateerd. De uitslag van de onderzoeken die hij heeft gehad, zijn  dusdanig dat hij zelf moet kiezen of hij direct wordt geopereerd of later. En dat later draagt een zeker risico in zich. Toen ik hem vorige week aan de telefoon had zei hij: Ik word de hele dag door heen en weer geslingerd in mijn emoties. De ene keer voel ik mij opgeruimd en optimistisch, om mij vijf minuten later diep in de put te voelen. Ik weet niet wat mij overkomt. Ik ken mijzelf zo niet. Dit ben ik niet. Ik wist niet zo goed wat ik daar op moest antwoorden. Ik ken hem zo ook niet. Je kunt je vreselijk onmachtig voelen, als je geconfronteerd wordt met ziekte, leed en lijden. Toen zei ik maar: dit ben jij ook. Dit ben jij ook, deze man met al deze emoties. En ik begrijp dat je zo niet wilt zijn, dat wil niemand. Niemand verlangt naar de situatie waar jij je nu in bevindt. Maar dit ben jij wel. En natuurlijk wil je jezelf niet zo zien, laat staan dat je je aan een ander wilt tonen. Dit ben jij ook.
Ik weet niet of dit een goed antwoord was. Maar misschien zijn er situaties waarbij het er helemaal niet toe doet of het een goed antwoord is en is de oprechtheid in de nabijheid veel belangrijker dan het vinden van de juiste woorden. En ik heb ook geen goede slotzin aan deze preek. Er is zelfs niet iets van een aarzelende conclusie. Maar weet wel dit: het systeem verlaten van voor-wat-hoort-wat vraagt wat van ons. Een echte ontmoeting aangaan en een gesprek, dat is er niet zo maar. Je onmacht een plek geven, de stilte durven laten vallen. Het is allemaal niet eenvoudig. Maar als we het doen raken we wel aan het diepste menselijke dat we hebben en kunnen zijn. En raken we misschien wel aan God. Of belangrijker nog: raakt God aan ons.

Tot vrijheid gekomen

27 maart 2018 | Door | Geen reacties

Gisteren kwam het bericht van overlijden van Johan van Hulst (107) Twee jaar geleden mocht ik hem voor het blad Kerk in Mokum interviewen.

De honderd is Johan van Hulst, emeritus hoogleraar pedagogie aan de Vrije Universiteit, ruim gepasseerd, eind januari werd hij 105. Als één van de weinigen is hij in staat daarmee een eeuw terug te kijken. Een gesprek over een veranderende wereld, geloof en politiek.

Geloof

Van Hulst werd in 1911 geboren op de Egelantiersgracht in de schaduw van de Westerkerk. Een gezin met vier kinderen, vader meubelstoffeerder, moeder huisvrouw. ‘Ik was een erg gehoorzaam kind, wat mijn ouders zeiden was wet.’ Dat gold ook voor het geloof waarin hij werd grootgebracht: ‘Ik ben niet opgevoed tot zelfstandig denken. God was in eerste instantie een rechtvaardige en strenge God die wist wat straffen was. Muziek- en oratoriumvereniging waren toegestaan, maar bioscoop- of schouwburgbezoek was uit den boze. Op zondag waren fiets, bus of trein taboe. Ik heb dat volgehouden tot aan mijn puberteit, toen ontdekte ik dat het geloof van mijn ouders veel rijker was dan mij werd meegegeven. Ik ben tot vrijheid gekomen. Ook al heeft het mij eerst veel moeite gekost om op zondag met de trein te gaan.’

Jeugd

Hij spreekt met liefde over de wijze waarop zijn ouders hun geloofsovertuiging in praktijk brachten: ‘In elk opzicht waren mijn ouders rechtschapen mensen. In mijn jeugd waren er in de buurt van de Egelantiersgracht nog kelderwoningen, waar meestal alleenstaande bejaarde vrouwen woonden. Zij leefden daar zonder enige voorzieningen. Mijn moeder zocht hen dan op, bood hulp en ik ging als kind mee. Ik wist dan niet wat ik moest zeggen. Hoe gaat het met u juffrouw? Zei ik dan maar. Een antwoord zal ik nooit vergeten: Ach jongen, een ander gaat tenminste nog eens dood. Dat zegt genoeg.’

Kweekschool

Zijn ouders hadden geen kans gehad om door te leren en zijn vader wilde dat voor hun kinderen anders. ‘We mochten tot ons achttiende naar school, onder de voorwaarde dat we niet bleven zitten. Ik betaal niet voor je luiheid, zei mijn vader’. Van Hulst wilde het liefst naar het gymnasium maar zag niet wat hij met een klassieke opleiding moest gaan doen. Hij koos voor de ‘universiteit van de kleine luiden,’ de leerroute van Mulo en kweekschool. Het zou het begin worden van een leven lang leren. Met 18 jaar behaalde hij zijn onderwijzersdiploma en werd onderwijzer in Oudewater. Na zeven jaar verruilde hij Oudewater voor Utrecht. Zijn liefde voor de literatuur bracht hem bij de studie Nederlands. Na negen jaar studeerde hij af in de letteren. Via de Utrechtse hoogleraar pedagogiek Langeveld, kwam hij in contact met professor Waterink van de Vrije Universiteit. In 1961 werd hij op 52-jarige leeftijd hoogleraar en volgde Waterink op. De eerste hervormde in een tot dan toe gesloten gereformeerde wereld.

Hoogleraar pedagogiek

Ook in zijn hoogleraarschap trok hij uit een benauwende wereld weg: ‘Waterink had een grote invloed in de gereformeerde kerken in die tijd. Hij ging ervanuit dat een goede theologie en filosofie vanzelfsprekend uitkwam bij een goede pedagogiek.’ Van Hulst ging daarin zijn eigen weg en gaf de pedagogiek een eigen zelfstandige plek. Hij omschreef zijn methode als een cultuurhistorische pedagogiek met Bijbelse noties. Het vond zijn weerslag in zijn boek Elements of Christian Education dat hem de wereld over bracht. Een twaalftal universiteiten nodigde hem uit voor gastcolleges. Van Hulst zag hoe verzuild Nederland op de schop ging en werkte daar zelf aan mee. Vanaf zijn 18de werd hij politiek actief binnen de toenmalige CHU, in de jaren zestig nam hij plaats in de Eerste Kamer. Hij zorgde er bij wet voor dat de studenten rechten kregen en hield door deze positie stand in het rumoer van de studentenopstanden van ’68. ‘Toen ik honderd werd is het toenmalige studentencomité – inmiddels allemaal bejaarde VVD-ers – mij nog komen bedanken.’ Het Kamerlidmaatschap zou hij 25 jaar volhouden, eindigend als voorzitter van de CDA fractie, toentertijd de grootste fractie. ‘Ik was in die tijd een man met groot gezag’.

YadvaShem onderscheiding

Zijn politieke ambities kreeg hij ook van huis uit mee. ‘Mijn vader was lid van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij, een partij die ervanuit ging dat de staat de ware godsdienst diende te beschermen. De partij heeft maar vier jaar in de Tweede Kamer gezeten. Ik was als zestienjarige jongen al tegen de opvatting dat de staat de godsdienst moest voorschrijven. In Duitsland zagen we wat het betekende als de staat de waarheid gaat dicteren.’ Met de ideologie van het nazisme werd van Hulst indringend geconfronteerd toen hij tijdens de Duitse bezetting als directeur van de Hervormde Kweekschool in Amsterdam de opdracht kreeg een lijst aan te leveren met alle gegevens van de leerlingen. Hij weigerde, dook onder en redde actief 80 joodse kinderen uit handen van de bezetter. Hij kreeg voor deze verzetsdaad een YadvaShem onderscheiding in Israël. De brief die hij schreef aan Seyss-Inquart is bewaard gebleven in het Gemeentemuseum van Amsterdam. ‘Moet je nagaan dat die 450 leerlingen je later tegen zouden komen en zouden zeggen: Daar loopt onze verrader. Nooit, nooit, nooit zou ik die Judas hebben willen spelen.’

Hebt uw vijanden lief

Van regeringswege werd hem na de oorlog gevraagd om naar Duitsland af te reizen om daar het onderwijs te helpen hervormen. ‘Er was een enorme behoefte de boel daar weer op de rails te krijgen. Alle geschiedenisboeken verheerlijkten Hitler. En het vak gymnastiek was premilitair gericht op gehoorzamen vanaf je zesde jaar. Leerlingen kregen oefeningen die naadloos aansloten bij een latere militaire opleiding.’ De confrontatie met de voormalige bezettende macht, zo vlak na de oorlog, was voor Van Hulst geen gemakkelijke. ‘Ik moest wel over een drempel heen stappen. ik heb met geen andere Bijbeltekst in mijn leven zoveel moeite gehad als ‘ hebt uw vijanden lief’. Ik heb ze gehaat tot in het putteke van mijn ziel. Maar we moesten in het midden van Europa geen puinhoop aanrichten. Nederland mocht geen handel drijven met Duitsland. Het gevolg was dat in het Westland de groente lag te rotten, terwijl in Duitsland honger werd geleden. Aan die situatie moest een einde komen.’

Politiek

De rol van Duitsland in Europa is inmiddels ingrijpend veranderd. In ethisch opzicht wordt het nu vaak als gidsland gezien. Hoe kijkt hij daar tegenaan? ‘Ik weet het niet meer, een tijd geleden was ik onder de indruk hoe Angela Merkel zich opstelde naar de vluchtelingen toe. Maar ik ben bang dat Duitsland de grote toestroom van vluchtelingen toch niet aankan.

Wat de Nederlandse politiek betreft kijkt hij in het huidige CDA vooral naar personen: ‘Van Haersma Buma is integer bezig, ik weet niet of het een groot politicus is.’ Voor de PvdA ziet hij niet veel toekomst. ‘Er gaat een enorme dreiging van Wilders uit. Wilders komt met de oplossing van de grenzen sluiten. En wij zeggen: dat kan niet, je kunt mensen niet terugsturen. Je hebt niet zo maar een antwoord op hem. Wilders is geen partij, de partij is Wilders, er is geen jeugdbeweging, niets. Hij wil het alleen voor het zeggen hebben. ‘

Levende werkelijkheid

Terugkijkend op het leven, heeft kerk en geloof hem een vaste grond gegeven? ‘Aanvankelijk hield ik in mijn leven vast aan de orthodoxie, maar toen ik met het leven van de Gereformeerde Bond kennis maakte vond ik dat niet leefbaar. Dat ze dingen verbieden is tot daaraan toe. Maar zaken verbieden op grond van de Bijbel, dat is voor mij onmogelijk.” Toch noemt hij zich nog wel in enige mate orthodox: Men moet bij mij niet tornen aan de heilsfeiten: geboorte van Christus, lijden en opstanding. Maar die opstanding moet een levende werkelijkheid voor een mens zijn.

In Holland staat een kerk – een terugblik

1 november 2017 | Door | 3 reacties

De herdenking van vijfhonderd jaar Reformatie leidde vandaag tot de EO-uitzending ‘In Holland staat een kerk’, aangekondigd als muzikale show, geprogrammeerd voor NPO1 dus met de eis aansprekend te zijn voor een breed publiek. Geen sinecure om te maken, vertaal een religieus thema maar eens voor een breed publiek in een land waar religie zo’n beetje achter de voordeur dient te verdwijnen. Ik zette mij vanavond nieuwsgierig voor de televisie en dat werd een kwelling. We zijn in ons land toch wel in staat om iets beter te maken dan dit? NPO1 is er niet voor de verdieping, maar dat betekent toch niet dat de geschiedenis van de Reformatie zo kort door de bocht moet worden gepresenteerd? De voor-reformatorische katholieke kerk werd al snel weggezet als het door en door corrupte instituut waar mensen dingen werd geleerd die niet in overeenstemming waren met de Bijbel. Gelukkig was daar Luther met zijn hamer, die de kerk de stellingen en het volk de Bijbel gaf. Maar die Luther was er niet zonder bijvoorbeeld Erasmus van Rotterdam, de stad van de Laurenskerk waar het programma werd opgenomen. Als er iemand een Nederlandse, oh nee, Hollandse bijdrage aan die Reformatie heeft gegeven dan is het Erasmus wel. Geen woord erover. Daarna ging het al snel naar de beeldenstorm, want de mensen konden nu in de Bijbel lezen dat je geen gesneden beelden mag maken. Dus gingen ze de beelden te lijf. Tuurlijk. Dat werd prachtig geillustreerd met de videomapping op de kerk, waar je met beeld(!) kunt laten zien dat de kerk instort terwijl die overeind blijft staan. Onvermijdelijk werd ik herinnerd aan de beeldenstorm van Islamitischse Staat in onze tijd. Geconfronteerd met de werkelijke vernietigingskracht die religie kan ontketenen, zul je nooit meer met romantiek over dergelijke acties spreken. Gelukkig meldde Andries Knevel hoe verschrikkelijk die beeldenstorm was geweest. Daarna kwamen alle platitudes over Holland langs. Reformatie betekent zuinigheid, zie de flessenlikker. Reformatie betekent VOC mentaliteit, kijk naar de welvaart en de grachtengordel, maar Reformatie betekent ook verzuiling. Oh ja, dacht ik? Is er overal een directe lijn te trekken? Wel eens van het humanisme gehoord als stroming? En de invloed daarvan? En als het verband er wel is, kun je die dan even uitleggen? Zelfs op NPO1? Drie keer werd ons dezelfde geschiedenis verteld over de functie van de statenbijbel voor het ontstaan van het Nederlands. En de invloed van Willem van Oranje daarop onvermijdelijk gevolgd door het zesde couplet van ons volkslied. Een beetje God, Nederland en Oranje. Maar waarom werd ons niets verteld wat de Reformatie heeft betekend voor de schilderkunst waar Nederland in de zeventiende eeuw in uitblonk? Waarom zagen we niets van Rembrandt? Het is prachtig om te laten zien dat juist de nadruk op het Woord zoveel beeld heeft voortgebracht, want de Reformatie was vooral een beeldrevolutie: geen Duitser is zo vaak afgebeeld als Luther. En wat helemaal onderbelicht werd, ondanks een constant musicerend orkest dat vaak hinderlijk naar de achtergrond werd gedrongen: Wie Reformatie zegt, zegt muziek, zegt: zelf zingen, zegt Bach. Geen enkel land omarmt Bach inniger als dit land, zelfs – en misschien wel juist – in zijn geseculariseerde staat. Als er iets is wat de Reformatie heeft ontwikkeld dan is het wel kerkmuziek. En wie Reformatie zegt, zegt ook: kansels, preken, luisteren! Misschien dankt onze cabarettraditie van one-man-shows, de populariteit aan de eeuwenlange traditie van verkondigingen op de kansel. Wat was het spannend geweest om juist dat aspect in een kerk voor het voetlicht te brengen. En dan niet op een catwalk, maar vanaf de kansel. Dit is een preekland. Reformatie betekent: uitleggen, verkondigen. Om welke stelling zou het nu gaan? Welke woorden moeten er nu onvermijdelijk klinken? En wie durven we daarvoor te vragen? Zullen we Mark Rutte uitdagen voor een visie?

Bijna op het eind zong Stef Bos nog een keer het lied dat hij schreef voor de EO-serie ‘Toen was geloof nog heel gewoon’. Een lied vol nostalgie toen iedereen nog naar de kerk ging en alle zekerheden nog overeind stonden. Ach ja, wat was het mooi in de jaren vijftig. Luther zou ervan gegruwd hebben. Want als er iets onderuit ging in de Reformatie dan waren het wel: zekerheden. Nostalgie had hem niet de hamer doen heffen. Geloven bleek leven te zijn in een wankel evenwicht. En Luther zou ondervinden dat dat genoeg kan zijn. De beelden van het programma waren behoorlijk ok. Dat is mooi. Maar kom op EO. Dit kan veel beter.

Ontregel ons God, ontregel ons!

1 oktober 2017 | Door | Geen reacties

Zondag 1 oktober ging ik voor de laatste keer voor in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. De eerste dienst over een serie met als thema: Kunst over hemel en hel. Hieronder de tekst van de overweging.

Gemeente van Jezus,

De eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik ‘ja’ tegen deze dienst had gezegd, nog voor ik mij goed en wel gerealiseerd had wat het thema inhield. Hemel, hel, kunst bleef er bij mij hangen… en de notie dat ik daar wat zinnigs over moest gaan zeggen, was nog niet tot mij doorgedrongen. Wel schemerde er de vraag tot mij door: kunnen we daar nog wat mee met beelden van hemel en hel. En daarachter natuurlijk de vraag; kunnen we überhaupt wat met hemel en hel. Of moeten we dat niet afschaffen als zijnde niet meer van deze tijd. Of sterker nog: niet meer van nut. Dat laatste: dat iets nut moet hebben vind ik weer zo’n gereformeerde vraag, die komt hier telkens weer langs… Ik krabde me dus de laatste weken dikwijls achter de oren bij dit thema, alsof het uitspansel zich vernauwde in een zich steeds enger wordende ruimte en het zelfs op mij voorzien had. Wie ben ik eigenlijk om uitspraken te doen over hemel en hel? Wat weten we daar nu eigenlijk van. Wie ben ik als mens op de eeuwigheid. Past ons, past mij geen bescheidenheid?

Deze uitleg is dus niet meer dan wat woorden tegen die eeuwigheid aan. Tegen die veronderstelde hemel, tegen het woeden van het hellevuur. Niet meer en niet minder. Ik vond het een troostende gedachte de afgelopen weken mij de hemel te verbeelden op zondagochtend. Zo ongeveer ergens boven deze plek. En mij in te denken dat God van boven naar beneden kijkt en ineens roept, jongens, meisjes, kijk nou toch daar beneden, daar, die mensen aan de rand van dat grachtje in dat wereldstadje. Ze gaan het over de hemel en de hel hebben. Wat zullen ze ervan gaan zeggen? En dat er dan een weddenschap daar wordt gehouden. Ik denk dat ze hem gaan afschaffen, roept er één. Ik wed erop dat ze hem zullen moderniseren. Nee joh, ze gaan zich afvragen hoeveel nut wij nog hebben. Ssssst, ze gaan beginnen roept er weer een ander. Even wachten jongens, straks bestaan we niet meer. Dan klinkt er een daverend gelach daarboven en wordt het stil.

Om het geheel niet te laten uitdijen tot een college van een uur zal ik het beperken tot drie punten. Eerst zal ik wat zeggen over de afbeelding van Botticelli die we hier zien. Dan zal ik een pleidooi voeren om hemel en hel maar af te schaffen en ons te beperken tot het hiernumaals, om vervolgens uit te komen bij de kunst die ons hemel en hel als mogelijkheid aanbiedt…

Om met het begin te beginnen: deze afbeelding waar wij nu naar kijken is van Botticelli en dateert uit het begin van de veertiende eeuw. Het is een uitbeelding van de hel zoals Dante hem in het begin van de veertiende eeuw beschreef in zijn boek ‘De goddelijke komedie’. Komedie, want uiteindelijk loopt de reis goed af. Dante laat zich inspireren door het meisje Beatrice, die hij  op 9 jarige leeftijd ontmoette en die een verpletterende indruk op hem maakte. Helaas werd zij slechts 24, en in een halucinerende reis gaat Dante naar haar op zoek en daalt daarbij diep af in het rijk van de doden. Hij beschrijft daarbij de hel als een trechtervormige grot die ontstaan is toen God Lucifer uit de hemel smeed. Lucifer zit nu onderin de trechter vastgevroren in het ijs. Samen met zijn vriend Vergilius daalt Dante af naar beneden en ontmoet daar op elke ring zondaars in verschillende gradatie. Ik citeer:

In de eerste vijf ringen huizen zielen die hun driften en lusten niet konden bedwingen: wellustigen, vraatzuchtigen, hebzuchtigen en wraakzuchtigen, maar ook ongedoopten en deugdzame heidenen. De zesde en zevende ring zijn voor ketters en geweldplegers (moordenaars, rovers, zelfmoordenaars, godslasteraars, sodomieten en woekeraars). De achtste en negende ring zijn voor bedriegers: onder meer koppelaars, heksen, dieven, schismatici, alchemisten en vervalsers. U merkt: u kunt uw plekje uitzoeken…

Het beeld dat Botticelli hier maakt van Dantes reis is niet bijbels gefundeerd, maar vindt voornamelijk zijn oorsprong in Romeinse en Griekse mythen. Het heeft wel zijn plek gekregen in het Christendom. Met name de Middeleeuwen hebben ons, ook door de schilderijen van Jeroen Bosch, tal van verbeeldingen opgeleverd van hemel en hel. Van verdwenen aards paradijs, van plekken waar je niet wil zijn en waar je ook nooit wil komen. En die afbeeldingen kregen hun functie. Het joeg angst aan. Het dwong je op het rechte pad te blijven. En niet in de laatste plaats: het gaf macht aan de kerk. Een macht die zich niet alleen over het aardse leven uitstrekte, maar reikte tot over de grenzen van de dood. Het gaf de kerk een troef in handen in de strijd met wereldlijke heersers. Hoezeer zij zich ook door oorlogen konden verzetten, zich sterk maken, zich bewapenen, land veroveren, de kerk had altijd de dood achter de hand, het landschap van de hemel en de hel, waar zij oppermachtig waren. De sleutels van de eeuwigheid lagen toch vooral in Rome, zeg ik als rechtgeaarde protestant, daar kon geen vorst of keizer tegenop. De verbeelding van de hemel en de hel werden zo vooral: machtsmiddel. Reformatie en later de Verlichting kwamen daartegen met succes in opstand. Weg met alle speculatie, weg met de angstwekkende verbeelding, maar ook weg met de zoetsappige verleiding van een hiernamaals dat je tot passieve mensen maakt hier in het ondermaanse. Er zijn altijd mensen die jouw passiviteit en ondergeschiktheid willen, er zijn altijd mensen die er belang bij hebben dat je je schikt in je lot. Weg met de idee dat alles later beter wordt. Weg met de idee dat de hemel vooral bedoeld is als een doekje voor het bloeden.

Maar wat dan? Bij de schrijver Nortrop Frye kwam ik de gedachte tegen dat de grootste verleiding van dergelijke hel- en hemelkaarten is dat zij een kosmologie voorstellen. Een kaart waarin alles zijn ordening en zijn plek heeft. En waarin ook geen beweging wordt veronderstelt. Geen reis meer, geen doel. Alles heeft zijn plek in een min om meer logisch verband. De hemel- en helkaarten maken het leven statisch.

Terecht dan ook dat Reformatie en Verlichting een flink mes hebben gezet in al deze hemelse en helse speculaties. Het is niets anders dan een grote bevrijdingsbeweging geweest. De Reformatie maakte ons ervan bewust dat vanuit de Bijbel er niet zo gek veel valt te vertellen over het hiernamaals. In het Oude Testament speelt het nagenoeg geen rol, pas in de eeuwen voor onze jaartelling wordt er onder invloed van de Grieken over een hiernamaals nagedacht. In het Nieuwe Testament vinden we verschillende opvattingen over het hiernamaals, maar nergens is dat een uitgewerkte kaart. Als Jezus in de tekst die we vanmorgen lazen wijst op het Gehenna, (waarover Gerhard in de derde dienst in deze serie meer zal vertellen) dan wijst hij op het Hinnomdal bij Jeruzalem, de plek o.a. waar de gestraften hun einde en rustplaats vinden. In die lokalisering schemert nog de idee uit het oude testament door dat hemel en hel niet ergens metafysisch, boven ons gedacht dienen te worden, maar ergens elders op deze wereld. Net zoals het paradijs geen luchtspiegeling was, maar ergens in het platte vlak werd gedacht.

Zover was ik deze week gekomen. En ik dacht; misschien is het beter hel en hemel te vergeten. En ons op het nu te richten. Dat ligt ook meer in de lijn van deze tijd, waarin wij ons sowieso al voortdurend opjagen naar morgen, naar straks, naar beter. Laten we hemel en hel vergeten en ons beperken tot dit ogenblik waarin we zijn. Zen! Zoiets. Niet de eeuwigheid is ons perspectief, maar deze tijd. Niet het daar, maar het hier. Laten we ons bepalen tot dit moment. Ik probeerde dat deze week een dagje uit. Niet denken aan straks, niet wat er moet gebeuren, niet wakker liggen van een aanstaande verhuizing, noch van nieuw werk of een uitleg die nog niet af is. Laat ik me bepalen tot het hier en dit moment. Maar toen ik de krant pakte stelde ik mijzelf ineens de vraag: als ik me beperk tot het hier en nu. Als ik hemel, hel, later wegdenk… Over welk hier en nu heb ik het dan? Ons land staat op de achtste plaats van de rijke landen. We hebben het dus over een rijk land. Deze stad is een booming town, die door steeds meer toeristen wordt gevonden. Amsterdam is misschien wel welvarender dan ooit, en wordt ook mooier dan ooit… Maar in datzelfde Amsterdam is het hier en nu in de grachtengordel anders dan het hier en nu in Oost, Zuidoost of West. De mensen die het Concertgebouw bevolken zijn anders dan de mensen in het Bijlmerparktheater. De Zuidas is een andere wereld dan Noord. Het is niet zo moeilijk het hier en nu in tijd af te grenzen. Laten we ons bepalen tot dit moment, tot dit uur. Maar waar grenzen we het af in de ruimte? Wie of wat hoort er nog wel bij en wie niet?

Mijn leven zelf kenmerkt zich door voldoende werk. Liefde en vrienden om mij heen. Mensen die zeggen dat ze me gaan missen als ik weg ga. En ik hen. Dit leven is om te vieren en om dankbaar voor te zijn, maar deze tegenwoordigheid is dat het hier en nu van de geslaagden? Van de rijken, van de succesvolle mensen? Van de mensen die het leven op orde hebben? Diezelfde krant confronteert mij met een ander wereld. En opent mij de ogen voor een onverdraaglijke gelijktijdigheid van al dat andere hier en nu. Van een orkaan die langstrekt en een vernietigend spoor achterlaat, van mensen die uitgebuit en gemarteld worden op hun vlucht naar Europa, van mensen die met flexcontracten de eindjes van hun leven aan elkaar knopen en voelen dat hun leven niet verder komt, van de brutale en grote bekken van de wereldpolitiek, van… Het is een prachtig experiment om die kaart van hemel en hel definitief in het archief van ons bestaan te stoppen en niet meer in te zien. Niet meer voor later te leven, maar over welk hiernumaals gaat het dan?

Northrop Frye, de schrijver die ik zojuist al citeerde, wijst alle hemel- en helconcepten met hun kosmologie, met de vaste plaats voor goed en kwaad, voor leven en dood van de hand. We moeten niet gaan speculeren over later. Maar zegt hij, we dienen wel recht te doen, aan dat wat de motor van de bijbel vormt en dat is: het visioen. Het gaat er niet om de plek voor hemel en hel vast te stellen, maar het gaat er wel om het besef bloot te leggen dat we onderweg zijn. Het visioen houdt ons een andere werkelijkheid voor. We zijn er nog niet. We verbeelden ons die werkelijkheid niet om te berusten, maar om ons verlangen te voeden. Dit is niet de hemel. En dit is ook niet de hel. Daarom lazen we deze ochtend maar die tekst uit Jesaja, al vooruitgegrepen op Advent. Over die dieren die elkaar niet meer opvreten. Maar naast elkaar gaan liggen. Als ijkpunt voor dat wat gaat komen. De hemel is vooral een tegennatuurlijk perspectief.

In de zomer was ik op de vijfjaarlijke tentoonstelling Documenta in Kassel. In één van de zalen hingen alleen maar schilderijen met roze naakten, waarvan alleen de geslachtsdelen gedetailleerd waren weergegeven. Het was een ontregelende naaktheid, die direct een gevoel van vervreemding en ontheemding opriep. Een zaal ook om weer snel uit weg te willen. Hoe vervelend die ervaring, het is wel iets dat kunst kan doen. Kunst kan ons de hel en de hemel voorspiegelen. En met de kracht van beeld en woord de toekomst verbeelden. En kunst kan dat bijna nutteloos doen, niet met het doel om te pleasen, niet om daarmee angst aan te jagen, niet om te speculeren over het hiernamaals of over later, niet om macht uit te oefenen, niet om een kaart van het hiernamaals te ontwerpen. Wel om ons de mogelijkheid van hel en hemel voor te houden. We zijn in staat om het leven tot hel te maken, het bestaan van bijna al zijn menselijkheid te ontdoen. We zijn in staat om elkaar te negeren, niet te zien, niet te waarderen. We kunnen elkaar tot onvrijheid dwingen, tot slaaf maken, we kunnen elkaar veroordelen, wegzetten, teleurstellen. Én we zijn in staat tot het tegenovergestelde, op te bouwen, te troosten, eten te geven, te dansen, te vrijen, lief te hebben, uit te dagen. We hebben de mogelijkheid tot hemel.

In plaats van de hemel en hel af te schaffen en de kaarten daarvan weg te bergen, is het misschien beter om ons hemel en hel in herinnering te brengen. En aan te leggen tegen het visioen. Waar zijn we. Nu? Waar ben ik? Wat gebeurt er in mijn eigen leven aan hel, welke teleurstellingen en welke woedes ga ik door. Wat houdt mij op de been? Waar hoop ik op? Waarop richt zijn mijn liefde? Wie bemin ik? Ieder kan het voor zich invullen.

En af en toe is het goed, denk ik, om op zondag om een uur of tien, maar het mag ook een half uurtje later, bij elkaar te komen en met alle kracht de hemel te verbeelden. We kunnen niet anders dan dat. Bijvoorbeeld hier zo boven de gracht. Waar het zo maar kan zijn dat God heeft meegeluisterd en wellicht doet hij of zij dat nog steeds. En dan zacht of hard, al gelang naar onze stemming, in de verbeelde ruimte te roepen: Ontregel ons, God! Ontregel ons!

Moge dat zo zijn.