Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ferdinand Borger

De drang tot omhelzen groeit in het zicht van de dood

6 februari 2021 | Door | Geen reacties

Zaterdagmiddag kwam ik uitgeput thuis van een uitvaart die ik had geleid. Wat was er aan de hand?  Het lag niet aan de bijeenkomst zelf, die met zorgvuldigheid en liefde door de nabestaanden was ingevuld, de muziek was mooi. De beelden en de verschillende bijdragen ontroerden.

Maar ook deze bijeenkomst was andermaal het gevecht met de gewone natuurlijke impulsen: mensen willen aanraken, nabij zijn, een hand vast houden. Elke aanraking kan een besmetting opleveren, elke besmetting een zieke, en elke zieke een dode. Over al ons handelen ligt de doem van een mogelijke beschadiging van de ander en van onszelf. Kun je de wil tot nabijheid niet onderdrukken dan is daar het schrikbeeld van overvolle ic’s, grafieken met zieken en doden, foto’s uit Londen of Bergamo. Daar wil je toch niet aan bijdragen? Nee, natuurlijk. En zo wordt ons spontane – niet in het minst door liefde gedreven – gedrag voortdurend onder kritiek gesteld. In onze goedbedoelde nabijheid schuilt altijd het element van dreiging. Misschien draag je het virus onbewust bij je.  Houd afstand! Ziedaar de bron van de vermoeidheid, een leven waarin elke spontaniteit verdacht wordt en elke handeling om berekening vraagt. De overheid ziet het als haar plicht ons daarbij te helpen en perkt onze vrijheden in. De maatregel slechts één bezoeker per dag toe te staan thuis toont ons andermaal een overheid die de burger niet al te veel vertrouwt. Daarmee dwingt ze onze solidariteit af, maar ten diepste hoort deze solidariteit niet thuis in de wereld van de berekening. Ook liefde huist daar niet.

Natuurlijk moet de overheid met wetten ons gedrag reguleren. Maar een te grote regulering smoort onze eigen verantwoordelijkheid. We worden marionetten die binnen de grenzen handelen omdat daarbuiten straf dreigt.  We verwaarlozen daarbij de notie dat onze waarden voortkomen uit de tradities waarin we zijn opgegroeid. Niet de overheid heeft ons daarin het voorbeeld gegeven, maar de ouders, de school of de religieuze traditie waarin we staan. Die tradities worden momenteel niet geraadpleegd. Haast, paniek en angst voor een derde golf beletten elke reflectie op ons handelen. De medici nemen het voortouw en de politiek volgt. We hebben geen tijd. Dat heeft gevolgen voor ons handelen. Het virus moet worden bestreden, cijfers dicteren daarbij onze werkelijkheid. Elke overleden corona-patiënt is er één teveel. De doden wijzen ons op ons falen, waarbij we onszelf verantwoordelijk houden.

We kijken inmiddels met een medische blik naar de dood. De dood moet worden voorkomen. Iemand die overlijdt is een bewijs van een falend systeem, van een samenleving die tekort schiet. Ik zou ver bij deze opvatting weg willen. Ik zou een pleidooi willen voeren voor een herziening, voor een herwaardering van de dood. Niet om makkelijk te spreken over de mensen die ons ontvallen. De dood doet hoe dan ook pijn. En het is een groot goed dat we de mogelijkheid hebben om te genezen. Maar dat gaat niet tot elke prijs. De dood is het moment dat al ons handelen uit onze handen valt, het natuurlijke einde van onze maakbaarheid. Het valt ons zwaar dat onder ogen te zien. Maar het einde van onze maakbaarheid is niet het einde van onze menselijkheid. Integendeel. Op het moment van de lege handen, bij het onder ogen zien van de dood wordt onze menselijkheid bevraagd. In de stilte van het einde moet het goede handelen worden gevonden. Wat nu? Nu we niets meer kunnen? We treden  noodgedwongen buiten het terrein van protocollen en regelgeving. Er valt geen succes meer te boeken, noch eer te behalen. We worden verslagen en we kunnen ons hervinden. We moeten er terug naar onze bronnen.

Een vrouw van boven de negentig staat voor me. Ze is bang. Ze krijgt het vaccin en ziet op tegen de vaccinatie. Ze trilt. Ik omhels haar.

Gepubliceerd in Trouw, 5 februari 2020

Pauw komt binnen kiest vooral voor leedtelevisie

24 november 2020 | Door | Geen reacties

foto: annemieke van der togt

Jeroen Pauw is terug als talkshowhost en trekt zes maal het land in met het programma Pauw komt binnen. Nu om de mensen in levende lijve te ontmoeten die vaak het onderwerp van gesprek vormden aan de studiotafel van de talkshows. Stilletjes vermoed ik dat het format is ontstaan toen OP1 er voor koos één avond neer te strijken in een kerk in Uden, dat zwaar door het coronavirus werd getroffen. Van de eerste aflevering vanuit het RadboudUMC werd ik al niet enthousiast. Goed, de aflevering was dramaturgisch slim opgebouwd, coronaslachtoffers vertelden hun verhaal hoe ze de ziekte hadden overleefd, daarna kwamen de nabestaanden aan het woord van de mensen die aan de ziekte waren bezweken, waarbij het verhaal van twee zussen die hun beide ouders hadden verloren het meeste indruk maakte. Helaas werd er hinderlijk op de emotie doorgevraagd. Tussendoor vertelden artsen hoe ze met man en macht ten strijde waren getrokken tegen het virus om te eindigen met een oproep van iemand uit zijn ziekbed om toch vooral goed op te passen en de regeringsmaatregelen nauwgezet op te volgen. Veel nieuws  hoorden we daar niet bij, de verhalen waren allemaal al eens verteld en de plaats van de tafel in een ziekenhuis  voegde daar maar weinig aan toe. In de tweede aflevering koos Pauw het verpleegtehuis Lindendael in Hoorn als zijn domicilie en dat werd niet veel beter. In zijn openingsvraag aan de tafel met bewoners, familie, verpleegkundigen en een bestuurder suggereerde hij dat de verpleeghuizen in deze tweede golf misschien weer gesloten zouden worden, terwijl iedereen weet dat één van de lessen die we inmiddels hebben geleerd is om dit ten allen tijde te voorkomen. Daarover bestaat een behoorlijke communis opinio. Een suggestieve vraag dus maar het werkte: de angst voor een nieuwe sluiting opende de gesprekken aan tafel en boden een handvat om nog maar weer eens terug te kijken hoe we de eerste coronagolf hebben doorstaan.

Niet veel nieuws dus en een zoveelste herhaling van zetten waarin we met de coronaberichtgeving zijn terechtgekomen. De aankondigingen van de gasten voorspellen vaak de loop van het gesprek. We weten de meningen van Maurice de Hondt, Ab Osterhaus en Marion Koopmans aan de tafel inmiddels. Een tafel ergens in het land zetten met onbekenden zou een verademing moeten zijn. Toch niet. Dat ligt aan Jeroen Pauw zelf. Zijn toon is vol compassie, begrip en medeleven, maar dat zit hem in de weg. Zeker in een verpleegtehuis waar het juist over het einde van de compassie gaat. Het is de plek waar in het leven het moment aanbreekt van loslaten, met lege handen staan en je overvallen weten door onmacht. Een vrouw vertelde hoe zij haar vader in de laatste uren voor zijn sterven had moeten verlaten omdat haar mondkapje verzadigd was en de volgende ochtend moest horen dat hij ’s nachts was overleden. Het troostte haar dat er toevallig een verpleegkundige bij zijn overlijden aanwezig was geweest zodat hij niet alleen hoefde te gaan.

De oude Pauw van de studiotafel had op dit moment een vraag gesteld aan de bestuurder waarom mensen bij een stervende weggestuurd moesten worden, maar die vraag bleef achterwege. Elke presentatie van individueel leed maakt een kritische reflectie op meta-niveau ongepast. We zagen dat ook al tijdens de eerste golf, toen open gesprekken over omvang en noodzaak van de coronamaatregelen tot zwijgen werden  gebracht door selfie-filmpjes van mensen die op de intensive care bezig waren te overleven. Niet erg kies om dan door te vragen. Maar wat er overblijft zijn de verhalen over onze gang naar de dood, ook bij Pauw. Het resulteert in leedtelevisie en daar hebben we in Nederland inmiddels meer dan genoeg van. Het leven is zwaar, we zijn sterfelijk en ons wacht ooit het einde. Het is niet moeilijk op dat gegeven een programma te bouwen. Ieder leed heeft zo zijn of haar verhaal.

Gelukkig was er een lichtpuntje. Terwijl Pauw de bewoners van het verpleegtehuis voor bleef houden hoe lang de winter was die ons nog te wachten staat en hoe uitzichtloos en onvoorspelbaar de gang van het virus,  gaven zij aan niet in angst te leven. Ze bleken vooral moe te worden van het virusverhaal dat dagelijks over hen wordt uitgestort. Natuurlijk waren ze voorzichtig en één vrouw koos ervoor niemand in haar appartement toe te laten om het besmettingsgevaar in te dammen. Voor het overige vulden zij het leven in zoals dat gaat als je oud wordt. Geen grote vergezichten meer, maar leven bij de dag. Het was de schamele hoop van het programma. Pauw daarentegen was vooral bezig bij de bewoners het memento mori in herinnering te brengen. Waarom eigenlijk? Moet onze al te hedonistische leefwijze worden bestraft? Hebben we behoefte aan strenge dagsluitingen? Zijn erkenning aan het einde van het gesprek dat het zeer waarschijnlijk niet tot een nieuwe sluiting van de verpleegtehuizen zal komen was niet chique. Het maakte de beginvraag tot een vooropgezet trucje. Dat heeft zo’n jongen niet nodig.

Zalig de kwetsbaren

13 oktober 2020 | Door | 3 reacties

Begin september werden er nieuwe maatregelen tegen het coronavirus afgekondigd. Milde beperkingen waarvan we de afgelopen week hebben ontdekt dat ze niet voldoende zijn. We zijn voorlopig nog niet van het virus af. Wat mij bij al die maatregelen opvalt, is dat ze zo weinig ethisch worden doordacht. Het ontbreekt aan een debat over het geheel van de maatregelen. Wat is het effect van alle beperkingen op lange termijn? Voor wie doen we het goede? We doen het allemaal niet voor onszelf, stelt premier Rutte, maar om onze kwetsbaren te beschermen. Dat is logisch en een groot goed van onze samenleving. Maar is het misschien een idee om dan met elkaar een gesprek te starten wie de kwetsbaren zijn? Zijn dat alleen maar de mensen van boven de zeventig die eenmaal door corona getroffen het zwaar zullen krijgen om te overleven? Of zijn er misschien nog anderen? De jonge mensen die noodgedwongen thuis hun studie moeten volgen en ondervinden dat het een eenzaam traject is? De MBO studenten die geen stage kunnen vinden vanwege de economische crisis? De kunstenaars die altijd al weten dat hun leven geen vetpot zal worden, maar desondanks vol passie spelend en musicerend hun leven wijden aan schoonheid en troost? De ouderen die angstig een nieuwe lockdown tegemoet zien nadat zij in het voorjaar tien weken lang opgesloten hebben gezeten in het verpleegtehuis? De caféhouder die merkt dat zijn ondernemerschap bedreigd wordt door de dagkoersen van de besmettingsgraad en niet weet hoe hij zijn gezin zal onderhouden? De kankerpatiënt die maar af moet wachten of hij voorrang dient te verlenen aan een corona-slachtoffer waardoor zijn behandeling wordt uitgesteld? Of de oorlogsvluchtelingen in Moria wier vluchtverhaal verbleekt bij onze drukdoende strijd in onze eigen oorlog?

We spiegelen ons voor dat we in Nederland bezig zijn met een grote solidariteitsactie richting de kwetsbare medemens. Dat is niet het geval. We leven in de rare paradox dat we een mal van de kwetsbare medemens in het leven roepen, zonder het over onze kwetsbaarheid te hebben. Want daarover gaat deze crisis; over het einde van onze maakbaarheid, over de wetenschap dat onze handen te kort kunnen schieten, over het inzicht dat wij de natuur niet kunnen dwingen, over de acceptatie dat wij als mens niet het centrum van deze wereld zijn. We leveren geen gevecht tegen het virus om de kwetsbaren te redden. Integendeel: we strijden omdat we het gesprek over onze kwetsbaarheid en eindigheid niet aandurven. Daarom is het zaak om onze facades nu te lijf te gaan. we zijn niet de mensen die we denken te zijn.

Begrijp me goed: ik voer geen pleidooi om het virus maar zijn gang te laten gaan. We dienen voorzichtig en waakzaam te zijn en het is een meer dan goede zaak dat we zorgvuldig met onze kwetsbaren omgaan. Daarom streven we naar een lager aantal verkeersdoden, zoeken we naar behandelingen tegen kanker en ander ziekten en proberen genoeg donoren te vinden voor hen die het nodig hebben. Maar aan al die solidariteit zit een grens en dat weten we. We kunnen niet alles. Bij het voortwoekeren van dit virus wordt het zaak onder ogen te zien hoeveel schade de bij-effecten van de maatregelen oplevert. We weten inmiddels wat isolement met mensen doet, we voelen aan den lijve wat het betekent om niet aangeraakt te worden en het terugbrengen van onze sociale contacten is niet het terugschroeven van een luxegoed. Alle maatregelen hebben een prijs en de wil tot betalen is niet onbeperkt. We hoeven daarover niet in paniek te raken, we hebben altijd met de grenzen van ons handelen te maken gehad. Maar wat we wel moeten doen: onze levensstijl en samenleven dringend onder de loep nemen. Waar kan dan mooier dan in de kerk? Als iemand de kwetsbaarheid van het leven ten diepste heeft doorgrond dan is dat Jezus zelf. Zalig de kwetsbaren.

Ontzuil je religie!

10 september 2020 | Door | Geen reacties


Het Nederlandse omroepbestel wordt nog steeds volgens de lijnen van de verzuiling ingericht. Maar socialisme, liberalisme en christendom zijn inmiddels sterk verbleekt en identiteiten blijken inwisselbaar. Dat leidt tot een verschraling van de publieke omroep en daarmee van het publieke debat. Is er nog plaats voor religies binnen dit bestel? Dat is maar de vraag. En als die plaats er is wordt deze – paradoxaal genoeg – alleen maar gevonden via de weg van een verdere ontzuiling. Het internet is daarvoor de beste plek.

Door: Ferdinand Borger

In 2021 wordt de publieke omroep opnieuw ingericht. Naast de bestaande omroepverenigingen heeft zich een aantal aspirant omroepen gemeld, waaronder twee moslimomroepen. Hun toetreding is nog niet zeker. De vraag is ook of je anno 2021 nog een plaats in het bestel zou moeten willen veroveren. Waarom zou je dat doen? Het internet biedt momenteel veel meer mogelijkheden om creatief programma’s te maken, partners te zoeken en vooral: talenten te ontwikkelen. Ook de kerken ontdekten de laatste maanden noodgedwongen hun plek op het wereldwijde web. Het kan het begin zijn van het nieuw doordenken van de plaats van de religieuze stromingen binnen het publieke domein. Dat domein is veel breder dan de publieke omroep. En de omweg via Hilversum is onnodig.

Toch gaat Hilversum voorlopig op de oude voet verder. Het systeem van de omroepverenigingen, ooit democratisch en divers, blijf min of meer gehandhaafd. Maar inmiddels is het verbleekt: behalve de EO hebben alle omroepverenigingen hun ideologische veren al lang afgeschud. Hun producten zijn in hoge mate inwisselbaar en hun opinies steeds meer eensluidend. Minder diversiteit dus. Ook van de VPRO is de kritische stem behoorlijk afgezwakt. Presentatrice Janine Abbring luisterde ademloos naar het geloofsgetuigenis van rapper Typhoon in Zomergasten, waar voorheen afstandelijkheid en sarcasme bon ton was. Net als bij de meeste omroepen mag bij de VPRO religie weer als persoonlijke overtuiging, als curieus verschijnsel. Er zijn geen ideologische systemen meer, er hoeft niets meer te worden verdedigd of bevraagd, er klinkt op zijn best journalistieke nieuwsgierigheid.

Mainstream

Deze verbleking van de zuilen lijkt alleen maar winst. De benauwde vensters die het perspectief op de wereld inperkten, maakten plaats voor een ruime blik. Ontgrenzing en openheid deden hun intrede. Maar de verbleking heeft een keerzijde. De vooronderstellingen van de journalist worden nauwelijks nog manifest en daarmee niet meer bevraagd. Wereldvisies botsen niet meer, nieren worden niet meer geproefd. In plaats daarvan is er een mainstream journalistiek ontstaan, waarvan men zich kan afvragen hoe ruim deze is. Aan het begin van de coronatijd werd filosofe en arts Marli Huijer in het programma Op1 aangekondigd als een ‘dissidente denker’, vanwege haar kritiek op de RIVM-maatregelen. Ze was zo verstandig deze titel direct van zich af te wijzen. Bij alles wat we nog niet weten over het virus, legde zij uit, is een gesprek wenselijk waarbij je op voorhand geen opinies weg zet. Binnen de publieke omroep blijkt de verleiding groot om journalistiek het pad van de mainstream opinie te bewandelen, een gemakzucht die geen recht doet aan de diversiteit in de samenleving. Als één van de weinige spelers binnen het publieke bestel organiseerde omroep HUMAN een open gesprek over de coronapandemie. En liet daarmee de kracht zien van wat een publieke omroep kan zijn.

Meld je je bij dit systeem aan als nieuwe omroep op religieuze grondslag dan ga je het zwaar krijgen. Natuurlijk, als persoonlijke overtuiging heeft religie weer een plaats aan de talkshowtafels met dank aan mensen als Antoine Bodar en Herman Finkers. Maar religie als denkraam, als venster op de wereld, als een wijze van leven en kijken, wordt nog steeds als vreemd ervaren en soms als totalitair beschouwd. Het wordt door de jonge generatie programmamakers dan ook weinig herkend. In hun bestaan resoneert nauwelijks nog iets van de zingevende systemen waarbinnen hun grootouders leefden. Kerken, bestaan die nog? Ik dacht dat die voorbij waren, meldde een presentatrice van hetzelfde programma Op1.

Deze religieuze onkunde is niet alleen de programmakers te verwijten. Binnen het publieke debat hebben kerken zich teruggetrokken en dat heeft hen binnen de media grotendeels onzichtbaar gemaakt. De kerken zijn meegegaan in de ontideologisering van de samenleving. De verlegenheid over het eigen verhaal, over het geloofs- en gedachtegoed, heeft ook bij hen intrede gedaan. Het verlangen binnen de Protestantse Kerk om in weerwil daarvan een meer publieke theologie te bedrijven, zoals bijvoorbeeld de Duitse kerken dat beoefenen, kan dan ook niet zomaar worden bewaarheid. Daarvoor ontbreekt het in de organisatie van de kerk aan expertise. Men is niet op het publieke debat toegelegd en de noodzaak ervan wordt binnen de kerk niet overal ingezien. Ook is het wantrouwen van theologen ten aanzien van alles wat met media te maken heeft doorgaans hoog. Voor het overige kon de rol van de kerken aan IKON en later EO worden uitbesteed. Dat leidde niet tot een grote presentie binnen de publieke omroep. Om sport kun je niet heen als journalist, om kerken wel.

Schok

De aarzeling van kerken om binnen het publieke debat een rol te spelen kwam de laatste maanden in een ander licht te staan. Veel kerken en ook moskeeën gingen online hun gebeden en vieringen uitzenden toen de coronacrisis de deuren van de gebedshuizen sloot. Zij traden daarmee – noodgedwongen – toe tot het publieke domein van het internet en haalden daarmee hun communicatie weg uit eigen kring.  Veel gelovigen zullen de liveregistratie van de hun vertrouwde dienst op waarde hebben geschat. Maar tegelijkertijd werd met een schok duidelijk hoe groot de achterstand van de kerken is waar het op communicatie in de media aankomt. Een kerkdienst uitzenden voor een groot publiek is weinig zinvol, wanneer je deze niet aanpast aan het medium dat je gebruikt. IKON en NCRV wisten dat met hun liturgische experimenten al in de jaren negentig. Ook moet je als kerken de vraag stellen wat je überhaupt met online vieringen wilt bereiken.

Toch is de gedwongen verhuizing van kerken naar de online wereld van groot belang. En de vele online-initiatieven die overal in den lande binnen religieuze stromingen worden ondernomen zijn hoopvol. Internet is bij uitstek een broedplaats voor nieuw en creatief talent en voor nieuwe formats. De voortschrijdende technologische ontwikkeling geeft iedereen momenteel de middelen in handen om audio of video te produceren. De macht van programmamakers wordt daarmee verkleind. Dat wil nog niet zeggen dat je een verhaal kunt vertellen. Maar ook daarvoor is het internet een goede leerschool.

Door de grote invloed van de sociale media leren we dat we op internet in eerste instantie kleine verhalen communiceren. Podcasts en vlogs reiken ons persoonlijke getuigenissen aan, een ontwikkeling die zijn oorsprong vindt bij de ‘oude media’.  Homo-emancipatie kreeg de wind in de zeilen doordat mensen op televisie publiekelijk uit de kast durfden te komen. Met de podcast en vlogs is het verbreiden van deze verhalen in handen gekomen aan de voorheen geïnterviewden. Mensen vertellen nu zelf hun verhaal. Zij reiken ons contemporaine getuigenissen aan die ingaan op de dilemma’s van: Hoe te leven? Wie ben ik? Hoe ga ik om met de problemen op mijn weg? Voor antwoorden op deze vragen sla je geen Bijbel of Koran meer open, maar zoek je naar lotgenoten.

Troost

Als religieuze stroming op internet terechtkomen betekent dat je je zelf dwingt niet vanuit je eigen overkoepelende grote verhaal te denken, maar aansluiting te zoeken  bij het persoonlijke en kleine getuigenis. In die zin is het een poging om niet-ideologisch over je eigen geloofs- en gedachtegoed na te denken. Je boodschap dient persoonlijk te zijn, oprecht en authentiek. Maar daarmee is niet alles gezegd. Want elke religie, denkrichting of overtuiging heeft een oorsprong die voor ons ligt in de tijd. De kunst is om de verbinding tussen oorsprong en het getuigenis van vandaag op te zoeken en vorm te geven. Het gaat er om jouw plek in een traditie te communiceren, niet de traditie zelf. Lukt dit, dan kan dat een daad van bevrijding zijn voor al die mensen die zichzelf veroordeeld voelen tot hun uiterst individuele zoektocht naar identiteit en zin. Dat wat jou overkomt is niet uniek, je bent niet de eerste. Veel vragen zijn al voorgeleefd. We leven in een verhaal dat ver voor ons is begonnen. Daarin zit troost.

The Passion is bij uitstek het voorbeeld van de verbinding van het grote verhaal van de christelijke traditie met de kleine verhalen nu. Misschien is het aan de ideologische verbleking van de omroepen te danken dat deze productie een grote plaats in het televisielandschap heeft weten te veroveren. Het verhaal van de laatste dagen van Jezus gaat over liefde, verraad, vriendschap, trouw en hoop en vindt zijn kracht in de telkens nieuwe verbinding met de stad waar het wordt opgevoerd. Het bewijst daarmee de kracht een universeel verhaal te worden, met mensen van nu. Het biedt troost. Dat de EO heeft aangekondigd zich uit het programma terug te trekken is spijtig, maar begrijpelijk in de zin dat rolbezetting en muziek wellicht te veel een invuloefening werden. De kracht van een dergelijke productie moet veel meer worden gezocht in het wordingsproces ervan dan in de uitvoering zelf.

Stadstheater

Iemand die dat heeft begrepen is socioloog en theatermaker Milo Rau. Sinds 2017 is hij verbonden aan het Vlaamse toneelgezelschap NTGent. Rau zag dat het gezelschap keurig zijn Shakespeares opvoerde, maar de binding met de eigen leefomgeving – de stad – had verloren. Het theater diende opnieuw van Gent te worden. Rau stelde tien nieuwe geboden op voor het stadstheater. Nieuwe theaterstukken mochten slechts uit twintig procent bestaand materiaal bestaan, repetities dienden voortaan openbaar te zijn en amateurspelers kregen naast professionele acteurs een plek op de planken. Het altaarstuk Lam Gods van de gebroeders van Eck dat in de kathedraal van Gent hangt, werd de basis voor de eerste voorstelling. Op dit schilderij figureerden in de vijftiende eeuw Gentenaren. Rau ging op zoek naar de figuranten van nu. Wie zijn Adam en Eva nu, wie de ridders, wat kan er model staan voor het Lam Gods? Toen Rau op zoek ging naar Syrië-gangers, als de eigentijdse equivalenten van de kruisvaarders kwamen er vragen in het Belgische parlement. Wanneer werd kunst politiek? En moest aan deze Syrië-gangers een podium worden gegeven?

Gebedshuis

De zoektocht naar spelers duurde anderhalf jaar. De kracht van de voorstelling lag niet in het eindresultaat, maar wel in het wordingsproces. Mensen waren op zoek gegaan naar hun plaats binnen het grote verhaal van de stad. En leerden over zichzelf nadenken als onderdeel van een geschiedenis en traditie. Het leidde tot kennismaking en verbinding waarbij verschillende culturen naast elkaar stonden op het podium. Op video vertelde een vrouw op één van de laatste dagen van haar leven wie zij op het toneel had willen zijn en wie zij in het echte leven was geworden. De nieuwe Adam en Eva bedreven – uiterst stilistisch – de liefde. Het theater zat avond aan avond vol met Gentenaren die daar voorheen nauwelijks of niet kwamen.

Zij kregen hun verhaal terug door er zelf in te gaan staan en er onderdeel van te worden. De kracht van het concept van Rau zat in een aantal zaken. Met het reduceren van het bestaande repertoire gaf hij ruimte aan nieuwe verhalen, zonder de traditie van het theater overboord te gooien. Dit nieuwe theater bleek zo het podium te worden voor mensen die het verhaal van de stad wilden dragen. De inwoners van de stad hervonden zich als spelend terug in een zinvol verband dat hen door de geschiedenis werd aangereikt. In zekere zin hief Rau daarmee de grenzen van het theater op en werd het podium een publieke ontmoetingsplek tussen traditie en toekomst. Hij legde met deze actie een gezamenlijke grond bloot met het toneel als ontginningsplek.  Alles wat er aan betekenis is, hoeft enkel maar te worden gedolven.  Een productie als The Passion zou hetzelfde kunnen doen wanneer het accent van het eindresultaat naar het maakproces zou worden verlegd. Ontgrens jezelf als religieuze stroming en stel jezelf de vraag: Wie zijn dragers van ons verhaal. En wie kan dat verhaal misschien beter vertellen dan wijzelf? Die vraag past niet meer binnen de lijnen van een publieke omroep, maar past wel in het theater en op straat. En echt spannend wordt de vraag als je hem hardop stelt binnen welk gebedshuis dan ook. 

Boventonen en huidhonger

20 juli 2020 | Door | 1 reactie

Tja, hoe om te gaan met zo’n crisis? We stonden opeens met elkaar in een land waarvan we de taal nog niet kenden. Dat land leerde ons nieuwe woorden ‘lock down’, corona-app en flatten the curve! Begin februari wisten we nog van niks. Onnozele schapen waren we met ons idee van permanente groei, alsmaar beter en vooral ook: alsmaar verder. Toen kwam de klap,

Sommigen weten nu al te concluderen dat we er betere mensen van zijn geworden. Ik weet dat niet. Natuurlijk, er gebeurde veel moois, mensen ging naar elkaar omzien, boodschappen doen voor de buren, en we leerden met bogen om elkaar heen te lopen. Dit alles om de IC bedden zo leeg mogelijk te houden. Maar werden we betere mensen? Ik hoorde ook veel nare dingen. Mensen die elkaar verwensingen toevoegden in Albert Heijn of op straat. Mensen die beweerden dat een simpele omhelzing hier de dood van een ander dáár betekent. Wil je moeder op bezoek bij haar jarige zuster van honderd? Dan is ze een moordenaar! En meer van dat soort nare zinnen. En dan hebben we het nog niet gehad over al die mensen die -voor hun eigen bestwil! – in verpleeghuizen en aanleunwoningen werden opgesloten. Het werd hen niet gevraagd of ze dat wilden. Het gebeurde gewoon. Mijn moeder zat ook tien weken in haar appartement. We vierden haar 95ste verjaardag op straat, zongen naar twee hoog. En ik voelde dat woede het langzamerhand van mijn verdriet ging overnemen. Wie had ons hier gebracht? En hoe lang ging het nog duren?

Zijn we betere mensen geworden? Ik weet het niet. Is het een goed ding als een heel volk binnen twee weken het dagelijks gedrag verandert en men elkaar prijst vanwege de in acht genomen discipline? Een bezettende macht zou hier blij mee zijn, dacht ik in mijn cynische dagen. Zo gaat dat dus: iedereen switcht zo maar naar de stand van overleven als het van ons wordt gevraagd. We doen het voor een goed doel: flatten the curve! Discipline is maar één woord van kadaverdiscipline verwijderd.

U hoort mijn cynisch toon. Die kon natuurlijk niet blijven. Cynisme is een luxe die we ons niet kunnen veroorloven. Ik ook niet. Ik wil ook helemaal niet cynisch zijn. Dus zocht ik naar een oplossing. En vond die in boventonen. Laat me het uitleggen. Veel vrienden om mijn heen ontdekten in deze tijd Netflix, NPOstart, of iets gelijkluidends en brachten heel wat avonden en nachten bingwatchend door. Dat is een serie in één keer uitkijken. Ik niet, ik ontdekte iets anders: boventonen op Youtube.

Op YouTube staan tal van prachtige orgelconcerten uit ’s lands grootste kerken. Nederland Zingt wordt er vaak vandaan uitgezonden, maar met dat programma heb ik niets. Het is me te glad en te gepolijst. Maar met die orgelconcerten heb ik dus wel wat.  En dan het liefst in combinatie met samenzang op hele noten. Eén van mijn favoriete filmpjes is Psalm 42 uit de St. Maartenskerk in Zaltbommel met organist André Nieuwkoop. Het is in 2015 online gezet en al 1,7 miljoen keer bekeken. Halverwege het concert valt de hele kerk op hele noten in. Hij-gend-hert-der-jacht-ont-ko-men. Schreeuwt-niet-ster-ker-naar ‘t-ge-not-Van-mijn-fris-se-wa-ter-stro-men-dan-mijn-ziel-ver-langt-naar-God. Geweldig! Het aanzwellende koor en orgel, het ingehouden en tegelijk uitbundig zingen, deze massale klanken richting hemel, het bezorgt me iedere keer kippenvel. En alsof dat nog niet genoeg is, zingt er ook nog een koor boventonen over de massa heen. Kippenvel en tranen worden mijn deel, helemaal als ik me voorstel dat de mensen die mij ooit lief waren en nu bij God zijn, daar ergens staan te zingen, daar op die wolk van aerosolen die richting hemel vaart.

Dat kan natuurlijk helemaal niet, hoor ik u verzuchten: zingen op een wolk van aerosolen. En inderdaad dat kan niet. Maar als er iets is wat al die hele tonen bij mij naar boven roepen dan is het verbeeldingskracht en hoop. En zodra dat gebeurt merk ik dat ik weg wil uit de wereld van berekende solidariteit, uit de wereld van de gezamenlijke prestaties en uit de wereld van de angst, die onze verwachtingen smoort en ons belet te hopen. En dat ik zucht naar deze verbeeldingskracht die ons deel wordt wanneer we het zingen weer oppakken, de geestdrift onder onze verhalen hervinden en alle RIVM protocollen hun plaats wijzen. We komen er niet met anderhalve meter afstand.

Op YouTube zocht ik naar ander materiaal van organist André Nieuwkoop. Er is veel meer van hem te vinden. Sinds kort is hij aspirant-politieman in Rotterdam-Zuid geworden, na een tijdlang als binnenschipper en marinier te hebben gewerkt. Bij zijn beëdiging in de Laurenskerk beklom hij het orgel en speelde theatertonen. Ach, hoe mooi: een kerk tot leven wekken met je muziek en dan ook nog eens een vitaal beroep uitoefenen. Je zou er huidhongerig van worden. À propos: dat woord was ook nog geen gemeengoed.  Maar sommige woorden voel je waar worden.

Twente

11 juni 2020 | Door | Geen reacties

De harkende kerk is een mooi alternatief

14 mei 2020 | Door | 1 reactie

Vanaf 1 juni mogen er weer bijeenkomsten met 30 personen worden gehouden, en vanaf 1 juli zijn er zelfs 100 toegestaan. Ook kerken kunnen gaan nadenken over de vormgeving van anderhalvemeterkerkdiensten. De Protestantse Kerk heeft daartoe deze week een protocol ontwikkeld. Begin er niet aan, zou ik zeggen en blijf voorlopig online als kerk. Staar je niet blind op het nieuwe normaal, maar zoek naar een nieuwe nabijheid. En gebruik je verbeeldingskracht.

In de Protestantse Kerk van Waalre besloten we vanaf half maart geen kerkdiensten meer te houden, maar de kerk op zondagochtend 2,5 uur open te houden. In de kerk werd een kring met stoelen gevormd, we vroegen afstand te houden en bij binnenkomst de handen te wassen. We publiceerden ons nieuwe plan in de pers, waarbij we onderstreepten dat mensen geen kerkdienst konden verwachten. Iedere zondag kwamen er 10 tot 15 mensen. Ze luisterden naar orgelspel, naar de overweging van de onlineviering en er was ruimte voor gebed.

Ondertussen zijn we acht weken verder. Met onze online-vieringen bereiken we meer mensen dan het aantal zondagse kerkgangers. En verder houden veel gemeenteleden zich schuil. Logisch, want ze behoren grotendeels tot de kwetsbare leeftijdsgroep. Toch is dit ook iets wat zorgen baart. De onwetendheid rondom het virus baart een constante stroom aan speculaties en deze voedt de angst. Dat leidt tot een groter isolement, dat soms zo ver gaat dat mensen elkaar maar volledig mijden. De gedachte onbewust het virus bij zich te dragen, zelf geen ziekteverschijnselen te hebben maar een ander te besmetten, leidt tot een onhoudbare onzekerheid die uiteindelijk schade aanricht aan de geestelijke gezondheid. Een mens is een sociaal wezen, dat veranderen we niet door een nieuw normaal in te voeren. Willen we dat wezen niet verder schaden dan is het van belang de andere kant op te gaan denken. Het gaat erom het vertrouwen terug te vinden dat ieders aanwezigheid – waar dan ook – in principe geen bedreiging is, maar een verrijking vormt.

Want om dit laatste is het ooit begonnen, om verrijking. We zijn in ons leven een verrijking aan elkaar en dat dreigt in deze tijd op de achtergrond te raken. Dit weten van verrijking deelt de kerk met de brede culturele sector. Kunst en religie hebben een toegevoegde waarde in het vormgeven van verhalen, in het onderzoek naar onze cultuur en in het bieden van troost. Voor kerken geldt dat zij nu vanaf 1 juni tot een herstart van de vieringen kunnen komen, maar m.i. heeft dat niet de grootste urgentie. Het is zelfs beter er voorlopig van af te zien, want we zullen niet vanuit de massa moeten denken, maar vanuit het individu. En ons de vraag stellen hoe we het onderling vertrouwen kunnen herstellen zodat er sprake kan zijn van nieuwe gemeenschapsvorming, waarbij iedereen zich veilig voelt. Voor kerken ligt hier een kans om opnieuw te gaan denken. Stap niet in de verleiding samenkomsten te organiseren waarbij een grote groep mensen onhandig om elkaar heen manoeuvreert en zwijgt waar deze eerst zong. Benadruk niet de onaanraakbaarheid terwijl nabijheid één van je wezenskenmerken vormt. Een dergelijk experiment leidt tot een toenemende vervreemding.

Voor nieuwe gemeenschapsvorming kunnen we onder andere bij de kloosters te rade gaan. De regel van Benedictus voorziet in gezamenlijke arbeid en in gezamenlijk gebed. Mijn eigen kerk in Waalre heeft nog een tuin. Het is behoorlijk spiritueel om samen te harken. Het kan een ontvangstplek worden waar mensen graag willen zijn. In kleine gezelschappen kan er worden gemusiceerd en toneel worden gespeeld. De grotere maaltijden die nu al worden aangericht kunnen in kleinere verbanden worden genuttigd. De online preek van de week kan op woensdagmiddagen worden besproken, binnen het kader van een huisliturgie. Het café dat we maandelijks organiseren wordt een video-opname die we online zetten, het pastoraat geven we wandelend en fietsend vorm. Kortom: dit is het moment om de verbeeldingskracht een kans te geven. Maak in deze crisis de vernieuwingsslag die er al heel lang had moeten gebeuren.

Stille hoop

29 maart 2020 | Door | Geen reacties

Het is zondagmiddag als ik dit schrijf. Ik heb de auto gepakt en ben een stuk buiten Waalre gereden en onbedoeld op de grens gestuit. Die van België. Achter Luyksgestel is de weg met barricades afgezet. De Belgen hebben hun land afgesloten voor de noorderlingen. Ik zet mijn auto neer, maak een foto van dit unieke moment in de geschiedenis, trek mijn wandelschoenen aan en sla een pad in dat langs de grens voert. Als ook dit pad na een paar honderd meter België inbuigt stuit ik opnieuw op een barrière. Ook hier laten de zuiderburen mij niet toe. Maar dit dranghek blijkt van mindere kwaliteit. Het is door de wind omver geblazen. Er is hoop.

Op de terugweg zijn de wegen nog leger dan ze al waren. De kilte heeft de mensen makkelijk binnengehouden. Ook de straten van Waalre zijn leeg. Het is nog maar drie weken geleden dat het advies kwam om geen handen meer te schudden. Daarna werden we aangespoord om sociale distantie te betrachten en toen kwam de anderhalve meter maatregel. Die werd weer vergezeld van de oproep om binnen te blijven en zoveel mogelijk thuis te werken. De scholen, musea, theaters en bioscopen gingen dicht. Veel winkels sloten hun deuren. Supermarkten werden leeg gehamsterd en voor de bouwmarkten en grofvuilstations vormden zich rijen. Vliegvelden werden parkeerplaatsen voor vliegtuigen, stations aanlegplaatsen voor lege treinen. Binnen drie weken sloeg een golf van veranderingen over de wereld. Het werd stiller. Een vreemde stilte. Wie het begrijpt mag het zeggen.

Als ik thuis kom loop ik nog even naar de kerk. Ook dit gebouw is de laatste weken grotendeels verlaten. Jubilate zingt niet meer op maandagavond, de orkesten zijn vertrokken en alle kerkelijke activiteiten zijn afgelast. Er wordt niet meer gegeten. En ook met de kerkdiensten zijn we opgehouden. Het advies om daar mee te stoppen wekte verzet in mij op. Al wist ik niet zo goed waarom.

De lege kerk is al even vreemd als de lege straat. Toch vult de kerk zich af en toe. Met mensen en met dromen.  Op vrijdagmorgen zie ik opeens onze kaarsenmaker binnenlopen. Hij heeft de nieuwe Paaskaars bij zich, verborgen nog in plastic. Op zondagmorgen stelt iemand voor de eerste kerkdienst een Paasviering te laten zijn, ongeacht het tijdstip van het jaar. We kunnen dan de kaars ten doop houden. Een vrije-tijd-pottenbakster uit mijn kerk stuurt mij prachtige foto’s  van het nieuwe Avondmaalstel dat op haar draaischijf ontstaat. Ook dat stel kan bij de eerste dienst worden ingewijd. Iemand anders vertelt mij in moeilijke tijden zich altijd het verhaal van de vijf wijze en vijf dwaze maagden te herinneren. Hoe houden we de lampen brandend? Ineens besef ik – misschien wel meer dan ooit tevoren – dat deze kerk, deze lege ruimte de drager van herinneringen en verhalen is. En in die lege ruimte vind ook ik mijn plek.

Het verhaal van de maagden roept een ander verhaal in mij op. Uit het Oude Testament. Het is het verhaal van de jonge Samuël, die door zijn ouders naar de tempel werd gebracht om priester te worden. Ik heb dat verhaal altijd prachtig gevonden. De jongen sliep naast de godslamp die het bijna begaf. Godsgeloof was uitzonderlijk in de die tijd, visioenen en dromen waren schaars. Zo vertelt het verhaal. Als ik even later de kerkzaal inloop weet ik ineens waar mijn verzet tot kerksluiting vandaan komt. Ergens moet er een plaats blijven waar de leegte de verwondering kan oproepen, of de herinnering, of het verhaal dat je gaande houdt. Het is de plek waar je je wilt laten raken. Het komt er daarom op aan de godslamp brandend te houden. Er moet ergens een open plek blijven en die dien je door deze te beschermen.

Weet je wat het is, zeg ik later tegen iemand in een ander gesprek. In crises als deze wordt een mens ook met zichzelf geconfronteerd. Je kent jezelf toch maar slecht soms. Welnu, diep in mij verborgen zit een vroom, piëtistisch jongetje. En hoe volwassen ik dan ook mag zijn, dat piëtistische jongetje is gebleven. Het roept nu af en toe. Het verzet zich soms. Het heeft een stem. En het moet af en toe wat schrijven, vult mijn gesprekspartner aan. Dat klopt zeg ik. Af en toe schrijft dat jongetje in mij. Vanwege de godslamp.

Besmet gebied

12 maart 2020 | Door | Geen reacties

Een vriendin logeert deze week een nacht bij mij. Ze loopt stage in Eindhoven en werkt bij een onderneming in Utrecht. Dat bedrijf heeft haar te verstaan gegeven na haar bezoek aan Brabant volgende week maar thuis te werken. Ik lach het weg, maar het blijkt echt waar: ze bezoekt besmet gebied.

Met het dagelijks bestuur van mijn kerk komen we bij elkaar met de vraag of de dienst van komende zondag wel moet doorgaan. De gemeente is gemiddeld ouder, dienen we hen niet te beschermen? Leidt onze samenkomst niet tot een onverantwoord risico? Maar hoe zit het dan met de eigen risico inschatting van de kerkgangers? Iedereen kan toch voor zichzelf bepalen of hij of zij een potentieel gevaar oplevert voor zijn naaste? Waar ligt de grens tussen betutteling en gezonde bezorgdheid? We besluiten de dienst vooralsnog door te laten gaan. Mocht er van hogerhand een advies komen op alle bijeenkomsten af te gelasten dan zullen we dat volgen.

Maar ook de adviezen van hogerhand blijken niet eenduidig. Als we de boel niet direct op slot gooien a la China en Italie streven we op een ramp af, stelt de ene deskundige, terwijl een ander beweert niet te paniekeren: het is een stevige griep die ons te pakken heeft, een nieuwe variant waarvoor we nog geen weerstand hebben ontwikkeld. Ondertussen heeft Trump de VS afgesloten voor Europeanen, Chinezen werden al geweerd, en straft dit continent voor de zijns inziens gebrekkige maatregelen die hier worden getroffen om het virus in te dammen. Nee, dan zijn gezondheidszorg: Excellent!, Great! Zoals alles aan deze president geweldig en groots is. Met angst voor ziekte kun je politiek bedrijven. Angst geeft machthebbers meer macht.

Om niet in de hysterie te geraken – als we daar al niet in zijn terechtgekomen – lijkt een terugkeer naar de feiten de beste remedie. Maar wat zijn de feiten? Het virus is op zijn retour in China. Dat pleit ervoor een land stil te leggen. Maar we hebben hier geen eenpartijstelsel en geen leider die onze vrijheid aan banden legt. Toch kan de angst zo groot worden dat de roep om krachtig ingrijpen meer en meer manifest wordt. De PVV, onze minst democratische partij met slechts één lid en grossierend in angst,  neemt daarin momenteel het voortouw. Geheel in de lijn van de verwachtingen.

Een terugkeer naar de feiten brengt ons niet tot kalmte. We staan niet voor de feiten, maar voor de keuze van scenario’s die ons op grond van de feiten worden geschetst. En in die keuzes gaat het niet alleen om gezondheid, maar ook om economie, om geld, om korte- of langetermijndenken, om macht. Welke verhaal geloven we?

Het coronavirus brengt opnieuw aan het licht dat we gelovige mensen zijn. We geloven in het verhaal dat momenteel de meeste macht heeft: dat van liberalisering, vooruitgang, vrije markt, voorspoed en welvaart. Maar het is een dun geloof, het is een flinterdunne aanname die angstig eenvoudig vervangen kan worden door een ander verhaal: dat van angst voor ziekte, van roepen om ingrijpen en het verlangen naar een sterke overheid.

De gevolgen van het virus zijn groot op economisch vlak: dat merken we nu al aan de kelderende beurskoersen. Maar nog groter zijn de gevolgen op het sociale vlak. In onze hyper-geïndividualiseerde maatschappij kan het basisvertrouwen – noodzakelijk voor ons samenleven – ineens worden weggeslagen. Dat is de grootste schade die het virus kan aanrichten. De vraag is of wij dat laten gebeuren.

Familie: Donker toneel bij NTGent

10 februari 2020 | Door | 1 reactie

Familie heet de jongste voorstelling die regisseur Milo Rau met toneelgroep NTGent op de planken brengt. Het publiek wordt meegenomen naar de laatste avond van een familie die gezamenlijk een einde aan het leven maakt, gebaseerd op de tragische zelfmoord van de familie Demeester in Calais in 2007. Een vader, moeder, zoon en dochter kwamen daarbij door ophanging op het leven. Naar het waarom van deze daad gist men tot op de dag van vandaag. De buren vonden de lichamen drie dagen later in een keurig opgeruimd huis, waar de boel leek ingepakt voor een definitief vertrek.

Een tragedie dus, maar dat leidt niet tot een tragedie op de toneelvloer. Weliswaar weet je bij aanvang van het stuk dat het fout afloopt met alle personages, maar van een strubbeling met het lot en de onvermijdbare dood is geen sprake. Het publiek kijkt naar een huis waarin een vader aan het koken is, de vrouw de badkamer uitkomt en de dochters de tijd verdrijven met een overhoring van Engelse woorden. Het is de spiegel van het alledaagse bestaan, waarachter de tragedie schuil gaat. Rau heeft ervoor gekozen om het met een bestaand acteursechtpaar An Miller en Filip Peters en hun twee dochters Louisa en Leonce de laatste avond van de familie Demeester te verbeelden. Deze aanpak lijkt documentair maar is het niet. Het enige buitenstandpunt bij het verhaal wordt gevormd door het aanwezige publiek, dat naar een familie kijkt die achter het leven nog niet de stap heeft gezet naar de dood, maar daartoe ontbreekt alleen nog de daad. Aan het eind wordt die voltrokken: het gezin bungelt aan vier touwen.

Dat voelt meer dan ongemakkelijk. Kun je je bij een tragedie je nog verplaatsen in de held die ten val komt, de angst en vrees voelen van de onvermijdelijke dood, de wil tot leven tot op je huid voelen en kun je daarbij het gevecht meevechten tegen lot of God, bij deze voorstelling kijk je in een raadselachtig niet-weten naar een beslissing om te sterven die je niet gaat begrijpen. Dat maakt de voorstelling bijna onverdraaglijk om te zien. Bij de laatste maaltijd die wordt genuttigd wordt er een tegenzin zichtbaar die tot een zwijgen leidt. De vakantievideo’s brengen het vrolijke verleden in herinnering, maar enkel als verleden.  Noch van maaltijd, noch van video’s gaat een prikkel uit om de beslissing tot de dood te herzien. In die zin zijn de personages al ergens achter het leven geraakt, onthecht en opgeborgen in hun eigen geslotenheid. Omdat er geen enkel verhaal van de familie Demeester bekend was en Rau noch de weg van de psychologie noch die van een fictieve reconstructie wilde bewandelen, koos hij ervoor om met het acteursechtpaar een eigen gezinsonderzoek te starten. In flarden dagboekfragmenten onthullen vooral de moeder en oudste dochter hun bevindingen.  Hun relaas leidt niet tot een begrip voor de daad, maar laat wel zien hoe er binnen elk verband van relaties processen van vervreemding en teleurstelling kunnen plaatsvinden, die tot verwijdering leiden. In het meest extreme geval kunnen die leiden tot een ongekend drama. Het is met name door de inzet van deze verhalen, en daarmee: de vermenging van het daadwerkelijk leven van het acteursgezin met dat van de familie Demeester dat de voorstelling nergens een reconstructie van het drama wordt. In plaats van een terugkeer naar het drama in 2007 legt Rau de collectieve suicide op het gezin van nu, de tragedie ligt daarmee als een mal op onze tijd.

Bij het laatste fragment van het dagboek van de oudste dochter wordt het mij te veel. Ik herinner mij mijn eigen jeugd, eind jaren zeventig, begin jaren tachtig, waarin onze generatie het stempel ‘verloren’ kreeg. Tijdens lessen maatschappijleer werden we erop voorbereid nooit te zullen werken. De werkloosheid was gigantisch, de Koude Oorlog op één van zijn hoogtepunten en de computer zou ons bestaan gaan overnemen. Een zwarte tijd. In die zwarte tijd kon ik als puber somberen. En ik ben mijn vader nog dankbaar dat hij mij bij mijn nekvel greep. Maar hier bij deze voorstelling merk ik dat ik smacht naar een hand die ingrijpt, een gezinslid dat in opstand komt of nog belangrijker: een verhaal dat hoop geeft. Het ontbreken daarvan maakt de voorstelling nog donkerder. Het gezin heeft zich losgemaakt van de verbanden waarin het leeft. En binnen hun eigen kader zijn leven en dood inwisselbare begrippen geworden. ‘We hebben het verkloot’, is de enige boodschap die de familie achterlaat. En er is niemand die redt. Een klein verzet van de dochters wordt door de moeder eenvoudig gesmoord.

Het is de verleiding van de zelfdestructie die van deze voorstelling een mokerslag maakt. Het lijkt alsof Rau deze zelfdestructie als een mogelijkheid aan de samenleving voorlegt. Waar visie en hoop ontbreken en waar de toekomst lijkt afgesloten worden dood en leven inwisselbaar. Dat is een angstig perspectief. De vraag is of het publiek dat begrijpt. Een half-staande ovatie in de Utrechtse schouwburg deden het ergste vrezen. We applaudisseerden om een mooi gespeelde ondergang. Misschien is dat nog wel het ergste: dat we zien en niet willen begrijpen.