Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Ferdinand Borger

Notre d’âme

16 april 2019 | Door | Geen reacties

De Notre Dame. Half januari besluit ik er niet naar binnen te gaan. Twee dagen daarvoor ben  ik bij aankomst op het Gare du Nord uit de reizigers geplukt. Een paar handen hebben  wantrouwend mijn lichaam afgetast op zoek naar wapens en explosieven. Wat ik in Parijs kom doen?  Des vacances, stamel ik. Mijn paspoort wordt gecontroleerd.  Er klinkt verbazing dat ik Nederlander ben. Ik mag gaan. Dit niet weer denk ik als ik de rij wachtenden bij de Notre Dame in ogenschouw neem. Ik laat de kathedraal rechts liggen, steek de brug bij het Hotel de Ville over en volg de Seine stroomopwaarts.

Gisteravond piept de Nos-app. Ik maak het bericht open en even later sta ik op dezelfde plek aan de Seine. Nu met mijn ogen op afstand, waarschijnlijk met honderdduizenden anderen. Het dak van de kerk staat in lichterlaaie, een rondvaartboot met lachende Chinezen trekt over de grauwe rivier. Bizar dit. Hier staat het hart van Frankrijk in brand. Seculier in naam, vroom en traditioneel in vorm. De oorzaak van de brand is nog niet bekend, waarschijnlijk het gevolg van werkzaamheden. Over dat werk is al veel te doen geweest. Te laat gestart en te kostbaar. Hoeveel monumenten kan een staat aan? Een rondgang over twitter toont live inkijkjes in Parijs, biddende en zingende gelovigen, gezichten vol verbazing en afschuw. Trump twittert ook. Hij weet als geen ander hoe je branden moet aanpakken: even met een blusvliegtuig er overheen. Ik laat Parijs achter me en vertrek naar een vergadering. Bij thuiskomst kijk in naar de Franse televisie. Een studio met een tafel. Een bisschop is aangeschoven en vertelt dat Goede Vrijdag dit jaar vier dagen eerder valt. Zijn buurman bericht over de waarde van de gotiek die we nu in vlammen zien opgaan. Dit is niet alleen een ramp voor Frankrijk, het is een ramp voor Europa stelt hij. Op de achtergrond toont een schokkende luchtfoto van de kerk met inmiddels naakte muren. Ze staan nog overeind, een brandend rood kruis verlicht nu het hart van Parijs. Het vuur likt naar één van de torens. Ik zap naar de eerste uitzending van Pauw. Hij opent met de brandende kerk. Dat nog wel. Maar ja, een kerk. Wie is er wel eens geweest vraagt hij zijn gasten. Aarzelende antwoorden volgen. We kunnen dit nog niet duiden, concludeert Pauw en  gaat over tot de orde van de dag. Yvon Jaspers zit aan tafel. Zij vertelt dat ze heel hard gehuild heeft. Niet om Parijs, maar om Trouw dat zo respectloos berichtte over haar nevenfunctie. En hoe boeren haar toen getroost hadden. Háár boeren. En hoe kapot de media je kan maken, waar ze zelf voor werkt. Arme Yvon. Ik kan het niet aanzien. Dit programma heeft de pretentie het gesprek van de dag te organiseren. Hoe kun je dan een brandende Notre Dame negeren? Ik vermoed dit: in de visie van Pauw is religie een gepasseerd station waarvan de resten kunnen afbranden. Kerken zijn doelloze overblijfsels met een vergeten verleden. Daar kun je makkelijk aan voorbij. Een aanslag zou de uitzending gevuld hebben met live verbindingen en deskundigen aan tafel. Maar dit is een min of meer toevallige brand. En daarom maar geen gesprek over de waarde van het historisch erfgoed, geen onderzoek wat dit betekent voor de katholieke kerk in Parijs en Frankrijk en vooral geen vragen over de Franse staat die pretendeert kerk en staat strikt gescheiden te houden maar desondanks al meer dan een eeuw eigenaar is van het kerkgebouw. En vergeet helemaal de vraag maar wat de brand betekent voor Europa.

Wat was het mooi geweest als er een kathedralenbouwer aangeschoven was. Zo een mens uit een premodern verleden, die leven en werk in dienst stelde van een project dat groter was dan hemzelf. Een mens (m/v) die met ambacht en passie zou werken aan een gebouw waarvan hij de voltooiing niet zou aanschouwen. En daar tevreden mee zou zijn. We zouden met verbazing naar hem luisteren, niet begrijpend waar hij het idee vandaan haalde om het collectief en het ‘wij’, belangrijker te achten dan het ‘ik’. We zouden hem proberen duidelijk te maken dat zelfrealisatie en ‘ego’ voor ons belangrijke begrippen zijn. En dan zou hij ons vertellen dat hij niets ander kon dan te leven op de schouders van zijn voorouders. En dat het negeren van die wetenschap het einde in zou luiden van alles. En dat het zijn grote angst was dat er een dag zou komen dat de liefde die in zijn levenswerk zat niet meer zou worden herkend. Want, zou hij besluiten: in die stenen zit mijn liefde en in het gebouw huist onze ziel. Je moet hem alleen wel willen zoeken, minachting is het begin van alle verwaarlozing. De kathedralenbouwer schoof niet aan, ik vermoed dat er ook niet naar hem was gezocht. Na Yvon kwam de familie van de vermoorde Anne Faber aan het woord, die met hun indrukwekkende verhaal lieten zien wie zij was geweest. Een groots pleidooi om niet te willen vergeten. Een grote worsteling ook. Maar vooral: een monument.

Liever Juf Ank dan Thierry Baudet

11 april 2019 | Door | Geen reacties

(Reactie op een opiniestuk van Zmnako Karem: Alle reden voor steun christenen aan Baudet, Trouw 10 april 2019, gepubliceerd in dezelfde krant 12 april 2019)

Natuurlijk is het niet vreemd dat een deel van de christenheid in Nederland gecharmeerd is van de taal van Baudet. Baudet flirt met religie. Ook Zmnako Karem is ervan onder de indruk (Opinie, 10 april). Hij citeert Baudet: “We hoeven de metafysische grondslagen van het christendom niet te omarmen om toch de opstandingsgedachte als leidend motief van de westerse beschaving te kunnen aanvaarden”. Maar over welke opstanding hebben we het als het leegste graf van de geschiedenis ter hand wordt genomen als metafoor voor herrijzend Nederland? Als theoloog gaan bij mij alle bellen rinkelen.

Jezus is niet de Phoenix die uit de as oprijst van een linkse brandstapel. Ook niet de leidsman van verzet tegen de islam. Karem denkt dat er met Baudet als cultuurchristen een nieuw soort is ontstaan die we nog niet kenden. Ook daarin vergist hij zich. Cultuurchristendom heeft al een oude traditie en heeft niet altijd de beste papieren. Al sinds de Romantiek wordt er geflirt met een mengeling van mythische en christelijke symbolen. De onvoorstelbaarheid van de opstanding doet de mens teruggrijpen naar beelden van terugkerend leven die de natuur ons aanreikt: de speelse onhandigheid van pasgeboren lammetjes op de dijken, bloemenpracht die zich weerbaar weet tegen de kou van de winter. De lente is telkens opnieuw de start van onze verwondering.

Maar met deze onschuldige metaforen haal je ook minder onschuldige feiten binnen: die van de verheerlijking van de kracht van de natuur, van de voortdurende strijd om te overleven, van de overwinning van de soorten die zich het best aanpassen. Je geeft je over aan de natuurgoden wanneer je de opstanding van zijn metafysiek ontdoet.

Woorden als strijd, opstanding en herleving doen het momenteel goed in een politieke cultuur waarin we de weg kwijt zijn en onze identiteitscrisis inmiddels zijn gaan koesteren. Ook de neoliberale cultuur bedient zich graag  van het woord strijd; het ligt aan de basis van ons marktdenken. Baudet omarmt dit denken en poogt het uit te breiden. Het christendom is daarbij het middel om christenen tot cultuurstrijders voor Nederland en Europa te maken. Maar het christendom is Nederlands, noch Europees.

Nee, dan de aarzelende verwondering van juf Ank in de laatste aflevering van ‘De Luizenmoeder’. Op het schoolslagveld van de Klimop werd zij bij directeur Anton geroepen. Ze kreeg de baan van schoolhoofd aangeboden. Anton kon doorschuiven naar een bestuursfunctie die vrijgekomen was doordat bestuursvoorzitter Pjotr-Jan een baan had gekregen als CEO van een woningbouwcorporatie. Aarzelend bekende juf Ank dat ze ervan afzag.  Sinds een half jaar was er iets gaan groeien in haar. Was ze verliefd of zwanger? Nee, het was met Kerstmis gebeurd. Ze had gesolliciteerd bij de Strohalm, de school met de Bijbel. Pjotr-Jan, exponent van een cultuur van vechten, carrière en Audi’s A6,  hoonde haar weg. Met de schitterende repliek van Ank – inmiddels alle aarzeling voorbij – werd er tv-geschiedenis geschreven. Ze voerde een krachtig pleidooi weg te willen uit de cultuur van strijd, opgeblazen ego’s en voortdurend wantrouwen. Als Pjotr-Jan zo graag CEO wilde zijn en dacht daarin van betekenis te zijn, dan moest die dat maar doen. Zij koos voor een ander verhaal: dat van geloof, hoop en liefde

Ik kan me niet herinneren dat er ooit op de Nederlands televisie op prime time een dergelijk krachtig pleidooi klonk om te zoeken naar een verhaal dat betekenis geeft. En nee, ik ga juf Ank niet voor een christelijk karretje spannen. Haar pleidooi was universeler: stop met een samenleving waar het opblazen van het ego uitgangspunt en doel lijkt te zijn, want dat leidt alleen maar tot strijd. We gaan eraan kapot. Stop als samenleving ook met het ego van een politicus op te blazen, zou ik eraan toe willen voegen.

Baudet, vrucht van onze leegte

22 maart 2019 | Door | Geen reacties

Hoe de tijd te duiden? Het is met aarzeling dat ik dit schrijf. Wat we zien moet onmiddellijk worden begrepen, wat gebeurt dient direct geplaatst binnen de kaders van oorzaak en gevolg. We gunnen ons niet meer de tijd voor reflectie en we begrijpen niet meer wat we zien. Waren er terroristische motieven afgelopen maandag bij de dader die drie mensen doodschoot in de Utrechtse tram? Was er sprake van een groep? Het schijnt dat de dader Allah aangeroepen heeft toen hij schoot, dus toch moslimterrorisme. Zijn broers zijn geradicaliseerd. Geruchten werden snel verspreid via de dorpspomp van de sociale media. Fake nieuws meestal, brandstof voor verontwaardiging en woede. Nu, zoveel dagen later, weten we het nog steeds niet. Het was een verwarde man die schoot. Hij heeft een crimineel verleden. Dat weten we. Meer niet nog. Maar wij, zenuwachtig opgejaagd in onze wil tot weten, verdragen de onwetendheid inmiddels even moeilijk als de daad van het moorden zelf. Angst genereert onwetendheid, onwetendheid baart angst. We zitten gevangen in een nare cirkel. Arme wij.

Maar er is hoop. Sinds woensdag 20 maart is er een nieuwe verlosser aan de horizon verschenen die met een verrassende helderheid ons juist bij het invallende duister komt bevrijden met zijn licht. Waar komt hij vandaan? En wie bracht hem voort? Wijzelf. En met wij bedoel ik: dit land, deze cultuur, deze politiek, deze economie. Baudet is een groot opgeblazen verhaal, een opeenstapeling van citaten, een samengesteld construct, vermengd met charme, narrengedrag, voorliefde voor de rel en pianospel. Hij speelt met de angst en vult onze onverdraaglijke onwetendheid door simpele oplossingen voor te spiegelen: Sluit de grenzen, doe alsof er geen klimaatprobleem is, maak een einde aan onzinnige kunstuitingen en gooi de hele Haagse corrumperende en domme elite weg. Volg mij en echt: het ochtendgloren zal de heilstaat over ons land uitspreiden. Heilstaat? Baudet acht de tijd rijp voor een renaissance. Dit laatste woord is niet zo maar gekozen. Het duidt op een herontdekking van onze waarden en geschiedenis. Ze dienen slechts te worden opgegraven. Het klinkt vriendelijker dan revolutie. Revolutie breekt met het verleden. Renaissance ontsluit de schat van de – volgens Baudet – meest superieure cultuur die de mensheid heeft voortgebracht. Dat deze cultuur ook de grootste genocides op zijn naam heeft staan laat hij buiten beschouwing. Dat verontreinigt het verhaal te veel. Het zijn maar vervelende feiten. Racisme is ook een naar woord.

De vraag blijft vooral waarom dit verhaal zo aantrekkelijk is. En dan is er maar één antwoord mogelijk: omdat het aan andere verhalen ontbreekt. Het politieke midden heeft zich leeggemaakt en is markt geworden. Politiek draait vooral om cijfers, visies zijn berekeningen geworden. Met Baudet herhaalt zich de Fortuijn revolte van het begin van deze eeuw. Die opstand werd gezien als een antwoord op de paarse kabinetten, die alle ideologieën overboord hadden gezet om de brede weg te banen voor neoliberalisme en marktdenken. Baudet is een nieuwe reactie op dit lege denken. Hij bedient zich daarbij van de middelen die ditzelfde marktdenken heeft voortgebracht. Hij hanteert de methodes waarvan inmiddels de hele samenleving is doordrenkt: we dienen ons groot en sterk voor te doen in onze strijd om werk, we moeten vechten voor onze koopkracht en voor het verwerven van onze maatschappelijke positie, zelfs het verkrijgen van woonruimte vraagt inmiddels om strijd. We zijn ten diepste vechters geworden, omringd door tegenstanders. Diversiteit is daarbij vooral de bedreiging geworden van wat vreemd is. Baudet doet zich bij dit alles voor als de held die wij horen te zijn. Onafhankelijk en individueel. Dat maakt hem gevaarlijk aantrekkelijk. Hij stelt met deze overwinning ‘naar het front’ geroepen te zijn. Dat heeft iets heroïsch. Hier sta ik en ik kan niet anders. Opofferingsgezind wil hij voor ons vechten. Nog even en de held zal zijn tragische gang gaan. Met zijn quasi religieuze retoriek raakt hij aan onze leegte. Hij is er de vrucht van.
In de overwinningsroes op 20 maart liet zich de – blanke – vitaliteit zien die dit gedachtengoed ontketend. Het is samenbindend met een helder doel voor ogen: Een Nederland met gesloten grenzen levend in een illusionair verleden. Een verleidelijke vitaliteit, overzichtelijk en exclusief. Niet voor iedereen weggelegd maar dat is ook de bedoeling.

Om eerlijk te zijn kan ik jaloers worden op die vitaliteit, maar schrik gelijk terug als ik het land voor ogen stel waar Baudet en de zijnen naar streeft. Een land waar ik de keuze heb om daar niet te willen wonen. Anderen zullen die keuze niet hebben. Wat te doen? We zullen op zoek moeten naar een andere vitaliteit, die recht doet aan alle inwoners van dit land. Een vitaliteit die zijn oorsprong niet vindt in het gevecht, waar we ondertussen massaal verslaafd aan zijn geraakt, maar in het gesprek en de ontmoeting. Ik weet: dat klinkt soft, het is sexyer om te vechten en te brallen, maar daar gaan we het niet mee redden. Gelukkig reikt het staatsbestel ons een model aan. De Eerste Kamer wil vooral een ‘chambre de reflexion’ zijn. Wil een mens kunnen reflecteren dan moet er aan twee voorwaarden worden voldaan: er moet tijd zijn en een zekere afstand tot de zaak waarop wordt gereflecteerd. Aan beide zaken hebben we een tekort, maar beiden zijn broodnodig willen we een beschaving overeind kunnen houden. Welnu, laten we overal in het land Eerste Kamers gaan oprichten, in kerken, moskeeën, dorpshuizen, woonkamers, waar dan ook. Plaatsen waar we de sociale media gaan uitzetten, in gesprek gaan met iedereen die dat wil en ons de vraag stellen hoe we de toekomst van dit land voor ons zien. Ons ook de vraag stellen hoe we ons ongeduld te boven komen en onze opgejaagde wil tot weten tot rust kunnen brengen. Eerste Kamers als plekken waar we onze angst te boven komen en de woede buiten blijft. Plekken waar het in gesprekken er hard aan mag toe gaan, maar fatsoen een ongeschreven regel is. We zullen wat moeten doen nu. Het is vijf voor twaalf voor Baudet. Ik vrees dat hij daarin gelijk heeft.

De grimmige spiegel van de Luizenmoeder

5 maart 2019 | Door | Geen reacties

Het was even wennen bij de jongste aflevering van De Luizenmoeder. Juf Ank kwam uit de kast met haar geloof in Jezus. Ze bleek Hem zelfs in haar hart te hebben. En daar had ze Hem tot nu toe gehouden, want ze werkte op een openbare school tenslotte. En daar hoort het geloof niet in het openbaar tentoongespreid te worden.

Maar schoolhoofd Anton denkt er dit jaar anders over. Hij heeft iets opgevangen van ‘de joods-christelijke traditie’ en besluit dat dit jaar het Adventsfeest gevierd dient te worden. Dat vraagt om enige uitleg in de richting van personeel en ouders en het vraagt een speciaal gesprek met de enige moslimouders die de school rijk is: zij dienen zich niet beledigd te voelen. Dat we aan christelijke religie doen wil tenslotte niet zeggen dat we niet van moslims houden…. Ze blijken het allemaal prima te vinden. Besteedt u dan ook aandacht aan het Suikerfeest? Anton zegt het rap toe. Het Suikerfeest is pas in Mei, stellen ze hem gerust.  Terwijl Anton de moslims binnen school tracht te houden gaat het er even verderop hard aan toe. Juf Ank ziet haar kans schoon de kinderen het Kerstverhaal te vertellen  en de kinderen Gloria in excelsis te leren zingen. Tot spot van collega Helma en  conciërge Volkert die in het belendende lokaal ‘Jezus in je hart’, scanderen. Dezelfde Volkert tuigt even later de Kerstboom op en treft Nancy die als vrijwilliger de school nooit zal verlaten. Zij bekent dat ze niet gelovig is maar wel het gevoel heeft dat er ‘iets’ is. Dat moet Volkert toch ook wel eens gevoeld hebben. Nee, zegt Volkert en er is ook niets. Maar wat voor zin heeft het alles dan? Het kan toch niet dat alles zinloos is? probeert Nancy nog. Die vraag wimpelt Volkert af – gebrek aan vocabulaire, geen idee meer hoe je een gesprek over zin moet voeren?  – geef me de piek maar. De instudering van het oubollige kerstspel – Maria met een hoofddoek van de moslims, toch handig dat die op school zijn – wordt bruut afgebroken door de directeur van de Koepel die nog maar eens komt zeggen dat alle religie op de openbare school verboden is.  Zo sneuvelen in deze aflevering alle zingevende verhalen die mensen elkaar kunnen vertellen, ze worden cynisch weggehoond, niet nagevoeld, stomweg ontkend. Om plaats te maken voor wat?

Samen eten biedt de oplossing. Hannah zet zich als klassenmoeder in voor de organisatie van een gezamenlijke Kerstmaaltijd. Maar ook dat blijkt niet meer mogelijk:  allergieën, diëten, voorkeur voor veganistisch of vegetarisch voedsel, hallal of koosjer het maakt uiteindelijk dat elke leerling met zijn eigen tupperware-bakje voor zich aan tafel zit. De bakjes worden nog wel gezamenlijk geopend. Dat wel.  En om er toch een feest van te maken komt de directeur van de Koepel verkleed als Kerstman de bijeenkomst luister bijzetten. Rudolf the rednose rendeer schreeuwzingt hij en ouders en kinderen gaan los. Juf Ank – hooggesloten rode kerstblouse –  trekt zich tenslotte met Anton terug in zijn kantoor en besluit voor hem te bidden. Het Onze Vader wordt ingezet maar dat eindigt in een vloek als Nancy komt binnengesneld met de mededeling dat Bradley een pinda heeft gegeten. Dat kan dodelijk zijn met zijn allergie dus: spoedhulp gezocht.

Was deze Luizenmoeder grappig? Nee. Wel: grimmig. Eigenlijk heel grimmig. De hele schoolbevolking spiegelde een samenleving waar op geen enkel moment nog iets van een gezamenlijke noemer werd gevonden. Daar hielp ook de ‘joods-christelijke’ traditie niet meer bij. Er is geen verhaal, noch ritueel meer dat wordt gedeeld. Elke poging daar wel toe te komen wordt gefrustreerd door de eisen die ieder individu stelt. De conflicten die dat oplevert kun je in deze fase nog wel hilarisch noemen, maar de vraag is of dat zo blijft. De macht is aan het individu. En die macht betekent een constante en doodvermoeiende onderlinge strijd waarmee een samenleving zich uiteindelijk uitput. Als ik mij heel pessimistisch uitlaat: waaraan een samenleving uiteindelijk ten gronde gaat. Misschien is de woede van Hannah die de gezamenlijke kerstmaaltijd niet rond krijgt één van de weinig hoopvolle momenten. Er is tenminste nog één iemand die zich kwaad maakt.

 

 

 

 

Antwerpen

24 februari 2019 | Door | Geen reacties

   

Mens, kom tevoorschijn!

8 januari 2019 | Door | Geen reacties

Gisteren een mail van Nieuwwij. Of ik wat wil schrijven over de Nashville verklaring. Ik heb geen idee. Waar gaat het over? Ik krijg het onder ogen. Wat is dit? En van wie? Het komt uit een streng orthodoxe hoek. Van christenen die zeggen dat ze bijbelgetrouw zijn. Dit ter onderscheid van de ‘liberale’ christenen. Onzin. Bijbelgetrouwheid bestaat niet. Het wil niets anders zeggen dan dat je geen verantwoording wil afleggen over de wijze waarop je de bijbel leest.. Ik lees de verklaring en voel walging. Het is weer zover. Vanuit de hoek van gelovigen wordt er geslagen. Met kilte. De opstellers zeggen zich tegen de tijdgeest te keren, maar hanteren een methode die aan de tijdgeest eigen is: een trumpiaanse wind met stellingen als hamerslagen. Het moet nu maar eens duidelijk worden gezegd! De homolobby dient een halt te worden toegeroepen! Maar ik ben een gelovige. En ook nog eens homoseksueel.

Ik besluit het document aan de kant te gooien. Ik wil er verder niet over nadenken. En ik ben moe. Diep in de nacht gooit mijn slaap mij eruit. Ik lig wakend op bed en zet de radio aan. Om vier uur start een discussie. Luisteraars mogen bellen. Wat vinden ze van de Nashville verklaring? De nacht gaat los, de onderbuik komt aan het woord. Christenhonden zijn het, de vrijheid van geloven moet worden ingeperkt. Ik hoor intolerantie tegenover de intoleranten. Een laatste vrouw belt. Zij onderschrijft de Nashville verklaring. De folders over homoseksualiteit in de bibliotheek moeten worden verboden. Die leiden maar tot verwarring. Jongeren moeten niet denken dat homoseksualiteit een keuze is. Het nieuws start. Ik denk aan de school van mijn jeugd. In de kantine loopt de jongen waarop ik verliefd word. Ik weet me geen raad. Het voelt vreemd en het is heerlijk. Ik wil bij hem zijn. De hele dag. Hem bewonderen. Naar hem kijken. Van hem houden. Meer niet. Ik durf het hem niet te zeggen. Ik schaam me.

Ik val opnieuw in slaap. Onrustig word ik wakker in het volgende Nashville debat. Het is tegen tienen. De argumenten zijn niet nieuw. Het enige nieuwe is de rigide scheppingsordening die de Nashvillers hanteren. Protestanten hebben altijd een ambivalentie ten opzichte van die scheppingsordening gehad. Dat komt omdat ze niet vanuit de volmaakte orde van de schepping hun theologie opbouwden, maar vanuit de breuk van de zondeval. In de chaos van het ongeordende leven die daardoor werd veroorzaakt, kreeg homoseksualiteit schoorvoetend een plek. In deze verklaring is daarvoor geen plaats meer. Vanwaar die rigiditeit? Moet er een angst worden beteugeld? Is er misschien een diep weten dat mannelijk en vrouwelijk veel moeilijker te definiëren valt dan het lichaam doet vermoeden? Maar wat voor zin heeft het om die verwarring te ontkennen of weg te stoppen? Is God gebaat bij mensen die op de vlucht slaan voor hun gevoelens? Kom tevoorschijn, roept Hij Adam toe in het paradijs als hij zich verbergt. Kom tevoorschijn!

Ik ben ooit tevoorschijn geroepen. Aarzelend. Jij mag er ook zijn, klonk het in de jaren zeventig. Dat vond ik mooi: Ik mocht er ook zijn. Maar: ook? Ik begreep het niet. ‘Je mag er zijn, maakte ik ervan. Die zin plaatste ik eveneens onder kritiek. Van wie mag ik er dan zijn? Is er iemand die mij toestemming geeft om te bestaan? Ik maak mijzelf niet, en ook een ander doet dat niet. Geen mens maakt zichzelf. ‘Ik ben’, werd mijn lijfspreuk, simpelweg: ‘ik ben’. De lijfspreuk kroop tegen de Godsnaam aan: ‘Ik ben die ik ben’. God had geen naam nodig. Ik wel. Je moest mij kunnen roepen. Ik werd een gelovig mens.

Tegen de avond belt een vriend mij op. Een emeritus collega. ‘Hoe gaat het met je’, vraagt hij, ‘ik ben woedend over die Nashville verklaring’ ‘Ik ben erover aan het schrijven’, zeg ik. ‘Hoe ga je dat doen’, vraagt hij. ‘Dat weet ik nog niet precies’, zeg ik,’ ik sta nog maar aan het begin. Ik wil het document niet te lijf gaan, ik heb geen zin in een theologisch debat. Dat leidt tot niets’. ‘Schrijf je dan vanuit de positie van slachtoffer?’ ‘Dat ben ik niet’ zeg ik. ‘En dat heb ik nooit willen zijn. Ik ben niet zo bang voor deze verklaring. Maar ik word wel koud van de onbarmhartige kilte die er uit opstijgt. Het schaadt de mensen, het schaadt de kerken en het leidt tot nieuwe schaamte. Het is kwalijk als een mens moet vluchten voor zichzelf.’ Dan wordt ons gesprek aarzelend, stamelend en stil en ondergaan we even de troost van de kleine woorden: het enige antwoord op al dit quasi-theologische Nashvill

Vreemd frame

1 december 2018 | Door | 1 reactie

Vlak voordat ik in slaap val hoor ik net na twaalven het begin van een aflevering van Nooit meer slapen op NPORadio1. Te gast is Tosca Nifterik, nu vooral schrijfster, maar in de jaren negentig bekend als de vrouwelijke helft van Theo en Thea, de populaire kinderserie van de VPRO. In vogelvlucht wordt er bij de eerste vragen haar biografie doorgenomen. Je bent ook misdienaar geweest hè, Tosca.  ‘Misdienette’, verbetert Tosca, zo heette dat toen. Maar nu geloof je niet meer toch? De vraag wordt wat lacherig gesteld. Jawel, zegt Tosca, ik geloof nog steeds. Er valt een kleine stilte, ik hoor de presentatrice aarzelen of ze hierop moet doorvragen. Ik ben voor mijzelf een soort van strenggelovig, op mijn manier, vervolgt ze. Ik kan me niet voorstellen dat alles wat er is, de hele wereld, door toeval zou zijn ontstaan.

Een paar weken geleden was de zangeres Anouk te gast bij DWDD om haar nieuwe plaat te promoten, nummers vol met liefdes en verlangen. Waarom heb je het in één van je nummers over ‘u’ in plaats van ‘jij’, vroeg Matthijs van Nieuwkerk. Over wie heb je het daar? Er kwam een aarzelend antwoord. Die ‘u’ is iets dat veel groter is dan ik, daar richt ik me dan op, sommige mensen noemen dat God. Mag ik daar verder over doorvragen vroeg  Matthijs. Nee, zei ze, dat kan ik niet. Daarop viel ze stil met tranen in haar ogen en vulde een stilte het gesprek. Een ontregelende en ontroerende stilte.

De belijdenis ‘ik geloof’ of ‘ik geloof in God’ is een ongemakkelijke zin in een seculier debat. Kennis van geloof en christendom zijn dermate op de achtergrond geraakt dat menig presentator voelt dat er achter de vraag vooral glad ijs ligt, dat je beter maar niet kan betreden. Een persoonlijke overtuiging hoort bij jezelf te blijven. Maar wat als de overtuiging de woorden geeft aan de taal van jouw liedjes? Wat als die overtuiging de bron blijkt van jouw creativiteit of innovatie waarmee je aan de dag treedt als mens? Religie kan alleen uit het publieke domein worden verdreven als je mensen verbiedt publieke mensen te zijn. En dat laatste zijn wij allen, zolang we in vrijheid leven tenminste.

De journaliste Yvonne Zonderop schreef onlangs het boekje ‘Ongelooflijk, over de verrassende comeback van religie’. Ooit katholiek opgevoed zwoer zij het geloof af, zoals zoveel babyboomers. Geloof was onderdeel van de instituten die konden verdwijnen. In haar boek maakt zij nu de balans op. Ze constateert dat er velen op zoek zijn naar zingeving en levensdoel. En dat het geloof dat we aan de kant hebben gezet kan daar volop in voorzien. Het biedt troost, zin en rituelen. En ook nog eens een gemeenschap die daar voor wil staan. Religie is hip aan het worden, stelt ze.

De vraag is nu of nieuwe zinzoekers hun weg naar de kerk weten te vinden. Opvallend in het verhaal van Zonderop is dat zij frank en vrij getuigt van de schat van de christelijke traditie, terwijl wij binnen de kerk die slechts nog aarzelend kunnen verwoorden. We kunnen vaak beter aangeven wat we niet meer geloven dan wat we wel geloven, gevangen in het seculiere frame dat enigszins lacherig van ons vraagt ons geloof in God te ontkennen. Je gelooft toch niet meer in God? Waarop dan een verontschuldigend, meegaand antwoord komt… Euh, ja eh, nee,  ik geloof niet dat God almachtig is, en het kwaad wil en nee,  God is geen man met een baard die op een wolk zit, mocht je dat nog denken, en natuurlijk al helemaal geen witte man, en ja hoor homo’s mogen best trouwen en van mij ook nog eens gezegend worden als in een huwelijk etc. etc. etc. Zo passen wij netjes binnen de verwachtingen die over ons worden uitgesproken. We geloven wel, maar zijn geen gekke Henkies, we zijn moderne mensen. Misschien gewoon eens proberen onze woorden opnieuw te rangschikken? Ik geloof in God omdat Hij de bron van alle verwondering is? En ik geloof in een gemeenschap van mensen omdat ik als mens niet alleen ben? Of misschien toch maar minder woorden er aan geven? Ja, ik geloof in God. Daar kan ik niet zoveel over zeggen. God overstijgt alle taal.  Het is een beetje als met liefde en houden van, daar weet ik ook niet zoveel van te zeggen. Het is er. Dan zal het gesprek stil vallen en wordt aarzeling ons deel. Zoals het bestaan van Abraham ooit opgebroken werd. En van Mozes. En van Ruth. En van de discipelen etc. etc. Elke Godsopenbaring sticht in eerste instantie verwarring. We blijken dan ineens deel te zijn van een mooi en eeuwenoud gezelschap: het genootschap van de ontregelde mensen.

Tot vrijheid gekomen

27 maart 2018 | Door | Geen reacties

Gisteren kwam het bericht van overlijden van Johan van Hulst (107) Twee jaar geleden mocht ik hem voor het blad Kerk in Mokum interviewen.

De honderd is Johan van Hulst, emeritus hoogleraar pedagogie aan de Vrije Universiteit, ruim gepasseerd, eind januari werd hij 105. Als één van de weinigen is hij in staat daarmee een eeuw terug te kijken. Een gesprek over een veranderende wereld, geloof en politiek.

Geloof

Van Hulst werd in 1911 geboren op de Egelantiersgracht in de schaduw van de Westerkerk. Een gezin met vier kinderen, vader meubelstoffeerder, moeder huisvrouw. ‘Ik was een erg gehoorzaam kind, wat mijn ouders zeiden was wet.’ Dat gold ook voor het geloof waarin hij werd grootgebracht: ‘Ik ben niet opgevoed tot zelfstandig denken. God was in eerste instantie een rechtvaardige en strenge God die wist wat straffen was. Muziek- en oratoriumvereniging waren toegestaan, maar bioscoop- of schouwburgbezoek was uit den boze. Op zondag waren fiets, bus of trein taboe. Ik heb dat volgehouden tot aan mijn puberteit, toen ontdekte ik dat het geloof van mijn ouders veel rijker was dan mij werd meegegeven. Ik ben tot vrijheid gekomen. Ook al heeft het mij eerst veel moeite gekost om op zondag met de trein te gaan.’

Jeugd

Hij spreekt met liefde over de wijze waarop zijn ouders hun geloofsovertuiging in praktijk brachten: ‘In elk opzicht waren mijn ouders rechtschapen mensen. In mijn jeugd waren er in de buurt van de Egelantiersgracht nog kelderwoningen, waar meestal alleenstaande bejaarde vrouwen woonden. Zij leefden daar zonder enige voorzieningen. Mijn moeder zocht hen dan op, bood hulp en ik ging als kind mee. Ik wist dan niet wat ik moest zeggen. Hoe gaat het met u juffrouw? Zei ik dan maar. Een antwoord zal ik nooit vergeten: Ach jongen, een ander gaat tenminste nog eens dood. Dat zegt genoeg.’

Kweekschool

Zijn ouders hadden geen kans gehad om door te leren en zijn vader wilde dat voor hun kinderen anders. ‘We mochten tot ons achttiende naar school, onder de voorwaarde dat we niet bleven zitten. Ik betaal niet voor je luiheid, zei mijn vader’. Van Hulst wilde het liefst naar het gymnasium maar zag niet wat hij met een klassieke opleiding moest gaan doen. Hij koos voor de ‘universiteit van de kleine luiden,’ de leerroute van Mulo en kweekschool. Het zou het begin worden van een leven lang leren. Met 18 jaar behaalde hij zijn onderwijzersdiploma en werd onderwijzer in Oudewater. Na zeven jaar verruilde hij Oudewater voor Utrecht. Zijn liefde voor de literatuur bracht hem bij de studie Nederlands. Na negen jaar studeerde hij af in de letteren. Via de Utrechtse hoogleraar pedagogiek Langeveld, kwam hij in contact met professor Waterink van de Vrije Universiteit. In 1961 werd hij op 52-jarige leeftijd hoogleraar en volgde Waterink op. De eerste hervormde in een tot dan toe gesloten gereformeerde wereld.

Hoogleraar pedagogiek

Ook in zijn hoogleraarschap trok hij uit een benauwende wereld weg: ‘Waterink had een grote invloed in de gereformeerde kerken in die tijd. Hij ging ervanuit dat een goede theologie en filosofie vanzelfsprekend uitkwam bij een goede pedagogiek.’ Van Hulst ging daarin zijn eigen weg en gaf de pedagogiek een eigen zelfstandige plek. Hij omschreef zijn methode als een cultuurhistorische pedagogiek met Bijbelse noties. Het vond zijn weerslag in zijn boek Elements of Christian Education dat hem de wereld over bracht. Een twaalftal universiteiten nodigde hem uit voor gastcolleges. Van Hulst zag hoe verzuild Nederland op de schop ging en werkte daar zelf aan mee. Vanaf zijn 18de werd hij politiek actief binnen de toenmalige CHU, in de jaren zestig nam hij plaats in de Eerste Kamer. Hij zorgde er bij wet voor dat de studenten rechten kregen en hield door deze positie stand in het rumoer van de studentenopstanden van ’68. ‘Toen ik honderd werd is het toenmalige studentencomité – inmiddels allemaal bejaarde VVD-ers – mij nog komen bedanken.’ Het Kamerlidmaatschap zou hij 25 jaar volhouden, eindigend als voorzitter van de CDA fractie, toentertijd de grootste fractie. ‘Ik was in die tijd een man met groot gezag’.

YadvaShem onderscheiding

Zijn politieke ambities kreeg hij ook van huis uit mee. ‘Mijn vader was lid van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij, een partij die ervanuit ging dat de staat de ware godsdienst diende te beschermen. De partij heeft maar vier jaar in de Tweede Kamer gezeten. Ik was als zestienjarige jongen al tegen de opvatting dat de staat de godsdienst moest voorschrijven. In Duitsland zagen we wat het betekende als de staat de waarheid gaat dicteren.’ Met de ideologie van het nazisme werd van Hulst indringend geconfronteerd toen hij tijdens de Duitse bezetting als directeur van de Hervormde Kweekschool in Amsterdam de opdracht kreeg een lijst aan te leveren met alle gegevens van de leerlingen. Hij weigerde, dook onder en redde actief 80 joodse kinderen uit handen van de bezetter. Hij kreeg voor deze verzetsdaad een YadvaShem onderscheiding in Israël. De brief die hij schreef aan Seyss-Inquart is bewaard gebleven in het Gemeentemuseum van Amsterdam. ‘Moet je nagaan dat die 450 leerlingen je later tegen zouden komen en zouden zeggen: Daar loopt onze verrader. Nooit, nooit, nooit zou ik die Judas hebben willen spelen.’

Hebt uw vijanden lief

Van regeringswege werd hem na de oorlog gevraagd om naar Duitsland af te reizen om daar het onderwijs te helpen hervormen. ‘Er was een enorme behoefte de boel daar weer op de rails te krijgen. Alle geschiedenisboeken verheerlijkten Hitler. En het vak gymnastiek was premilitair gericht op gehoorzamen vanaf je zesde jaar. Leerlingen kregen oefeningen die naadloos aansloten bij een latere militaire opleiding.’ De confrontatie met de voormalige bezettende macht, zo vlak na de oorlog, was voor Van Hulst geen gemakkelijke. ‘Ik moest wel over een drempel heen stappen. ik heb met geen andere Bijbeltekst in mijn leven zoveel moeite gehad als ‘ hebt uw vijanden lief’. Ik heb ze gehaat tot in het putteke van mijn ziel. Maar we moesten in het midden van Europa geen puinhoop aanrichten. Nederland mocht geen handel drijven met Duitsland. Het gevolg was dat in het Westland de groente lag te rotten, terwijl in Duitsland honger werd geleden. Aan die situatie moest een einde komen.’

Politiek

De rol van Duitsland in Europa is inmiddels ingrijpend veranderd. In ethisch opzicht wordt het nu vaak als gidsland gezien. Hoe kijkt hij daar tegenaan? ‘Ik weet het niet meer, een tijd geleden was ik onder de indruk hoe Angela Merkel zich opstelde naar de vluchtelingen toe. Maar ik ben bang dat Duitsland de grote toestroom van vluchtelingen toch niet aankan.

Wat de Nederlandse politiek betreft kijkt hij in het huidige CDA vooral naar personen: ‘Van Haersma Buma is integer bezig, ik weet niet of het een groot politicus is.’ Voor de PvdA ziet hij niet veel toekomst. ‘Er gaat een enorme dreiging van Wilders uit. Wilders komt met de oplossing van de grenzen sluiten. En wij zeggen: dat kan niet, je kunt mensen niet terugsturen. Je hebt niet zo maar een antwoord op hem. Wilders is geen partij, de partij is Wilders, er is geen jeugdbeweging, niets. Hij wil het alleen voor het zeggen hebben. ‘

Levende werkelijkheid

Terugkijkend op het leven, heeft kerk en geloof hem een vaste grond gegeven? ‘Aanvankelijk hield ik in mijn leven vast aan de orthodoxie, maar toen ik met het leven van de Gereformeerde Bond kennis maakte vond ik dat niet leefbaar. Dat ze dingen verbieden is tot daaraan toe. Maar zaken verbieden op grond van de Bijbel, dat is voor mij onmogelijk.” Toch noemt hij zich nog wel in enige mate orthodox: Men moet bij mij niet tornen aan de heilsfeiten: geboorte van Christus, lijden en opstanding. Maar die opstanding moet een levende werkelijkheid voor een mens zijn.