Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Blog

Liever Juf Ank dan Thierry Baudet

11 april 2019 | Door | Geen reacties

(Reactie op een opiniestuk van Zmnako Karem: Alle reden voor steun christenen aan Baudet, Trouw 10 april 2019, gepubliceerd in dezelfde krant 12 april 2019)

Natuurlijk is het niet vreemd dat een deel van de christenheid in Nederland gecharmeerd is van de taal van Baudet. Baudet flirt met religie. Ook Zmnako Karem is ervan onder de indruk (Opinie, 10 april). Hij citeert Baudet: “We hoeven de metafysische grondslagen van het christendom niet te omarmen om toch de opstandingsgedachte als leidend motief van de westerse beschaving te kunnen aanvaarden”. Maar over welke opstanding hebben we het als het leegste graf van de geschiedenis ter hand wordt genomen als metafoor voor herrijzend Nederland? Als theoloog gaan bij mij alle bellen rinkelen.

Jezus is niet de Phoenix die uit de as oprijst van een linkse brandstapel. Ook niet de leidsman van verzet tegen de islam. Karem denkt dat er met Baudet als cultuurchristen een nieuw soort is ontstaan die we nog niet kenden. Ook daarin vergist hij zich. Cultuurchristendom heeft al een oude traditie en heeft niet altijd de beste papieren. Al sinds de Romantiek wordt er geflirt met een mengeling van mythische en christelijke symbolen. De onvoorstelbaarheid van de opstanding doet de mens teruggrijpen naar beelden van terugkerend leven die de natuur ons aanreikt: de speelse onhandigheid van pasgeboren lammetjes op de dijken, bloemenpracht die zich weerbaar weet tegen de kou van de winter. De lente is telkens opnieuw de start van onze verwondering.

Maar met deze onschuldige metaforen haal je ook minder onschuldige feiten binnen: die van de verheerlijking van de kracht van de natuur, van de voortdurende strijd om te overleven, van de overwinning van de soorten die zich het best aanpassen. Je geeft je over aan de natuurgoden wanneer je de opstanding van zijn metafysiek ontdoet.

Woorden als strijd, opstanding en herleving doen het momenteel goed in een politieke cultuur waarin we de weg kwijt zijn en onze identiteitscrisis inmiddels zijn gaan koesteren. Ook de neoliberale cultuur bedient zich graag  van het woord strijd; het ligt aan de basis van ons marktdenken. Baudet omarmt dit denken en poogt het uit te breiden. Het christendom is daarbij het middel om christenen tot cultuurstrijders voor Nederland en Europa te maken. Maar het christendom is Nederlands, noch Europees.

Nee, dan de aarzelende verwondering van juf Ank in de laatste aflevering van ‘De Luizenmoeder’. Op het schoolslagveld van de Klimop werd zij bij directeur Anton geroepen. Ze kreeg de baan van schoolhoofd aangeboden. Anton kon doorschuiven naar een bestuursfunctie die vrijgekomen was doordat bestuursvoorzitter Pjotr-Jan een baan had gekregen als CEO van een woningbouwcorporatie. Aarzelend bekende juf Ank dat ze ervan afzag.  Sinds een half jaar was er iets gaan groeien in haar. Was ze verliefd of zwanger? Nee, het was met Kerstmis gebeurd. Ze had gesolliciteerd bij de Strohalm, de school met de Bijbel. Pjotr-Jan, exponent van een cultuur van vechten, carrière en Audi’s A6,  hoonde haar weg. Met de schitterende repliek van Ank – inmiddels alle aarzeling voorbij – werd er tv-geschiedenis geschreven. Ze voerde een krachtig pleidooi weg te willen uit de cultuur van strijd, opgeblazen ego’s en voortdurend wantrouwen. Als Pjotr-Jan zo graag CEO wilde zijn en dacht daarin van betekenis te zijn, dan moest die dat maar doen. Zij koos voor een ander verhaal: dat van geloof, hoop en liefde

Ik kan me niet herinneren dat er ooit op de Nederlands televisie op prime time een dergelijk krachtig pleidooi klonk om te zoeken naar een verhaal dat betekenis geeft. En nee, ik ga juf Ank niet voor een christelijk karretje spannen. Haar pleidooi was universeler: stop met een samenleving waar het opblazen van het ego uitgangspunt en doel lijkt te zijn, want dat leidt alleen maar tot strijd. We gaan eraan kapot. Stop als samenleving ook met het ego van een politicus op te blazen, zou ik eraan toe willen voegen.

Baudet, vrucht van onze leegte

22 maart 2019 | Door | Geen reacties

Hoe de tijd te duiden? Het is met aarzeling dat ik dit schrijf. Wat we zien moet onmiddellijk worden begrepen, wat gebeurt dient direct geplaatst binnen de kaders van oorzaak en gevolg. We gunnen ons niet meer de tijd voor reflectie en we begrijpen niet meer wat we zien. Waren er terroristische motieven afgelopen maandag bij de dader die drie mensen doodschoot in de Utrechtse tram? Was er sprake van een groep? Het schijnt dat de dader Allah aangeroepen heeft toen hij schoot, dus toch moslimterrorisme. Zijn broers zijn geradicaliseerd. Geruchten werden snel verspreid via de dorpspomp van de sociale media. Fake nieuws meestal, brandstof voor verontwaardiging en woede. Nu, zoveel dagen later, weten we het nog steeds niet. Het was een verwarde man die schoot. Hij heeft een crimineel verleden. Dat weten we. Meer niet nog. Maar wij, zenuwachtig opgejaagd in onze wil tot weten, verdragen de onwetendheid inmiddels even moeilijk als de daad van het moorden zelf. Angst genereert onwetendheid, onwetendheid baart angst. We zitten gevangen in een nare cirkel. Arme wij.

Maar er is hoop. Sinds woensdag 20 maart is er een nieuwe verlosser aan de horizon verschenen die met een verrassende helderheid ons juist bij het invallende duister komt bevrijden met zijn licht. Waar komt hij vandaan? En wie bracht hem voort? Wijzelf. En met wij bedoel ik: dit land, deze cultuur, deze politiek, deze economie. Baudet is een groot opgeblazen verhaal, een opeenstapeling van citaten, een samengesteld construct, vermengd met charme, narrengedrag, voorliefde voor de rel en pianospel. Hij speelt met de angst en vult onze onverdraaglijke onwetendheid door simpele oplossingen voor te spiegelen: Sluit de grenzen, doe alsof er geen klimaatprobleem is, maak een einde aan onzinnige kunstuitingen en gooi de hele Haagse corrumperende en domme elite weg. Volg mij en echt: het ochtendgloren zal de heilstaat over ons land uitspreiden. Heilstaat? Baudet acht de tijd rijp voor een renaissance. Dit laatste woord is niet zo maar gekozen. Het duidt op een herontdekking van onze waarden en geschiedenis. Ze dienen slechts te worden opgegraven. Het klinkt vriendelijker dan revolutie. Revolutie breekt met het verleden. Renaissance ontsluit de schat van de – volgens Baudet – meest superieure cultuur die de mensheid heeft voortgebracht. Dat deze cultuur ook de grootste genocides op zijn naam heeft staan laat hij buiten beschouwing. Dat verontreinigt het verhaal te veel. Het zijn maar vervelende feiten. Racisme is ook een naar woord.

De vraag blijft vooral waarom dit verhaal zo aantrekkelijk is. En dan is er maar één antwoord mogelijk: omdat het aan andere verhalen ontbreekt. Het politieke midden heeft zich leeggemaakt en is markt geworden. Politiek draait vooral om cijfers, visies zijn berekeningen geworden. Met Baudet herhaalt zich de Fortuijn revolte van het begin van deze eeuw. Die opstand werd gezien als een antwoord op de paarse kabinetten, die alle ideologieën overboord hadden gezet om de brede weg te banen voor neoliberalisme en marktdenken. Baudet is een nieuwe reactie op dit lege denken. Hij bedient zich daarbij van de middelen die ditzelfde marktdenken heeft voortgebracht. Hij hanteert de methodes waarvan inmiddels de hele samenleving is doordrenkt: we dienen ons groot en sterk voor te doen in onze strijd om werk, we moeten vechten voor onze koopkracht en voor het verwerven van onze maatschappelijke positie, zelfs het verkrijgen van woonruimte vraagt inmiddels om strijd. We zijn ten diepste vechters geworden, omringd door tegenstanders. Diversiteit is daarbij vooral de bedreiging geworden van wat vreemd is. Baudet doet zich bij dit alles voor als de held die wij horen te zijn. Onafhankelijk en individueel. Dat maakt hem gevaarlijk aantrekkelijk. Hij stelt met deze overwinning ‘naar het front’ geroepen te zijn. Dat heeft iets heroïsch. Hier sta ik en ik kan niet anders. Opofferingsgezind wil hij voor ons vechten. Nog even en de held zal zijn tragische gang gaan. Met zijn quasi religieuze retoriek raakt hij aan onze leegte. Hij is er de vrucht van.
In de overwinningsroes op 20 maart liet zich de – blanke – vitaliteit zien die dit gedachtengoed ontketend. Het is samenbindend met een helder doel voor ogen: Een Nederland met gesloten grenzen levend in een illusionair verleden. Een verleidelijke vitaliteit, overzichtelijk en exclusief. Niet voor iedereen weggelegd maar dat is ook de bedoeling.

Om eerlijk te zijn kan ik jaloers worden op die vitaliteit, maar schrik gelijk terug als ik het land voor ogen stel waar Baudet en de zijnen naar streeft. Een land waar ik de keuze heb om daar niet te willen wonen. Anderen zullen die keuze niet hebben. Wat te doen? We zullen op zoek moeten naar een andere vitaliteit, die recht doet aan alle inwoners van dit land. Een vitaliteit die zijn oorsprong niet vindt in het gevecht, waar we ondertussen massaal verslaafd aan zijn geraakt, maar in het gesprek en de ontmoeting. Ik weet: dat klinkt soft, het is sexyer om te vechten en te brallen, maar daar gaan we het niet mee redden. Gelukkig reikt het staatsbestel ons een model aan. De Eerste Kamer wil vooral een ‘chambre de reflexion’ zijn. Wil een mens kunnen reflecteren dan moet er aan twee voorwaarden worden voldaan: er moet tijd zijn en een zekere afstand tot de zaak waarop wordt gereflecteerd. Aan beide zaken hebben we een tekort, maar beiden zijn broodnodig willen we een beschaving overeind kunnen houden. Welnu, laten we overal in het land Eerste Kamers gaan oprichten, in kerken, moskeeën, dorpshuizen, woonkamers, waar dan ook. Plaatsen waar we de sociale media gaan uitzetten, in gesprek gaan met iedereen die dat wil en ons de vraag stellen hoe we de toekomst van dit land voor ons zien. Ons ook de vraag stellen hoe we ons ongeduld te boven komen en onze opgejaagde wil tot weten tot rust kunnen brengen. Eerste Kamers als plekken waar we onze angst te boven komen en de woede buiten blijft. Plekken waar het in gesprekken er hard aan mag toe gaan, maar fatsoen een ongeschreven regel is. We zullen wat moeten doen nu. Het is vijf voor twaalf voor Baudet. Ik vrees dat hij daarin gelijk heeft.

De grimmige spiegel van de Luizenmoeder

5 maart 2019 | Door | Geen reacties

Het was even wennen bij de jongste aflevering van De Luizenmoeder. Juf Ank kwam uit de kast met haar geloof in Jezus. Ze bleek Hem zelfs in haar hart te hebben. En daar had ze Hem tot nu toe gehouden, want ze werkte op een openbare school tenslotte. En daar hoort het geloof niet in het openbaar tentoongespreid te worden.

Maar schoolhoofd Anton denkt er dit jaar anders over. Hij heeft iets opgevangen van ‘de joods-christelijke traditie’ en besluit dat dit jaar het Adventsfeest gevierd dient te worden. Dat vraagt om enige uitleg in de richting van personeel en ouders en het vraagt een speciaal gesprek met de enige moslimouders die de school rijk is: zij dienen zich niet beledigd te voelen. Dat we aan christelijke religie doen wil tenslotte niet zeggen dat we niet van moslims houden…. Ze blijken het allemaal prima te vinden. Besteedt u dan ook aandacht aan het Suikerfeest? Anton zegt het rap toe. Het Suikerfeest is pas in Mei, stellen ze hem gerust.  Terwijl Anton de moslims binnen school tracht te houden gaat het er even verderop hard aan toe. Juf Ank ziet haar kans schoon de kinderen het Kerstverhaal te vertellen  en de kinderen Gloria in excelsis te leren zingen. Tot spot van collega Helma en  conciërge Volkert die in het belendende lokaal ‘Jezus in je hart’, scanderen. Dezelfde Volkert tuigt even later de Kerstboom op en treft Nancy die als vrijwilliger de school nooit zal verlaten. Zij bekent dat ze niet gelovig is maar wel het gevoel heeft dat er ‘iets’ is. Dat moet Volkert toch ook wel eens gevoeld hebben. Nee, zegt Volkert en er is ook niets. Maar wat voor zin heeft het alles dan? Het kan toch niet dat alles zinloos is? probeert Nancy nog. Die vraag wimpelt Volkert af – gebrek aan vocabulaire, geen idee meer hoe je een gesprek over zin moet voeren?  – geef me de piek maar. De instudering van het oubollige kerstspel – Maria met een hoofddoek van de moslims, toch handig dat die op school zijn – wordt bruut afgebroken door de directeur van de Koepel die nog maar eens komt zeggen dat alle religie op de openbare school verboden is.  Zo sneuvelen in deze aflevering alle zingevende verhalen die mensen elkaar kunnen vertellen, ze worden cynisch weggehoond, niet nagevoeld, stomweg ontkend. Om plaats te maken voor wat?

Samen eten biedt de oplossing. Hannah zet zich als klassenmoeder in voor de organisatie van een gezamenlijke Kerstmaaltijd. Maar ook dat blijkt niet meer mogelijk:  allergieën, diëten, voorkeur voor veganistisch of vegetarisch voedsel, hallal of koosjer het maakt uiteindelijk dat elke leerling met zijn eigen tupperware-bakje voor zich aan tafel zit. De bakjes worden nog wel gezamenlijk geopend. Dat wel.  En om er toch een feest van te maken komt de directeur van de Koepel verkleed als Kerstman de bijeenkomst luister bijzetten. Rudolf the rednose rendeer schreeuwzingt hij en ouders en kinderen gaan los. Juf Ank – hooggesloten rode kerstblouse –  trekt zich tenslotte met Anton terug in zijn kantoor en besluit voor hem te bidden. Het Onze Vader wordt ingezet maar dat eindigt in een vloek als Nancy komt binnengesneld met de mededeling dat Bradley een pinda heeft gegeten. Dat kan dodelijk zijn met zijn allergie dus: spoedhulp gezocht.

Was deze Luizenmoeder grappig? Nee. Wel: grimmig. Eigenlijk heel grimmig. De hele schoolbevolking spiegelde een samenleving waar op geen enkel moment nog iets van een gezamenlijke noemer werd gevonden. Daar hielp ook de ‘joods-christelijke’ traditie niet meer bij. Er is geen verhaal, noch ritueel meer dat wordt gedeeld. Elke poging daar wel toe te komen wordt gefrustreerd door de eisen die ieder individu stelt. De conflicten die dat oplevert kun je in deze fase nog wel hilarisch noemen, maar de vraag is of dat zo blijft. De macht is aan het individu. En die macht betekent een constante en doodvermoeiende onderlinge strijd waarmee een samenleving zich uiteindelijk uitput. Als ik mij heel pessimistisch uitlaat: waaraan een samenleving uiteindelijk ten gronde gaat. Misschien is de woede van Hannah die de gezamenlijke kerstmaaltijd niet rond krijgt één van de weinig hoopvolle momenten. Er is tenminste nog één iemand die zich kwaad maakt.

 

 

 

 

Antwerpen

24 februari 2019 | Door | Geen reacties

   

Mens, kom tevoorschijn!

8 januari 2019 | Door | Geen reacties

Gisteren een mail van Nieuwwij. Of ik wat wil schrijven over de Nashville verklaring. Ik heb geen idee. Waar gaat het over? Ik krijg het onder ogen. Wat is dit? En van wie? Het komt uit een streng orthodoxe hoek. Van christenen die zeggen dat ze bijbelgetrouw zijn. Dit ter onderscheid van de ‘liberale’ christenen. Onzin. Bijbelgetrouwheid bestaat niet. Het wil niets anders zeggen dan dat je geen verantwoording wil afleggen over de wijze waarop je de bijbel leest.. Ik lees de verklaring en voel walging. Het is weer zover. Vanuit de hoek van gelovigen wordt er geslagen. Met kilte. De opstellers zeggen zich tegen de tijdgeest te keren, maar hanteren een methode die aan de tijdgeest eigen is: een trumpiaanse wind met stellingen als hamerslagen. Het moet nu maar eens duidelijk worden gezegd! De homolobby dient een halt te worden toegeroepen! Maar ik ben een gelovige. En ook nog eens homoseksueel.

Ik besluit het document aan de kant te gooien. Ik wil er verder niet over nadenken. En ik ben moe. Diep in de nacht gooit mijn slaap mij eruit. Ik lig wakend op bed en zet de radio aan. Om vier uur start een discussie. Luisteraars mogen bellen. Wat vinden ze van de Nashville verklaring? De nacht gaat los, de onderbuik komt aan het woord. Christenhonden zijn het, de vrijheid van geloven moet worden ingeperkt. Ik hoor intolerantie tegenover de intoleranten. Een laatste vrouw belt. Zij onderschrijft de Nashville verklaring. De folders over homoseksualiteit in de bibliotheek moeten worden verboden. Die leiden maar tot verwarring. Jongeren moeten niet denken dat homoseksualiteit een keuze is. Het nieuws start. Ik denk aan de school van mijn jeugd. In de kantine loopt de jongen waarop ik verliefd word. Ik weet me geen raad. Het voelt vreemd en het is heerlijk. Ik wil bij hem zijn. De hele dag. Hem bewonderen. Naar hem kijken. Van hem houden. Meer niet. Ik durf het hem niet te zeggen. Ik schaam me.

Ik val opnieuw in slaap. Onrustig word ik wakker in het volgende Nashville debat. Het is tegen tienen. De argumenten zijn niet nieuw. Het enige nieuwe is de rigide scheppingsordening die de Nashvillers hanteren. Protestanten hebben altijd een ambivalentie ten opzichte van die scheppingsordening gehad. Dat komt omdat ze niet vanuit de volmaakte orde van de schepping hun theologie opbouwden, maar vanuit de breuk van de zondeval. In de chaos van het ongeordende leven die daardoor werd veroorzaakt, kreeg homoseksualiteit schoorvoetend een plek. In deze verklaring is daarvoor geen plaats meer. Vanwaar die rigiditeit? Moet er een angst worden beteugeld? Is er misschien een diep weten dat mannelijk en vrouwelijk veel moeilijker te definiëren valt dan het lichaam doet vermoeden? Maar wat voor zin heeft het om die verwarring te ontkennen of weg te stoppen? Is God gebaat bij mensen die op de vlucht slaan voor hun gevoelens? Kom tevoorschijn, roept Hij Adam toe in het paradijs als hij zich verbergt. Kom tevoorschijn!

Ik ben ooit tevoorschijn geroepen. Aarzelend. Jij mag er ook zijn, klonk het in de jaren zeventig. Dat vond ik mooi: Ik mocht er ook zijn. Maar: ook? Ik begreep het niet. ‘Je mag er zijn, maakte ik ervan. Die zin plaatste ik eveneens onder kritiek. Van wie mag ik er dan zijn? Is er iemand die mij toestemming geeft om te bestaan? Ik maak mijzelf niet, en ook een ander doet dat niet. Geen mens maakt zichzelf. ‘Ik ben’, werd mijn lijfspreuk, simpelweg: ‘ik ben’. De lijfspreuk kroop tegen de Godsnaam aan: ‘Ik ben die ik ben’. God had geen naam nodig. Ik wel. Je moest mij kunnen roepen. Ik werd een gelovig mens.

Tegen de avond belt een vriend mij op. Een emeritus collega. ‘Hoe gaat het met je’, vraagt hij, ‘ik ben woedend over die Nashville verklaring’ ‘Ik ben erover aan het schrijven’, zeg ik. ‘Hoe ga je dat doen’, vraagt hij. ‘Dat weet ik nog niet precies’, zeg ik,’ ik sta nog maar aan het begin. Ik wil het document niet te lijf gaan, ik heb geen zin in een theologisch debat. Dat leidt tot niets’. ‘Schrijf je dan vanuit de positie van slachtoffer?’ ‘Dat ben ik niet’ zeg ik. ‘En dat heb ik nooit willen zijn. Ik ben niet zo bang voor deze verklaring. Maar ik word wel koud van de onbarmhartige kilte die er uit opstijgt. Het schaadt de mensen, het schaadt de kerken en het leidt tot nieuwe schaamte. Het is kwalijk als een mens moet vluchten voor zichzelf.’ Dan wordt ons gesprek aarzelend, stamelend en stil en ondergaan we even de troost van de kleine woorden: het enige antwoord op al dit quasi-theologische Nashvill

Vreemd frame

1 december 2018 | Door | 1 reactie

Vlak voordat ik in slaap val hoor ik net na twaalven het begin van een aflevering van Nooit meer slapen op NPORadio1. Te gast is Tosca Nifterik, nu vooral schrijfster, maar in de jaren negentig bekend als de vrouwelijke helft van Theo en Thea, de populaire kinderserie van de VPRO. In vogelvlucht wordt er bij de eerste vragen haar biografie doorgenomen. Je bent ook misdienaar geweest hè, Tosca.  ‘Misdienette’, verbetert Tosca, zo heette dat toen. Maar nu geloof je niet meer toch? De vraag wordt wat lacherig gesteld. Jawel, zegt Tosca, ik geloof nog steeds. Er valt een kleine stilte, ik hoor de presentatrice aarzelen of ze hierop moet doorvragen. Ik ben voor mijzelf een soort van strenggelovig, op mijn manier, vervolgt ze. Ik kan me niet voorstellen dat alles wat er is, de hele wereld, door toeval zou zijn ontstaan.

Een paar weken geleden was de zangeres Anouk te gast bij DWDD om haar nieuwe plaat te promoten, nummers vol met liefdes en verlangen. Waarom heb je het in één van je nummers over ‘u’ in plaats van ‘jij’, vroeg Matthijs van Nieuwkerk. Over wie heb je het daar? Er kwam een aarzelend antwoord. Die ‘u’ is iets dat veel groter is dan ik, daar richt ik me dan op, sommige mensen noemen dat God. Mag ik daar verder over doorvragen vroeg  Matthijs. Nee, zei ze, dat kan ik niet. Daarop viel ze stil met tranen in haar ogen en vulde een stilte het gesprek. Een ontregelende en ontroerende stilte.

De belijdenis ‘ik geloof’ of ‘ik geloof in God’ is een ongemakkelijke zin in een seculier debat. Kennis van geloof en christendom zijn dermate op de achtergrond geraakt dat menig presentator voelt dat er achter de vraag vooral glad ijs ligt, dat je beter maar niet kan betreden. Een persoonlijke overtuiging hoort bij jezelf te blijven. Maar wat als de overtuiging de woorden geeft aan de taal van jouw liedjes? Wat als die overtuiging de bron blijkt van jouw creativiteit of innovatie waarmee je aan de dag treedt als mens? Religie kan alleen uit het publieke domein worden verdreven als je mensen verbiedt publieke mensen te zijn. En dat laatste zijn wij allen, zolang we in vrijheid leven tenminste.

De journaliste Yvonne Zonderop schreef onlangs het boekje ‘Ongelooflijk, over de verrassende comeback van religie’. Ooit katholiek opgevoed zwoer zij het geloof af, zoals zoveel babyboomers. Geloof was onderdeel van de instituten die konden verdwijnen. In haar boek maakt zij nu de balans op. Ze constateert dat er velen op zoek zijn naar zingeving en levensdoel. En dat het geloof dat we aan de kant hebben gezet kan daar volop in voorzien. Het biedt troost, zin en rituelen. En ook nog eens een gemeenschap die daar voor wil staan. Religie is hip aan het worden, stelt ze.

De vraag is nu of nieuwe zinzoekers hun weg naar de kerk weten te vinden. Opvallend in het verhaal van Zonderop is dat zij frank en vrij getuigt van de schat van de christelijke traditie, terwijl wij binnen de kerk die slechts nog aarzelend kunnen verwoorden. We kunnen vaak beter aangeven wat we niet meer geloven dan wat we wel geloven, gevangen in het seculiere frame dat enigszins lacherig van ons vraagt ons geloof in God te ontkennen. Je gelooft toch niet meer in God? Waarop dan een verontschuldigend, meegaand antwoord komt… Euh, ja eh, nee,  ik geloof niet dat God almachtig is, en het kwaad wil en nee,  God is geen man met een baard die op een wolk zit, mocht je dat nog denken, en natuurlijk al helemaal geen witte man, en ja hoor homo’s mogen best trouwen en van mij ook nog eens gezegend worden als in een huwelijk etc. etc. etc. Zo passen wij netjes binnen de verwachtingen die over ons worden uitgesproken. We geloven wel, maar zijn geen gekke Henkies, we zijn moderne mensen. Misschien gewoon eens proberen onze woorden opnieuw te rangschikken? Ik geloof in God omdat Hij de bron van alle verwondering is? En ik geloof in een gemeenschap van mensen omdat ik als mens niet alleen ben? Of misschien toch maar minder woorden er aan geven? Ja, ik geloof in God. Daar kan ik niet zoveel over zeggen. God overstijgt alle taal.  Het is een beetje als met liefde en houden van, daar weet ik ook niet zoveel van te zeggen. Het is er. Dan zal het gesprek stil vallen en wordt aarzeling ons deel. Zoals het bestaan van Abraham ooit opgebroken werd. En van Mozes. En van Ruth. En van de discipelen etc. etc. Elke Godsopenbaring sticht in eerste instantie verwarring. We blijken dan ineens deel te zijn van een mooi en eeuwenoud gezelschap: het genootschap van de ontregelde mensen.

Tot vrijheid gekomen

27 maart 2018 | Door | Geen reacties

Gisteren kwam het bericht van overlijden van Johan van Hulst (107) Twee jaar geleden mocht ik hem voor het blad Kerk in Mokum interviewen.

De honderd is Johan van Hulst, emeritus hoogleraar pedagogie aan de Vrije Universiteit, ruim gepasseerd, eind januari werd hij 105. Als één van de weinigen is hij in staat daarmee een eeuw terug te kijken. Een gesprek over een veranderende wereld, geloof en politiek.

Geloof

Van Hulst werd in 1911 geboren op de Egelantiersgracht in de schaduw van de Westerkerk. Een gezin met vier kinderen, vader meubelstoffeerder, moeder huisvrouw. ‘Ik was een erg gehoorzaam kind, wat mijn ouders zeiden was wet.’ Dat gold ook voor het geloof waarin hij werd grootgebracht: ‘Ik ben niet opgevoed tot zelfstandig denken. God was in eerste instantie een rechtvaardige en strenge God die wist wat straffen was. Muziek- en oratoriumvereniging waren toegestaan, maar bioscoop- of schouwburgbezoek was uit den boze. Op zondag waren fiets, bus of trein taboe. Ik heb dat volgehouden tot aan mijn puberteit, toen ontdekte ik dat het geloof van mijn ouders veel rijker was dan mij werd meegegeven. Ik ben tot vrijheid gekomen. Ook al heeft het mij eerst veel moeite gekost om op zondag met de trein te gaan.’

Jeugd

Hij spreekt met liefde over de wijze waarop zijn ouders hun geloofsovertuiging in praktijk brachten: ‘In elk opzicht waren mijn ouders rechtschapen mensen. In mijn jeugd waren er in de buurt van de Egelantiersgracht nog kelderwoningen, waar meestal alleenstaande bejaarde vrouwen woonden. Zij leefden daar zonder enige voorzieningen. Mijn moeder zocht hen dan op, bood hulp en ik ging als kind mee. Ik wist dan niet wat ik moest zeggen. Hoe gaat het met u juffrouw? Zei ik dan maar. Een antwoord zal ik nooit vergeten: Ach jongen, een ander gaat tenminste nog eens dood. Dat zegt genoeg.’

Kweekschool

Zijn ouders hadden geen kans gehad om door te leren en zijn vader wilde dat voor hun kinderen anders. ‘We mochten tot ons achttiende naar school, onder de voorwaarde dat we niet bleven zitten. Ik betaal niet voor je luiheid, zei mijn vader’. Van Hulst wilde het liefst naar het gymnasium maar zag niet wat hij met een klassieke opleiding moest gaan doen. Hij koos voor de ‘universiteit van de kleine luiden,’ de leerroute van Mulo en kweekschool. Het zou het begin worden van een leven lang leren. Met 18 jaar behaalde hij zijn onderwijzersdiploma en werd onderwijzer in Oudewater. Na zeven jaar verruilde hij Oudewater voor Utrecht. Zijn liefde voor de literatuur bracht hem bij de studie Nederlands. Na negen jaar studeerde hij af in de letteren. Via de Utrechtse hoogleraar pedagogiek Langeveld, kwam hij in contact met professor Waterink van de Vrije Universiteit. In 1961 werd hij op 52-jarige leeftijd hoogleraar en volgde Waterink op. De eerste hervormde in een tot dan toe gesloten gereformeerde wereld.

Hoogleraar pedagogiek

Ook in zijn hoogleraarschap trok hij uit een benauwende wereld weg: ‘Waterink had een grote invloed in de gereformeerde kerken in die tijd. Hij ging ervanuit dat een goede theologie en filosofie vanzelfsprekend uitkwam bij een goede pedagogiek.’ Van Hulst ging daarin zijn eigen weg en gaf de pedagogiek een eigen zelfstandige plek. Hij omschreef zijn methode als een cultuurhistorische pedagogiek met Bijbelse noties. Het vond zijn weerslag in zijn boek Elements of Christian Education dat hem de wereld over bracht. Een twaalftal universiteiten nodigde hem uit voor gastcolleges. Van Hulst zag hoe verzuild Nederland op de schop ging en werkte daar zelf aan mee. Vanaf zijn 18de werd hij politiek actief binnen de toenmalige CHU, in de jaren zestig nam hij plaats in de Eerste Kamer. Hij zorgde er bij wet voor dat de studenten rechten kregen en hield door deze positie stand in het rumoer van de studentenopstanden van ’68. ‘Toen ik honderd werd is het toenmalige studentencomité – inmiddels allemaal bejaarde VVD-ers – mij nog komen bedanken.’ Het Kamerlidmaatschap zou hij 25 jaar volhouden, eindigend als voorzitter van de CDA fractie, toentertijd de grootste fractie. ‘Ik was in die tijd een man met groot gezag’.

YadvaShem onderscheiding

Zijn politieke ambities kreeg hij ook van huis uit mee. ‘Mijn vader was lid van de Hervormd Gereformeerde Staatspartij, een partij die ervanuit ging dat de staat de ware godsdienst diende te beschermen. De partij heeft maar vier jaar in de Tweede Kamer gezeten. Ik was als zestienjarige jongen al tegen de opvatting dat de staat de godsdienst moest voorschrijven. In Duitsland zagen we wat het betekende als de staat de waarheid gaat dicteren.’ Met de ideologie van het nazisme werd van Hulst indringend geconfronteerd toen hij tijdens de Duitse bezetting als directeur van de Hervormde Kweekschool in Amsterdam de opdracht kreeg een lijst aan te leveren met alle gegevens van de leerlingen. Hij weigerde, dook onder en redde actief 80 joodse kinderen uit handen van de bezetter. Hij kreeg voor deze verzetsdaad een YadvaShem onderscheiding in Israël. De brief die hij schreef aan Seyss-Inquart is bewaard gebleven in het Gemeentemuseum van Amsterdam. ‘Moet je nagaan dat die 450 leerlingen je later tegen zouden komen en zouden zeggen: Daar loopt onze verrader. Nooit, nooit, nooit zou ik die Judas hebben willen spelen.’

Hebt uw vijanden lief

Van regeringswege werd hem na de oorlog gevraagd om naar Duitsland af te reizen om daar het onderwijs te helpen hervormen. ‘Er was een enorme behoefte de boel daar weer op de rails te krijgen. Alle geschiedenisboeken verheerlijkten Hitler. En het vak gymnastiek was premilitair gericht op gehoorzamen vanaf je zesde jaar. Leerlingen kregen oefeningen die naadloos aansloten bij een latere militaire opleiding.’ De confrontatie met de voormalige bezettende macht, zo vlak na de oorlog, was voor Van Hulst geen gemakkelijke. ‘Ik moest wel over een drempel heen stappen. ik heb met geen andere Bijbeltekst in mijn leven zoveel moeite gehad als ‘ hebt uw vijanden lief’. Ik heb ze gehaat tot in het putteke van mijn ziel. Maar we moesten in het midden van Europa geen puinhoop aanrichten. Nederland mocht geen handel drijven met Duitsland. Het gevolg was dat in het Westland de groente lag te rotten, terwijl in Duitsland honger werd geleden. Aan die situatie moest een einde komen.’

Politiek

De rol van Duitsland in Europa is inmiddels ingrijpend veranderd. In ethisch opzicht wordt het nu vaak als gidsland gezien. Hoe kijkt hij daar tegenaan? ‘Ik weet het niet meer, een tijd geleden was ik onder de indruk hoe Angela Merkel zich opstelde naar de vluchtelingen toe. Maar ik ben bang dat Duitsland de grote toestroom van vluchtelingen toch niet aankan.

Wat de Nederlandse politiek betreft kijkt hij in het huidige CDA vooral naar personen: ‘Van Haersma Buma is integer bezig, ik weet niet of het een groot politicus is.’ Voor de PvdA ziet hij niet veel toekomst. ‘Er gaat een enorme dreiging van Wilders uit. Wilders komt met de oplossing van de grenzen sluiten. En wij zeggen: dat kan niet, je kunt mensen niet terugsturen. Je hebt niet zo maar een antwoord op hem. Wilders is geen partij, de partij is Wilders, er is geen jeugdbeweging, niets. Hij wil het alleen voor het zeggen hebben. ‘

Levende werkelijkheid

Terugkijkend op het leven, heeft kerk en geloof hem een vaste grond gegeven? ‘Aanvankelijk hield ik in mijn leven vast aan de orthodoxie, maar toen ik met het leven van de Gereformeerde Bond kennis maakte vond ik dat niet leefbaar. Dat ze dingen verbieden is tot daaraan toe. Maar zaken verbieden op grond van de Bijbel, dat is voor mij onmogelijk.” Toch noemt hij zich nog wel in enige mate orthodox: Men moet bij mij niet tornen aan de heilsfeiten: geboorte van Christus, lijden en opstanding. Maar die opstanding moet een levende werkelijkheid voor een mens zijn.

In Holland staat een kerk – een terugblik

1 november 2017 | Door | 3 reacties

De herdenking van vijfhonderd jaar Reformatie leidde vandaag tot de EO-uitzending ‘In Holland staat een kerk’, aangekondigd als muzikale show, geprogrammeerd voor NPO1 dus met de eis aansprekend te zijn voor een breed publiek. Geen sinecure om te maken, vertaal een religieus thema maar eens voor een breed publiek in een land waar religie zo’n beetje achter de voordeur dient te verdwijnen. Ik zette mij vanavond nieuwsgierig voor de televisie en dat werd een kwelling. We zijn in ons land toch wel in staat om iets beter te maken dan dit? NPO1 is er niet voor de verdieping, maar dat betekent toch niet dat de geschiedenis van de Reformatie zo kort door de bocht moet worden gepresenteerd? De voor-reformatorische katholieke kerk werd al snel weggezet als het door en door corrupte instituut waar mensen dingen werd geleerd die niet in overeenstemming waren met de Bijbel. Gelukkig was daar Luther met zijn hamer, die de kerk de stellingen en het volk de Bijbel gaf. Maar die Luther was er niet zonder bijvoorbeeld Erasmus van Rotterdam, de stad van de Laurenskerk waar het programma werd opgenomen. Als er iemand een Nederlandse, oh nee, Hollandse bijdrage aan die Reformatie heeft gegeven dan is het Erasmus wel. Geen woord erover. Daarna ging het al snel naar de beeldenstorm, want de mensen konden nu in de Bijbel lezen dat je geen gesneden beelden mag maken. Dus gingen ze de beelden te lijf. Tuurlijk. Dat werd prachtig geillustreerd met de videomapping op de kerk, waar je met beeld(!) kunt laten zien dat de kerk instort terwijl die overeind blijft staan. Onvermijdelijk werd ik herinnerd aan de beeldenstorm van Islamitischse Staat in onze tijd. Geconfronteerd met de werkelijke vernietigingskracht die religie kan ontketenen, zul je nooit meer met romantiek over dergelijke acties spreken. Gelukkig meldde Andries Knevel hoe verschrikkelijk die beeldenstorm was geweest. Daarna kwamen alle platitudes over Holland langs. Reformatie betekent zuinigheid, zie de flessenlikker. Reformatie betekent VOC mentaliteit, kijk naar de welvaart en de grachtengordel, maar Reformatie betekent ook verzuiling. Oh ja, dacht ik? Is er overal een directe lijn te trekken? Wel eens van het humanisme gehoord als stroming? En de invloed daarvan? En als het verband er wel is, kun je die dan even uitleggen? Zelfs op NPO1? Drie keer werd ons dezelfde geschiedenis verteld over de functie van de statenbijbel voor het ontstaan van het Nederlands. En de invloed van Willem van Oranje daarop onvermijdelijk gevolgd door het zesde couplet van ons volkslied. Een beetje God, Nederland en Oranje. Maar waarom werd ons niets verteld wat de Reformatie heeft betekend voor de schilderkunst waar Nederland in de zeventiende eeuw in uitblonk? Waarom zagen we niets van Rembrandt? Het is prachtig om te laten zien dat juist de nadruk op het Woord zoveel beeld heeft voortgebracht, want de Reformatie was vooral een beeldrevolutie: geen Duitser is zo vaak afgebeeld als Luther. En wat helemaal onderbelicht werd, ondanks een constant musicerend orkest dat vaak hinderlijk naar de achtergrond werd gedrongen: Wie Reformatie zegt, zegt muziek, zegt: zelf zingen, zegt Bach. Geen enkel land omarmt Bach inniger als dit land, zelfs – en misschien wel juist – in zijn geseculariseerde staat. Als er iets is wat de Reformatie heeft ontwikkeld dan is het wel kerkmuziek. En wie Reformatie zegt, zegt ook: kansels, preken, luisteren! Misschien dankt onze cabarettraditie van one-man-shows, de populariteit aan de eeuwenlange traditie van verkondigingen op de kansel. Wat was het spannend geweest om juist dat aspect in een kerk voor het voetlicht te brengen. En dan niet op een catwalk, maar vanaf de kansel. Dit is een preekland. Reformatie betekent: uitleggen, verkondigen. Om welke stelling zou het nu gaan? Welke woorden moeten er nu onvermijdelijk klinken? En wie durven we daarvoor te vragen? Zullen we Mark Rutte uitdagen voor een visie?

Bijna op het eind zong Stef Bos nog een keer het lied dat hij schreef voor de EO-serie ‘Toen was geloof nog heel gewoon’. Een lied vol nostalgie toen iedereen nog naar de kerk ging en alle zekerheden nog overeind stonden. Ach ja, wat was het mooi in de jaren vijftig. Luther zou ervan gegruwd hebben. Want als er iets onderuit ging in de Reformatie dan waren het wel: zekerheden. Nostalgie had hem niet de hamer doen heffen. Geloven bleek leven te zijn in een wankel evenwicht. En Luther zou ondervinden dat dat genoeg kan zijn. De beelden van het programma waren behoorlijk ok. Dat is mooi. Maar kom op EO. Dit kan veel beter.

Ontregel ons God, ontregel ons!

1 oktober 2017 | Door | Geen reacties

Zondag 1 oktober ging ik voor de laatste keer voor in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. De eerste dienst over een serie met als thema: Kunst over hemel en hel. Hieronder de tekst van de overweging.

Gemeente van Jezus,

De eerlijkheid gebiedt mij om te zeggen dat ik ‘ja’ tegen deze dienst had gezegd, nog voor ik mij goed en wel gerealiseerd had wat het thema inhield. Hemel, hel, kunst bleef er bij mij hangen… en de notie dat ik daar wat zinnigs over moest gaan zeggen, was nog niet tot mij doorgedrongen. Wel schemerde er de vraag tot mij door: kunnen we daar nog wat mee met beelden van hemel en hel. En daarachter natuurlijk de vraag; kunnen we überhaupt wat met hemel en hel. Of moeten we dat niet afschaffen als zijnde niet meer van deze tijd. Of sterker nog: niet meer van nut. Dat laatste: dat iets nut moet hebben vind ik weer zo’n gereformeerde vraag, die komt hier telkens weer langs… Ik krabde me dus de laatste weken dikwijls achter de oren bij dit thema, alsof het uitspansel zich vernauwde in een zich steeds enger wordende ruimte en het zelfs op mij voorzien had. Wie ben ik eigenlijk om uitspraken te doen over hemel en hel? Wat weten we daar nu eigenlijk van. Wie ben ik als mens op de eeuwigheid. Past ons, past mij geen bescheidenheid?

Deze uitleg is dus niet meer dan wat woorden tegen die eeuwigheid aan. Tegen die veronderstelde hemel, tegen het woeden van het hellevuur. Niet meer en niet minder. Ik vond het een troostende gedachte de afgelopen weken mij de hemel te verbeelden op zondagochtend. Zo ongeveer ergens boven deze plek. En mij in te denken dat God van boven naar beneden kijkt en ineens roept, jongens, meisjes, kijk nou toch daar beneden, daar, die mensen aan de rand van dat grachtje in dat wereldstadje. Ze gaan het over de hemel en de hel hebben. Wat zullen ze ervan gaan zeggen? En dat er dan een weddenschap daar wordt gehouden. Ik denk dat ze hem gaan afschaffen, roept er één. Ik wed erop dat ze hem zullen moderniseren. Nee joh, ze gaan zich afvragen hoeveel nut wij nog hebben. Ssssst, ze gaan beginnen roept er weer een ander. Even wachten jongens, straks bestaan we niet meer. Dan klinkt er een daverend gelach daarboven en wordt het stil.

Om het geheel niet te laten uitdijen tot een college van een uur zal ik het beperken tot drie punten. Eerst zal ik wat zeggen over de afbeelding van Botticelli die we hier zien. Dan zal ik een pleidooi voeren om hemel en hel maar af te schaffen en ons te beperken tot het hiernumaals, om vervolgens uit te komen bij de kunst die ons hemel en hel als mogelijkheid aanbiedt…

Om met het begin te beginnen: deze afbeelding waar wij nu naar kijken is van Botticelli en dateert uit het begin van de veertiende eeuw. Het is een uitbeelding van de hel zoals Dante hem in het begin van de veertiende eeuw beschreef in zijn boek ‘De goddelijke komedie’. Komedie, want uiteindelijk loopt de reis goed af. Dante laat zich inspireren door het meisje Beatrice, die hij  op 9 jarige leeftijd ontmoette en die een verpletterende indruk op hem maakte. Helaas werd zij slechts 24, en in een halucinerende reis gaat Dante naar haar op zoek en daalt daarbij diep af in het rijk van de doden. Hij beschrijft daarbij de hel als een trechtervormige grot die ontstaan is toen God Lucifer uit de hemel smeed. Lucifer zit nu onderin de trechter vastgevroren in het ijs. Samen met zijn vriend Vergilius daalt Dante af naar beneden en ontmoet daar op elke ring zondaars in verschillende gradatie. Ik citeer:

In de eerste vijf ringen huizen zielen die hun driften en lusten niet konden bedwingen: wellustigen, vraatzuchtigen, hebzuchtigen en wraakzuchtigen, maar ook ongedoopten en deugdzame heidenen. De zesde en zevende ring zijn voor ketters en geweldplegers (moordenaars, rovers, zelfmoordenaars, godslasteraars, sodomieten en woekeraars). De achtste en negende ring zijn voor bedriegers: onder meer koppelaars, heksen, dieven, schismatici, alchemisten en vervalsers. U merkt: u kunt uw plekje uitzoeken…

Het beeld dat Botticelli hier maakt van Dantes reis is niet bijbels gefundeerd, maar vindt voornamelijk zijn oorsprong in Romeinse en Griekse mythen. Het heeft wel zijn plek gekregen in het Christendom. Met name de Middeleeuwen hebben ons, ook door de schilderijen van Jeroen Bosch, tal van verbeeldingen opgeleverd van hemel en hel. Van verdwenen aards paradijs, van plekken waar je niet wil zijn en waar je ook nooit wil komen. En die afbeeldingen kregen hun functie. Het joeg angst aan. Het dwong je op het rechte pad te blijven. En niet in de laatste plaats: het gaf macht aan de kerk. Een macht die zich niet alleen over het aardse leven uitstrekte, maar reikte tot over de grenzen van de dood. Het gaf de kerk een troef in handen in de strijd met wereldlijke heersers. Hoezeer zij zich ook door oorlogen konden verzetten, zich sterk maken, zich bewapenen, land veroveren, de kerk had altijd de dood achter de hand, het landschap van de hemel en de hel, waar zij oppermachtig waren. De sleutels van de eeuwigheid lagen toch vooral in Rome, zeg ik als rechtgeaarde protestant, daar kon geen vorst of keizer tegenop. De verbeelding van de hemel en de hel werden zo vooral: machtsmiddel. Reformatie en later de Verlichting kwamen daartegen met succes in opstand. Weg met alle speculatie, weg met de angstwekkende verbeelding, maar ook weg met de zoetsappige verleiding van een hiernamaals dat je tot passieve mensen maakt hier in het ondermaanse. Er zijn altijd mensen die jouw passiviteit en ondergeschiktheid willen, er zijn altijd mensen die er belang bij hebben dat je je schikt in je lot. Weg met de idee dat alles later beter wordt. Weg met de idee dat de hemel vooral bedoeld is als een doekje voor het bloeden.

Maar wat dan? Bij de schrijver Nortrop Frye kwam ik de gedachte tegen dat de grootste verleiding van dergelijke hel- en hemelkaarten is dat zij een kosmologie voorstellen. Een kaart waarin alles zijn ordening en zijn plek heeft. En waarin ook geen beweging wordt veronderstelt. Geen reis meer, geen doel. Alles heeft zijn plek in een min om meer logisch verband. De hemel- en helkaarten maken het leven statisch.

Terecht dan ook dat Reformatie en Verlichting een flink mes hebben gezet in al deze hemelse en helse speculaties. Het is niets anders dan een grote bevrijdingsbeweging geweest. De Reformatie maakte ons ervan bewust dat vanuit de Bijbel er niet zo gek veel valt te vertellen over het hiernamaals. In het Oude Testament speelt het nagenoeg geen rol, pas in de eeuwen voor onze jaartelling wordt er onder invloed van de Grieken over een hiernamaals nagedacht. In het Nieuwe Testament vinden we verschillende opvattingen over het hiernamaals, maar nergens is dat een uitgewerkte kaart. Als Jezus in de tekst die we vanmorgen lazen wijst op het Gehenna, (waarover Gerhard in de derde dienst in deze serie meer zal vertellen) dan wijst hij op het Hinnomdal bij Jeruzalem, de plek o.a. waar de gestraften hun einde en rustplaats vinden. In die lokalisering schemert nog de idee uit het oude testament door dat hemel en hel niet ergens metafysisch, boven ons gedacht dienen te worden, maar ergens elders op deze wereld. Net zoals het paradijs geen luchtspiegeling was, maar ergens in het platte vlak werd gedacht.

Zover was ik deze week gekomen. En ik dacht; misschien is het beter hel en hemel te vergeten. En ons op het nu te richten. Dat ligt ook meer in de lijn van deze tijd, waarin wij ons sowieso al voortdurend opjagen naar morgen, naar straks, naar beter. Laten we hemel en hel vergeten en ons beperken tot dit ogenblik waarin we zijn. Zen! Zoiets. Niet de eeuwigheid is ons perspectief, maar deze tijd. Niet het daar, maar het hier. Laten we ons bepalen tot dit moment. Ik probeerde dat deze week een dagje uit. Niet denken aan straks, niet wat er moet gebeuren, niet wakker liggen van een aanstaande verhuizing, noch van nieuw werk of een uitleg die nog niet af is. Laat ik me bepalen tot het hier en dit moment. Maar toen ik de krant pakte stelde ik mijzelf ineens de vraag: als ik me beperk tot het hier en nu. Als ik hemel, hel, later wegdenk… Over welk hier en nu heb ik het dan? Ons land staat op de achtste plaats van de rijke landen. We hebben het dus over een rijk land. Deze stad is een booming town, die door steeds meer toeristen wordt gevonden. Amsterdam is misschien wel welvarender dan ooit, en wordt ook mooier dan ooit… Maar in datzelfde Amsterdam is het hier en nu in de grachtengordel anders dan het hier en nu in Oost, Zuidoost of West. De mensen die het Concertgebouw bevolken zijn anders dan de mensen in het Bijlmerparktheater. De Zuidas is een andere wereld dan Noord. Het is niet zo moeilijk het hier en nu in tijd af te grenzen. Laten we ons bepalen tot dit moment, tot dit uur. Maar waar grenzen we het af in de ruimte? Wie of wat hoort er nog wel bij en wie niet?

Mijn leven zelf kenmerkt zich door voldoende werk. Liefde en vrienden om mij heen. Mensen die zeggen dat ze me gaan missen als ik weg ga. En ik hen. Dit leven is om te vieren en om dankbaar voor te zijn, maar deze tegenwoordigheid is dat het hier en nu van de geslaagden? Van de rijken, van de succesvolle mensen? Van de mensen die het leven op orde hebben? Diezelfde krant confronteert mij met een ander wereld. En opent mij de ogen voor een onverdraaglijke gelijktijdigheid van al dat andere hier en nu. Van een orkaan die langstrekt en een vernietigend spoor achterlaat, van mensen die uitgebuit en gemarteld worden op hun vlucht naar Europa, van mensen die met flexcontracten de eindjes van hun leven aan elkaar knopen en voelen dat hun leven niet verder komt, van de brutale en grote bekken van de wereldpolitiek, van… Het is een prachtig experiment om die kaart van hemel en hel definitief in het archief van ons bestaan te stoppen en niet meer in te zien. Niet meer voor later te leven, maar over welk hiernumaals gaat het dan?

Northrop Frye, de schrijver die ik zojuist al citeerde, wijst alle hemel- en helconcepten met hun kosmologie, met de vaste plaats voor goed en kwaad, voor leven en dood van de hand. We moeten niet gaan speculeren over later. Maar zegt hij, we dienen wel recht te doen, aan dat wat de motor van de bijbel vormt en dat is: het visioen. Het gaat er niet om de plek voor hemel en hel vast te stellen, maar het gaat er wel om het besef bloot te leggen dat we onderweg zijn. Het visioen houdt ons een andere werkelijkheid voor. We zijn er nog niet. We verbeelden ons die werkelijkheid niet om te berusten, maar om ons verlangen te voeden. Dit is niet de hemel. En dit is ook niet de hel. Daarom lazen we deze ochtend maar die tekst uit Jesaja, al vooruitgegrepen op Advent. Over die dieren die elkaar niet meer opvreten. Maar naast elkaar gaan liggen. Als ijkpunt voor dat wat gaat komen. De hemel is vooral een tegennatuurlijk perspectief.

In de zomer was ik op de vijfjaarlijke tentoonstelling Documenta in Kassel. In één van de zalen hingen alleen maar schilderijen met roze naakten, waarvan alleen de geslachtsdelen gedetailleerd waren weergegeven. Het was een ontregelende naaktheid, die direct een gevoel van vervreemding en ontheemding opriep. Een zaal ook om weer snel uit weg te willen. Hoe vervelend die ervaring, het is wel iets dat kunst kan doen. Kunst kan ons de hel en de hemel voorspiegelen. En met de kracht van beeld en woord de toekomst verbeelden. En kunst kan dat bijna nutteloos doen, niet met het doel om te pleasen, niet om daarmee angst aan te jagen, niet om te speculeren over het hiernamaals of over later, niet om macht uit te oefenen, niet om een kaart van het hiernamaals te ontwerpen. Wel om ons de mogelijkheid van hel en hemel voor te houden. We zijn in staat om het leven tot hel te maken, het bestaan van bijna al zijn menselijkheid te ontdoen. We zijn in staat om elkaar te negeren, niet te zien, niet te waarderen. We kunnen elkaar tot onvrijheid dwingen, tot slaaf maken, we kunnen elkaar veroordelen, wegzetten, teleurstellen. Én we zijn in staat tot het tegenovergestelde, op te bouwen, te troosten, eten te geven, te dansen, te vrijen, lief te hebben, uit te dagen. We hebben de mogelijkheid tot hemel.

In plaats van de hemel en hel af te schaffen en de kaarten daarvan weg te bergen, is het misschien beter om ons hemel en hel in herinnering te brengen. En aan te leggen tegen het visioen. Waar zijn we. Nu? Waar ben ik? Wat gebeurt er in mijn eigen leven aan hel, welke teleurstellingen en welke woedes ga ik door. Wat houdt mij op de been? Waar hoop ik op? Waarop richt zijn mijn liefde? Wie bemin ik? Ieder kan het voor zich invullen.

En af en toe is het goed, denk ik, om op zondag om een uur of tien, maar het mag ook een half uurtje later, bij elkaar te komen en met alle kracht de hemel te verbeelden. We kunnen niet anders dan dat. Bijvoorbeeld hier zo boven de gracht. Waar het zo maar kan zijn dat God heeft meegeluisterd en wellicht doet hij of zij dat nog steeds. En dan zacht of hard, al gelang naar onze stemming, in de verbeelde ruimte te roepen: Ontregel ons, God! Ontregel ons!

Moge dat zo zijn.