Image Image Image Image Image Image Image Image Image

We hebben een plek nodig waar het falen ons niet wordt aangerekend

18 december 2021 | Door | 1 reactie

De coronacrisis brengt ons van golf naar golf. Bestond in het voorjaar nog het optimisme dat we – eenmaal gevaccineerd – onze vrijheden terug zouden krijgen met een terugkeer naar het ‘oude normaal’, inmiddels zijn we wijzer. Maar toch: de boodschap van de regering blijft hetzelfde: we moeten een offer brengen. Maar weten we wel wat een offer is?  

In religieuze zin voltrekt de priester bij een offer  een handeling voor het volk en treedt in hun plaats voor God. Zo kennen we het o.a. uit het Oude Testament.  De plaatsbekleding die de priester uitvoert genereert afstand en ontzag, het offer kan pas worden voltrokken wanneer de heilige ruimte gerespecteerd wordt door bijvoorbeeld stilte en instemmende participatie. De handelingen binnen de medische zorg kunnen in zekere zin met de rituelen van de priester worden vergeleken. Ook de zorg vraagt om ruimte en rust en de medische handelingen vormen een specialisme dat de leek niet in huis heeft. In beide vakken wordt er ook van roeping gesproken, er ligt een waarde in het werk die zich niet in geld laat uitdrukken. Het welbevinden van de medemens en diens herstel staat centraal. Levensbeschouwingen, religieus of seculier, vormen daarvan de bron.

Vorig jaar klonk er ineens applaus in de zorg. Niet alleen in Nederland, maar overal in Europa. Zorgmedewerkers reageerden verbaasd, zij deden toch niet anders dan hun werk? Stilte en ontzag maakten plaats voor luidruchtige aanmoediging. Naar mijn mening werd er hier afscheid genomen van het offer in religieuze zin. Het werk leek nog steeds op de handelingen van een priester, maar in het applaus klonk nu de aanmoediging die de atleet ten deel valt, de sporter die door het publiek achter zijn grenzen wordt gejaagd. Het offer dat het medisch personeel bracht,  het vele overwerk, hun balanceren met de patiënt op de voortdurende  grens van leven en dood werd begrepen als prestatie. Zoals een sporter zijn leven offert voor een prijs, zo nu ook de zorg. En de prijs bestond uit gejuich. Aangejaagd door onze mobieltjes en de sociale media namen we daarbij voor het eerst plaats op hun tribunes. Een programma als Frontberichten liet ons de ernst van de coronacrisis zien maar had als bijwerking dat de ziekenhuizen in zekere zin de stadions werden waar we tot dusver niet werden toegelaten. Afstanden verdwenen. Het publiek zat eerste rang, liet zich horen en wilde naarmate de crisis vorderde steeds meer resultaat zien. En wel onmiddellijk.

De taal die Rutte met betrekking tot de coronacrisis hanteert is die van het sportoffer. Er wordt ons al anderhalf jaar gevraagd een inspanning te leveren aan een sportprestatie gelijk. Nu het afzien, dan de beloning. Er is ons een overwinning in het vooruitzicht gesteld waarvan het inmiddels zeer de vraag is of we die halen. Maar het moet wel, als de besmettingscijfers stijgen falen we als volk. En dat mogen we niet. Zo zitten we in een collectieve prestatiedruk gevangen, waarin we geen andere keuze hebben dan te slagen. Een tweede plaats bestaat niet. (Dat heeft Max Verstappen ons geleerd.) Schieten we tekort, dan ligt dat aan de anderen, aan de allochtonen, aan de antivaxxers, aan de regering of aan de zorg zelf. Het zondebokvirus blijkt al eeuwen onuitroeibaar en maakt nu gebruik van de sociale platforms. Verwijten, bedreigingen en beledigingen zijn inmiddels gemeengoed aan het worden. Iemand moet de schuld hebben. Iemand moet deze dragen. Er ligt een directe relatie tussen het opjagen van de prestatie en het ontsporen van de frustratie.

In mijn onmiddellijke omgeving overlijden de laatste tijd veel mensen aan corona. Dat is verdrietig en angstig, maar een politiek van de prestatie laat daarvoor geen ruimte. De dood van een sporter kan niet anders worden begrepen dan als ultiem falen. Maar een dergelijke notie put een volk uit. Hoe om te gaan met de onvermijdelijke grillen in ons bestaan? Met dat wat wij niet beheersen en waarvan wij niet de oorzaak zijn? Misschien is daar een terugkeer naar het offer in religieuze zin voor nodig. En dan vooral een terugkeer naar het ontzag en de afstand waarmee het offer werd omgeven. We hebben een plek nodig waar het falen ons niet wordt aangerekend. Een plek ook waar er ruimte is voor verdriet en troost.

Sinds een aantal weken leven we met een avondlockdown. Dat heeft vergaande consequenties voor theaters, concertzalen, filmhuizen en kerken. Al die plekken zijn plaatsen van troost, van verwondering en hoop. Van tragedie, van komedie.  De achteloosheid waarmee ze nu worden gesloten zegt iets over onze beschaving, het gemak waarmee Kerstdiensten en – missen worden afgeschaft is verontrustend. We kunnen ons niet afsluiten van onze bronnen. Zeker nu niet, al doet  neoliberale wind die al decennia door onze samenleving waait ons geloven van wel. Kunst is een luxe en religie een persoonlijke keuze. Arme wij.  De strijd tegen het virus kan niet zonder onze verworteling in de tradities die ons leren om het uit te houden met onszelf, om kracht te vinden in solidariteit, om ons te verlossen van onze prestatiedwang en niet in het minst om ons beschaving te leren.

Comments

  1. Dankjewel Goede analyse, sterk verhaal. We kunnen niet zonder onze bronnen. Vergelijk https://fruitfulcity.nl/nieuws/visioen-van-vreugde-vrede-geduld-vriendelijkheid/

Voeg een reactie toe

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.