Image Image Image Image Image Image Image Image Image

Daderbegrip

5 april 2017 | Door | Geen reacties

Het is iets meer dan twintig jaar geleden. Ik werkte als dominee in Sittard en was op weg naar een vergadering. Op de fiets. Niet ver van mijn huis lag de weg naar Duitsland. Die ging ik op. Het was tegen half negen ‘avonds. Het was november en donker. De meeste gordijnen waren gesloten. Ook waren er rolluiken neergelaten. Na nog geen kilometer op de weg, wilde ik de wijk inrijden. Linksaf. Ik sorteerde voor. Ik hoorde een brommer achter me. Voordat ik het wist schoot hij rechts van mij langs. Een ongehelmde jongen keek mij aan. Ik keek terug. We keken nog een keer. En nog een keer. Eén keer teveel. Vijftig meter verderop keerde hij de brommer. Ik sloeg linksaf en hij kwam naast me rijden. Begon tegen me te schreeuwen. Reed me klem. Dwong me aan de kant. Hij sloeg met een vuistslag tegen mijn hoofd. Ik schreeuwde Pijn, paniek en angst. Doodsangst. Er kwam geen hulp. De huizen bleven gesloten en de gordijnen dicht. Hij dreigde opnieuw te slaan. Hief zijn vuist. Verstarde. Kwam bij zinnen. Pakte zijn brommer. Reed weg.

Ik ging naar de politie. Ze vroegen hoe hij er uit zag. Een blanke man zei ik. Wat maakte het uit? Het is het geweld dat telt. Niet ras of huidskleur. Geweld heeft geen kleur. Of: het heeft alle kleur. Neemt u voortaan een steen mee, klonk het advies. Dan kunt u zich verdedigen.

Ik ging naar huis. De nacht waakte ik door. De pijn stilde ik met aspirine. Het gevoel uit mijn linkerwang trok weg. De volgende ochtend: Huisarts. Ziekenhuis. Onderzoek. Wachten. Foto’s. Wachten. Uitslag: gebroken jukbeen. De dag daarop werd ik geopereerd. Bot hersteld, maar de verwarring sloeg toe. Waarom dit geweld? Had ik de brommer in de weg gezeten bij het voorsorteren? Had ik brutaal gekeken? Was er misschien lust in het spel? Niets stommer en uitputtender om als slachtoffer een geweldsdaad zonder reden te willen begrijpen.

Ik kwam in een voorlichtingsfilmpje voor Slachtofferhulp terecht. Mijn interviewer raadde mij aan alsnog hulp te zoeken. Ik wimpelde het af. Ik was eroverheen. De dader zou geen grip krijgen op mijn leven, hij nam mij mijn vrijheid niet af. Ik was sterk en stoer. Tot ik mijzelf terug zag. Bij de première. Hier zou ik ook op slaan, dacht ik. Ik had de reden voor de klap gevonden. Ik was het zelf. Ik. Ik. Ik. Ik.

Het was het ergste wat mij als slachtoffer kon overkomen: ik ging de dader begrijpen. Het geweld kreeg daarmee een plek binnen een overzichtelijk universum. Het kon niet zo zijn dat iemand zomaar ging slaan. Of mij zomaar dood wilde zonder reden. De zelfhaat was geboren.

De klap dreunde zo langer na dan ik voor mogelijk hield. Soms was er zomaar een blinde paniek uit het niets. Durfde ik met de auto voor mijn huis niet te stoppen. Of ik vloog bij binnenkomst direct de tuin in omdat ik het huis niet vertrouwde. Op de raarste momenten was de dader er weer, die mijn vrijheid aanvocht. En ik vocht terug.

Het heeft even geduurd voordat het weer goed kwam met mijn vrijheid. Het begrip voor de dader moest de wereld uit. Mijn wereld. Het simpele feit dat je er bent kan nooit een aanleiding zijn voor geweld. De twee jongens op de brug bij Arnhem gaven aan normaal niet hand in hand te lopen. Dat zou als provocerend kunnen worden gezien. Maar hoe kan genegenheid provoceren? En hoeveel moet je van jezelf ontkennen om je nog vrij te voelen? Hoeveel wantrouwen kan de vrijheid verdragen? Weinig. Heel weinig. De kracht van het geweld is niet het geweld, maar de dreiging. De dader moest mijn leven uit. Maar ik betaalde daarvoor één prijs. Mijn vrijheid heeft levenslang een stoer randje gekregen: ik laat me niet klein krijgen.

 

Voeg een reactie toe